De magie van de eerste vriendschap

Tekst: Anouk Horsthuis

J/M november 2007

Het ene moment draait de hele wereld nog om papa en mama. Het volgende moment gaat alle aandacht naar Tijmen. Of Sterre. Omdat hij zo grappig is, of omdat zij ook van treinen houdt. Maar hoe vluchtig soms ook, die allereerste vriendschappen zijn goud waard.

Loop een willekeurige peuterspeelzaal of kleuterklas binnen en te midden van de kluwen kletsende, kleurende en knutselende kinderen vallen ze direct op. De kindertjes die zoet samen een puzzel maken. De jongetjes die voortdurend aan elkaar zitten. En de jongen en het meisje die elkaar overal volgen. Hand in hand, met alleen oog voor elkaar.

Weinig ouders die niet geroerd raken bij het zien opbloeien van de eerste vriendschap van hun kind. Zo schattig. Zo puur. En zo welkom ook. Weinig dingen die ouders zo belangrijk vinden als de vaardigheid van hun kind om vrienden te maken. En daar hebben ze een punt, want onderzoek wijst steevast uit dat vriendschap kunnen sluiten een van de belangrijkste voorwaarden is voor de sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen. Door met andere kinderen te spelen leren ze zich te verplaatsen in een ander, leren ze zichzelf beter kennen en leren ze omgaan met conflicten. Bovendien vormen vrienden een beschermende buffer tussen een kind en de soms boze buitenwereld. Vervelende gebeurtenissen hebben namelijk minder effect als je je geliefd weet door een of meerdere ‘vaste’ vriendjes. Hoe eerder kinderen dus bedreven raken in het maken van vriendjes, hoe beter.

Al heel jong samen spelen

Tot voor kort beweerden ontwikkelingspsychologen dat er van vriendschap tussen kinderen tot het achtste jaar eigenlijk nog geen sprake kon zijn. Kinderen zouden tot die tijd niet mét elkaar, maar náást elkaar spelen en dat kon je met goed fatsoen nog geen vriendschap noemen. Dat daar wel wat op valt af te dingen, weten peuterleidsters, kleuterjuffen en ouders van hondstrouwe vierjarigen en dolverliefde zesjarigen. En dat vermoedt ook junior onderzoeker Ellen Peters die voor de Radboud Universiteit Nijmegen onderzoek doet naar vriendschappen bij kinderen. Peters: ‘In veel onderzoeken is sprake van die magische leeftijd van 8 jaar waarop kinderen voor het eerst in staat zijn tot intimiteit en loyaliteit in hun relaties met leeftijdsgenootjes. Maar of dat een voorwaarde is om over vriendschap te kunnen spreken, daarover verschillen steeds meer onderzoekers van mening. Al was het maar omdat je heel lastig kunt meten wat jonge kinderen voelen bij en hoe ze denken over vriendschap. Persoonlijk denk ik dat je het samen spelen van jonge kinderen heel goed ook vriendschap kan noemen. Een vorm van vriendschap die zich ontwikkelt naarmate kinderen ouder worden, van kameraadschap tot uiteindelijk een intieme wederzijdse relatie. Zo weten we dat kinderen vanaf een jaar of 2 al heel duidelijke voorkeuren voor bepaalde andere kinderen kunnen hebben. En vanaf het vierde jaar zijn kinderen in staat om te zeggen: jij bent mijn vriend.’

Meer onderzoek doen

Volgens Peters zal er in de nabije toekomst ongetwijfeld meer onderzoek worden gedaan naar vriendschappen tussen jonge kinderen. ‘Tot voor kort ging alle aandacht naar de sociale relaties tussen kinderen vanaf een jaar of 6, omdat kinderen pas rond die leeftijd echt te maken kregen met leeftijdsgenootjes. Maar feit is dat de omgeving waarin jonge kinderen opgroeien, behoorlijk is veranderd. Steeds meer kinderen gaan op heel jonge leeftijd naar het kinderdagverblijf of de peuterspeelzaal. En daar brengen ze relatief veel tijd door waardoor ze er naast hun leven thuis nog een heel leven bij hebben gekregen. Een leven vol leeftijdsgenootjes.’

Kijken, praten, imiteren

Marja Rabbers, directeur van kinderdagverblijf Picobello in Alkmaar, zit al twintig jaar tussen de baby’s, dreumesen en peuters. Zij ziet dagelijks hoe kinderen op jonge leeftijd vriendschap sluiten. ‘Vrienden van elkaar zijn, betekent dat je met elkaar communiceert. En dat zie je al bij heel jonge kinderen gebeuren. Natuurlijk kunnen dreumesen van anderhalf nog niet met elkaar praten, maar dat wordt opgelost met fysiek contact. Er wordt gekeken, geduwd en aan elkaar getrokken. En vooral: geïmiteerd. Hij doet een leeuw na, dan doe ik ook een leeuw na. Zij verstopt zich? Dan verstop ik me ook.’

Ook Marjolijn de Groot, leidster op de peutergroep van Picobello, ziet dagelijks hoe ‘haar’ kleintjes zich in allerlei bochten wringen om contact te maken met elkaar. ‘Ze rennen voortdurend achter elkaar aan, naar de treinbaan, naar buiten en weer naar binnen. Soms gaan ze zelfs met elkaar naar de wc. Het is een en al praten, kijken, lachen en elkaar nadoen. Sommige kinderen voelen zich daarbij extra tot elkaar aangetrokken. Die pikken elkaar eruit. Soms zie je dat echt gebeuren. Dan kijken twee kinderen elkaar aan en is er plotsklaps een klik. Wát ze dan in elkaar zien, weet ik niet precies. Het zal met aantrekkingskracht te maken hebben. We hebben hier bijvoorbeeld een jongen en een meisje die elkaar een tijdje geleden plotseling vonden. Sindsdien hebben ze voor andere kinderen geen oog meer en spelen ze alleen nog maar met elkaar.’

Regelmatig contact

Voorwaarde voor een dergelijke vriendschap is wel dat kinderen elkaar meerdere dagen per week zien, ervaren zowel directeur Marja Rabbers als peuterleidster Marjolijn de Groot. ‘Om vriendjes te kunnen worden, moet je je veilig voelen bij elkaar en dat kan alleen als je elkaar regelmatig ziet. Er zijn hier kinderen die drie hele dagen per week met elkaar optrekken en dan kunnen hechte vriendschappen ontstaan. Zeker als ze daarnaast ook af en toe bij elkaar thuis spelen en op elkaars verjaardag komen. Dan zie je dat kinderen echte maatjes worden, die soms jarenlang trouw blijven aan elkaar.’

Groep 1: elkaar aanvullen

Kunnen peuters dus al serieus vriendschap voor elkaar opvatten, voor kleuters geldt dat nog sterker. Tine Reinderman is kleuterjuf op de Mathieu Wiegmanschool in Bergen en staat bijna veertig jaar voor de klas. Bij voorkeur in groep 1/2, want voor kleuters heeft ze een passie. In al die jaren heeft ze vele vriendschappen zien ontstaan. ‘Meestal kinderen die wel een beetje op elkaar lijken, maar elkaar toch op de een of andere manier aanvullen. Omdat de een net wat gebekter is bijvoorbeeld dan de ander. En wat je meestal ook ziet, is dat er één net wat eigenzinniger is en de leiding neemt binnen de vriendschap.’

Vooral uitproberen

Hoewel vriendschap soms heel soepel en spontaan kan ontstaan, benadrukt Tine Reinderman dat daarmee in de kleuterklas nog vooral wordt geëxperimenteerd. ‘Heel erg trouw zijn de meeste kinderen nog niet. Zeker als ze net binnenkomen in groep 1 en elkaar nog helemaal moeten leren kennen. Het is dan ook vooral uitproberen. Kinderen bekijken elkaar, ontdekken wat er gebeurt als ze boos doen of juist aardig en merken dat ze het ene kind eigenlijk leuker vinden dan het andere. En dat is soms best lastig, zeker als een kind wat verlegen is. Toch moet het in de kleuterklas wel zo’n beetje gebeuren, want naarmate kinderen ouder worden, wordt het er niet makkelijker op. Daarom grijp ik meestal wel in als ik zie dat een meisje of jochie nooit eens met een ander kind speelt. Dan kijk ik of er een kind is dat bij hem of haar zou passen en stuur ik die twee in elkaars richting. Sommige kinderen moet je nu eenmaal even op weg helpen.’

Sociale vaardigheden

Dat vrienden maken een leerproces is, benadrukt ook Ellen Peters. ‘Samenspelen is leuk, alleen moet je daar wel wat voor doen. Aardig zijn bijvoorbeeld en een ruzie kunnen bijleggen. Dat voortdurende aftasten naar wat je wel en niet met elkaar kunt doen, is een constante training van de sociale vaardigheden. Dat dat soms hard werken is, geeft niks. Uiteindelijk zal ieder kind dat zich bekwaamt in het aangaan van vriendschappen daaruit zelfvertrouwen putten. En dat is het begin van heel veel goeds. Kinderen die vol zelfvertrouwen met een vriend omgaan, kunnen daardoor ook goed omgaan met andere leeftijdsgenoten, hebben het daardoor leuker op school en zullen daardoor beter presteren.’

Dat kinderen daar al heel jong mee beginnen op de crèche of de peuterspeelzaal, is dus niet alleen schattig en ontroerend, maar ook een belangrijke eerste stap in hun sociale en emotionele ontwikkeling. Ze leren immers op een heel vanzelfsprekende manier - en in een nog heel veilige omgeving - hoe ze zich met leeftijdsgenootjes kunnen verbinden. En daar kunnen ze hun hele leven lang plezier van hebben. Dat eerste vriendje, dat is er dus met recht een om te onthouden! l

Zo blijft het gezellig

Verveling, tranen, ruzie. Speelafspraakjes pakken niet altijd fijn uit. Zo houd je het voor iedereen leuk:

- Afspraak is afspraak. Leer je kind dat het niet aardig is om op een gemaakte speelafspraak terug te komen.

- Komt een kind voor het eerst spelen? Blijf erbij. Hoewel de kinderen elkaar kennen, zijn het huis, het speelgoed en eventuele broertjes en zusjes nieuw.

- Gaat je kind voor het eerst ergens anders spelen? Ga niet meteen weg, maar blijf tot de eerste nieuwigheid eraf is.

- Houd speelafspraken kort. Met elkaar spelen kost veel energie.

- Plan een speelafspraakje op een rustige dag. Dus niet na een lange crèche- of schooldag vol extra activiteiten.

- Wees duidelijk over de regels die in huis gelden.

- Ruzie? Praat erover. Wat ging er mis en hoe kunnen we het weer goedmaken?

- Tranen? Niet doormodderen. Praat er even over en brei een einde aan het afspraakje. Leuk spelen valt niet af te dwingen.

- Wil je kind altijd alleen maar thuis met andere kinderen spelen? Accepteer dat. Geef het de tijd en de ruimte om te groeien.

- Wees voorbereid: vriendjes van de peuterspeelzaal of school kunnen in een andere omgeving heel anders zijn.

4 typen vriendjes

Geen kind is gelijk. De een speelt met iedereen, de ander blijft liever wat op de achtergrond. Grofweg kun je vier typen kinderen onderscheiden:

1. Gevoelig en intuïtief

In combinatie met extravertheid: aardig, sociaal en populair. In combinatie met introvertheid: afwachtend en alleen.

2. Leergierig en competitief

Verzamelt veel vriendjes om zich heen om kennis te toetsen en weetjes uit te wisselen. Is niet heel trouw.

3. Avontuurlijk

Luchtig, gaat op zintuigen af en is waar het leuk is. Maakt makkelijk contacten, maar die zijn vluchtig en wisselend.

4. Plichtsgetrouw

Behulpzaam, volgzaam en heel trouw.

Van een kind dat gevoelig en introvert is, maak je geen allemansvriend. Maar hoe introvert en verlegen ook: alle kinderen hebben een vriend nodig. Stimuleer daarom van jongs af aan het samen spelen. Hoe eerder ze bedreven raken in en vertrouwd raken met contacten met leeftijdsgenoten, hoe beter.

Ruzie? Daar leren ze van!

‘Wat heb jij een rare moeder zeg.’ ‘Ik vind jou stom.’ ‘Jij kan echt niet mooi tekenen!’ Stimuleer je je kind met andere kinderen te spelen, krijg je dát. Een jongetje dat jouw schatje een dreun verkoopt. Of een meisje dat Echt Heel Gemeen doet tegen jouw lieverd. De eerste kras op de tere kinderziel? Ondermijnend voor het zelfvertrouwen? Welnee, die allereerste een-tweetjes tussen peuters en kleuters mogen soms weinig vriendschappelijk ogen, de meeste kleine kinderen verblikken of verblozen niet na een dergelijke linkse directe. Bovendien leren ze ervan. Dit kun je niet maken en dat wel. Dat vinden vriendjes niet leuk en dit wel. Niet voor terugschrikken dus. Laat het kind de vrijheid om te ontdekken wie het zelf is en wie de ander is.



WPT Footer

Opzij | Vrij Nederland | JM Ouders | Hollands Diep | Yoga Special | Yoga TV | Psychologie Magazine | Happinez | Runner's World | Men's Health | Hoe overleef ik