Buikpijn voor een toets

Wat is faalangst?

Bijna iedereen is wel eens zenuwachtig als hij iets moet presteren. Die spanning helpt veel mensen om het nét even beter te doen. Maar voor mensen met faalangst is die spanning juist te veel. Ze klappen dicht en krijgen tijdens een toets op school bijvoorbeeld een black-out. Door de angst, die vaak al dagen voor de eigenlijke prestatie aanwezig is, presteren ze onder hun niveau. Dat maakt de angst voor de volgende prestatie meestal alleen maar groter. Hun angst dat ze het niet kunnen, is bevestigd en daardoor geloven ze dat het de volgende keer ‘vast weer niet gaan lukken’ of dat ze ‘niets kunnen’.

Wie heeft er last van?

Elk jaar wordt bij 8 tot 12 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs een vorm van faalangst vastgesteld. Inmiddels biedt maar liefst 78 procent van de scholen faalangsttrainingen aan. Opvallend is dat bijna alle kinderen met faalangst een ouder hebben die er ook last van heeft (gehad). Voor een deel zit de eigenschap dus in de genen. Aan de andere kant kopiëren kinderen ook het gedrag van hun ouders, ook als dat ongunstig gedrag is. Als vader of moeder nooit iets durft te zeggen of te vragen in het openbaar, krijgt het kind onbewust de boodschap mee dat zoiets eng is en zal het dat dus uit zichzelf niet snel doen.

Soorten faalangst

Faalangst wordt doorgaans verdeeld in drie groepen, cognitieve-, sociale- en motorische faalangst. Bij de cognitieve variant is iemand bang om een toets te maken of om bijvoorbeeld het juiste antwoord op het bord te moeten schrijven. De angst voor sociale taken komt tot uiting bij het bestellen in een café, iets hardop moeten zeggen in de klas of iemand opbellen. Bij motorische faalangst is iemand bang om lichamelijke prestaties te moeten leveren. Een leerling kan bijvoorbeeld letterlijk verstijven als er een wedstrijd gespeeld moet worden, terwijl hij in de les of training altijd heel goed is. Natuurlijk komt het ook voor dat mensen meerdere vormen van faalangst hebben.

Wat kunnen ouders doen?

Om faalangst te verhelpen moet het eerst herkend worden. Daar kan een schoolarts bij helpen. Op internet is meer informatie te vinden. Als een kind iets aan de angst wil doen, kan het een faalangsttraining volgen. Die wordt meestal op school gegeven. De leerlingen leren daar bijvoorbeeld omgaan met hun lichaam en krijgen ademhalings-en ontspanningsoefeningen. Ze leren ook omgaan met taken die steeds moeilijker worden. Stap voor stap worden ze daar doorheen geholpen. Verder leren ze hun mening te geven en werken ze aan een positief zelfbeeld. Het is belangrijk dat de ouders nauw betrokken zijn bij de training van hun kind. Vaak blijkt de training namelijk alleen te helpen als de ouders er positief op reageren. Want in principe leert een kind tijdens zo’n cursus om anders op situaties te reageren dan het van huis uit gewend is. Omdat kinderen trouw zijn aan hun ouders, zullen ze alleen veranderen als hun ouders laten merken dat ze er achter staan.

Iemand met faalangst:

- raakt onnodig zenuwachtig, voordat hij een prestatie moet leveren

- krijgt zweethanden, rode vlekken, een droge mond of braakneigingen voordat hij iets moet doen

- heeft slaapproblemen in de dagen voor een prestatie

- kent de stof voor een toets vaak prima, maar krijgt tijdens het maken een black-out

- stelt uit, wacht af of verzint smoesjes om iets niet te hoeven doen

- onderschat zijn eigen kunnen en denkt dat anderen beter zijn

- heeft vaak een negatief zelfbeeld en vindt dat hij niets goed genoeg kan doen.

Tekst: Lieselotte Nooyen
J/M Pubers juni 2005