Over het nut van lichaamsbeweging is iedereen het eens. 'Sport is plezier waar je gezond van wordt' luidde de ondertitel van een sportadvies van de Raad voor het Jeugdbeleid. Van bewegen word of blijf je fit. Het is goed voor je uithoudingsvermogen, spierkracht, lenigheid en coördinatie. In de kindertijd moet de basis worden gelegd voor een actieve en sportieve leefstijl. Daarom is ook de jeugd tussen de 4 en 12 een belangrijke doelgroep van de stichting Jeugd in Beweging (JIB) in Arnhem. Deze stichting streeft er naar dat 'jongeren (4-18 jaar) blijvend deelnemen aan sport- en bewegingsactiviteiten én hierbij actief betrokken zijn'. Om dit te bereiken ondersteunt JIB gemeenten, scholen en anderen bij het ontwikkelen van een duurzaam sportbeleid en een aantrekkelijk aanbod. 'Wij vinden het belangrijk dat kinderen op een leuke manier kennismaken met sport en beweging. Dat betekent dat ze daartoe voldoende mogelijkheden moeten krijgen. Wij zeggen steeds: als je zorgt dat die kinderen positieve ervaringen opdoen, dan leg je een basis voor de toekomst. Positief wil zeggen dat ze leren bewegen, dat ze er plezier in hebben en dat ze bewegen op een manier die bij hen past,' zegt Carla Kolner, directeur van JIB. Bij kleine kinderen is het van groot belang dat je het 'leuke' van actief bezig zijn benadrukt. 'Het gaat bij hun om het plezier, niet om de prestatie.' Op school, op straat, in de sportclub en thuis kunnen die belangrijke eerste stappen worden gezet.
De rol van de school
De school is één van de eerste plaatsen waar kleuters in contact komen met sport. Daarom is goed bewegingsonderwijs zo essentieel. Wat dat betreft is het geen vooruitgang dat de vakleerkracht op een gegeven moment uit het onderwijs is verdwenen. 'Gelukkig komt die in 2004 weer terug voor kinderen vanaf groep 3. Een vakleerkracht heeft toch duidelijk meer kwaliteiten, vooral voor de hele gevarieerde bewegingsvormen,' aldus Carla Kolner. Tot die tijd mogen groepsleerkrachten met een extra bevoegdheid nog zelf lesgeven. Daarnaast is het mogelijk dat leerkrachten met een extra aantekening onder begeleiding van een vakleerkracht gymles geven. Die samenwerking verloopt volgens JIB heel goed. Een vakleerkracht zegt in de JIB-Nieuwsbrief: 'We komen niet als de deskundige de gymzaal in, maar geven heel nadrukkelijk samen met de groepsleerkracht les. En dat werkt uiterst positief.' Een van de voordelen is dat de leerkrachten hun aandacht kunnen verdelen en ook meer ingewikkelde bewegingsoefeningen kunnen geven.
'Het is ook belangrijk,' vervolgt Carla Kolner 'dat leerlingen op school met zoveel mogelijk sporten in aanraking komen. Daarom pleiten wij ervoor dat scholen aandacht besteden aan sportoriëntatie- en keuzeprogramma's. Haal op school eens de sportverenigingen binnen. Laat ze kennismaken met verschillende bewegingsactiviteiten. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een sportinstuif of door kinderen mee te nemen naar plaatselijke sportclubs.'
Meer aandacht voor bewegen
De basisschool is ook de plek waar - na het consultatiebureau - motorische problemen gesignaleerd kunnen worden. Helaas komt de schoolarts er door gebrek aan tijd en toenemende bezuinigingen vaak niet meer aan toe om alle kleuters grondig te testen aan het begin van groep 2. Vaak gebeurt dat pas aan het eind van het tweede schooljaar. Daardoor worden soms kinderen naar de middenbouw doorgestuurd, die daar eigenlijk nog niet aan toe zijn. Pas in groep drie blijkt dan dat ze problemen hebben met hun fijne of grove motoriek of met bewegen in het algemeen. Kinderfysiotherapeute Jolanda Herngreen komt het geregeld tegen: 'In mijn praktijk krijg ik tegenwoordig steeds vaker kinderen uit groep 3 waarvan ik denk: eerdere interventie had meer opgeleverd. Vandaar dat wij in Heiloo een groot project gaan starten waarbij alle kinderen uit groep 2 gescreend worden. Hieruit kunnen dan adviezen voor sport, gym of fysiotherapie voor de school of voor thuis rollen.' De school zou meer aandacht moeten besteden aan de bewegingsontwikkeling van kinderen, vinden zowel Carla Kolner als Jolanda Herngreen. Herngreen: 'Aan het begin van hun schooltijd worden scholieren getest op hun taalvaardigheid. Derdegroepers krijgen al jaren aandacht op logopedisch terrein; wij kregen wel eens de vraag waarom ditzelfde niet gebeurde op het gebied van het bewegen.' 'En waarom zouden naast de leerprestaties niet ook de fysieke vorderingen van een leerling gevolgd kunnen worden?' vraagt Carla Kolner zich af. 'Daarmee bedoel ik niet dat er zware tests moeten worden afgenomen, maar dat er wordt bijgehouden hoe een kind het doet in de gymles. Waar is-ie bang voor? Wat kan hij goed? Dan kan de leerkracht ook raad geven over een passende sport. Ouders in de ouderraad zouden zich er hard voor kunnen maken dat scholen adviezen op dit terrein gaan geven.'
Meer speelruimte nodig
De vrije speelruimte is de laatste jaren flink ingekrompen. J/M heeft er al vaak aandacht voor gevraagd. Vooral kinderen in de steden worden daardoor beperkt in hun buitenspeelmogelijkheden. Daarom breekt JIB ook een lans voor meer ruimte. Carla Kolner: 'Kinderen moeten overal de mogelijkheid hebben om op straat te spelen en te sporten. Knap braakliggende terreinen en pleintjes op. En geef ze zelf ook een taak bij het inrichten van hun speelplekken.' Want kinderen blijken vaak een heel ander idee van een fijne speelplek te hebben dan volwassenen: geen wipkippen en keurige speeltoestellen, maar spannende, natuurlijke en vooral niet-ingerichte plekken.
Een sportclub voor de jongsten
Natuurlijk kan ook het club- en verenigingsleven zich niet onbetuigd laten als het gaat om het stimuleren van schoolkinderen tot een blijvend sportieve levenshouding.
'Maar bij veel sportverenigingen is het aanbod helemaal niet op de jongste jeugd afgestemd.' Carla Kolner heeft dat zelf ook ervaren. 'Mijn zoontje Sem van zeven wilde graag op basketbal. Op de basketbalvereniging werd hij helemaal aan zijn lot overgelaten. Hij kreeg geen introductie, geen begeleiding, geen kennismaking met de andere kinderen. Hij moest maar gewoon meelopen. Er stond een Engelse leraar voor hem die allemaal ingewikkelde termen gebruikte. Na twee lessen had hij het helemaal gezien.' Sportverenigingen moeten zich realiseren wat het betekent om kleine kinderen in huis te hebben. 'Ze moeten hun trainingsprogramma's veel meer afstemmen op de wensen en behoeften van hun jongste leden. Het zou goed zijn als ze zich niet alleen richten op de talentjes, maar ook aandacht besteden aan de 'gewone' kinderen, die voor de lol sporten. Voor die kinderen zouden ze een minder ambitieus programma kunnen opstellen. Bijvoorbeeld niet drie keer in de week trainen of elk weekend een wedstrijd. Veel kinderen haken af omdat ze het niet kunnen bijbenen en er te hoge eisen aan ze worden gesteld.'
Verenigingen zouden ook veel vaker 'multisportvormen in één pakket kunnen aanbieden'. De ene keer gaan ze voetballen, de andere keer mini-tennissen of vrij spelen. Op die manier leren ze verschillende sporten kennen.
Actieve ouders, actieve kinderen
Goed voorbeeld doet goed volgen. Dat geldt ook op dit gebied. Ouders die laten zien dat ze sport en bewegen belangrijk vinden of - nog beter - zelf actief zijn, brengen die positieve houding over op hun kinderen. Ook uit onderzoek van het Universitair Centrum Sportresearch blijkt dat kinderen die aan sport doen zich vaak gestimuleerd voelen door hun, eveneens sportende ouders.
Ouders kunnen hun kind helpen een sport uit te kiezen die goed bij hen past. Carla Kolner: 'Je moet goed naar je kind kijken. Wat vindt hij leuk? Wat zou hij meer moeten leren?' Toch zal het niet altijd makkelijk zijn om uit het scala aan mogelijkheden net de juiste keus te maken. In het kader op pagina 33 staan de zaken waarop gelet moet worden bij het kiezen van een sport.
Ten slotte kunnen ouders ook thuis met heel eenvoudige huis-, tuin-en keukenmaterialen hun kroost op een goede manier leren omgaan met hun lichaam. Jolanda Herngreen geeft vanuit haar eigen praktijk een paar tips:
Kies voor speelgoed dat het kind uitdaagt te bewegen. Bijvoorbeeld: een trampoline, skippybal, springtouw, stelten.
Laat kinderen helpen met het huishouden: bedden opmaken, sjouwen en zo.
Doe samen bewegingsspelletjes als blindemannetje, tikkertje, balspelen, ballonnen hooghouden. Of stimuleer kinderen dit soort dingen te doen.
Blijf rollen en stoeien. Zo leren ze balanceren en vallen.
Geef kinderen de gelegenheid om te spelen. Ouders vinden het al gauw een hoop gedoe als hun kind alles uit de kast haalt, of ze vinden het vervelend als zoon- of dochterlief zich vies maakt. Maar laat ze zelf hutten bouwen van lakens, in de zandbak spelen, op een bed springen.
Minstens één uur per dag
Om gezond en fit te worden en te blijven moeten kinderen tot 18 jaar minimaal twee keer in de week iets doen om hun conditie op peil te houden. Maar dat is nog niet genoeg: ze moeten bovendien elke dag minstens één uur ‘matig intensief lichamelijk actief’ zijn. ‘Het komt erop neer dat je echt moet voelen dat je beweegt. Je moet een beetje hijgen en zweten,’ zo vertaalt Carla Kolner, directeur van Jeugd in Beweging, deze Nederlandse Norm Gezond Bewegen in gewone mensentaal. Voorbeelden van matig intensieve lichamelijke activiteiten voor jeugdigen zijn: wandelen, fietsen, trap op- of aflopen, hardlopen, zwemmen, rennen en allerlei spelsporten. Bij de ene activiteit beweeg je intensiever dan bij de andere. Een half uur wandelen kan dan ook vervangen worden door 15 minuten hardlopen.
Bewust een sport kiezen
De belangrijkste vragen die kinderen zich moeten stellen bij het kiezen van een sport zijn:
- Wil ik het liefst buiten of binnen sporten, op een veld of in een zaal? (keuze voor een binnen- of buitensport)
- Vind ik het leuker om in een team ?te sporten, sport ik liever in mijn eentje of met een tegenstander? (keuze voor een team- of een (semi-)individuele sport)
- Sport ik vooral voor de lol of voor de prestatie? (keuze voor een sport met of zonder competitie-element)
- Vind ik het niet erg om aangeraakt te worden of hou ik niet van duwen, vallen, trekken en botsen? (keuze voor een sport met of zonder lichamelijk contact)
- Vind ik het leuk om me op iets te concentreren, om ergens naar toe te werken of om me lange tijd in te spannen? (keuze voor een concentratie-, een target- of een duursport)
De landelijke sportorganisatie NOC* NSF heeft een 'sportkeuze-diskette' ontwikkeld voor kinderen. Op de diskette kunnen ze de voorwaarden aangeven waaraan hun sport moet voldoen. De computer selecteert dan een aantal sporten waaruit het kind kan kiezen
Informatie over de diskette (á ƒ25,-) is te krijgen bij de Interprovinciale Organisatie Sport, telefoon: 026 - 483 44 54.
Een sportief uitstapje
Ouders en kinderen die op een regenachtige zondagmiddag hun spieren willen trainen, kunnen naar het Nederlands Sportmuseum Olympion in Lelystad gaan. Daar kunnen verschillende sporten worden uitgeprobeerd en activiteiten worden gedaan. Er is onder andere een roeimachine, boksbal, hoogspring-computer, tafeltennistafel en een sportveld voor buitensporten als volleybal en voetbal.
Sportmuseum Olympion, Museumweg 10 in Lelystad.
Tekst: Anne Elzinga
J/M januari 2001
Babyaccessoires
Boeken
Kinderkleding
Meubilair
Speelgoed
Vakantie Nederland
Vakantie buitenland
Vakantie algemeen
Contact
Diversen