Jij wilt werken & zorgen, maar wat wil je kind?

Eindeloos discussiëren we over de vraag wat beter is: fulltime werken, parttime of helemaal niet? Waar voelen wij ons goed bij en hoe combineren we dat met de zorg voor ons gezin? Nu draaien we de vraag eens om. Waar gedijen kinderen het beste bij?

Toen de veertigers van nu klein waren, was het nog bijzonder als hun moeder een baan had. Inmiddels is het eerder regel dan uitzondering. En het gaat in veel gevallen best - óók als papa níet besluit om minder te gaan werken. Met voor- en naschoolse opvang, oppassen, elektronische oppassen (tv en computer), opa’s, oma’s, werksters, kookschema’s, gezinskalenders, de pizzalijn, mobiele telefoons, de AH-thuisservice en flink wat inleveren aan tijd voor jezelf, weten we de boel meestal wel draaiende te houden. En de kinderen? Die draaien net zo soepeltjes mee. Sterker nog: ze zijn eigenlijk veel beter af, is de algemeen geldende opvatting. De crèche en de buitenschoolse opvang maken hen sociaal en creatief. Verschillende oppassen zorgen ervoor dat ze flexibel worden en leren dat ieder mens anders is. Hun hardwerkende ouders geven hun het goede voorbeeld. Bovendien zijn die een stuk gezelliger als ze allebei werken, omdat ze iets doen wat ze écht leuk vinden. Ondertussen profiteren de meeste kinderen ook nog eens van de welvaart die een dubbel salaris met zich meebrengt: groter huis, vakantie(s), een spelcomputer et cetera. En (extra voordeel!): de kinderen wennen al jong aan de strakke schema’s die hun later ook in de maatschappij zullen worden opgelegd. Jong geleerd, oud gedaan.

Toch blijft het af en toe knagen. Is het nou echt zo fijn voor onze kinderen dat we zoveel weg zijn? Je durft de vraag bijna niet meer hardop te stellen, omdat je daarmee onmiddellijk in de hoek wordt gezet van naar spruitjes stinkende vrouwen die vinden dat alles weer zou moeten zijn zoals in de jaren vijftig, waarin moeders glimlachend de was ophingen en snottebellen afveegden. Dat ook vaders minder of helemaal niet zouden kunnen werken, komt namelijk zelden bij buitenstaanders op.

Met het risico achterlijk en ouderwets te worden gevonden, stellen wij deze keer wél die vraag: wat wil het kind? Waar is hij het best mee af? Hoe denkt de opvoedadviseur hierover? Wat vindt de schoolpsycholoog? En wat zegt de deskundige op het gebied van kinderopvang?

De spits bijten we af met de kinderen zelf. In 2008 onderzocht Kidsweek wat kinderen verlangen van hun ouders. Dat leverde de volgende ‘Spiekbrief voor ouders’ op. De perfecte ouder moet:
- zijn kinderen vooral niet met rust laten
- wel veel leuke dingen samen doen
- niet alles goed vinden
- wel praten over dingen die kinderen belangrijk vinden

Kortom: zij willen heel graag dat er tijd in hen wordt geïnvesteerd. En wat zeggen de deskundigen?

De eerste jaren
'Persoonlijk denk ik dat het voor het kind het beste is als het de eerste vier jaar van zijn leven zijn moeder of vader zo dicht mogelijk bij zich in de buurt heeft,’ stelt opvoedadviseur Saskia Nihom. ‘Idealiter komt dat erop neer dat een van de ouders fulltime werkt en de ander er voor kiest om maximaal twee dagen van huis te zijn. Voor een kind is het, zeker in de eerste twee, drie jaar, het fijnst als er op die dagen een oppas aan huis komt omdat het daarmee in zijn vertrouwde omgeving blijft. Waarom ik hier voorstander van ben? Als je in deze vier cruciale jaren bij elkaar bent, heb je tijd om je kind goed te leren kennen. Daardoor weet je straks heel goed wat het aan kan en wat niet. En op die kennis kun je doorborduren als ze groter worden en de wijde wereld in trekken.’

Mag je hieruit de harde conclusie trekken dat het combineren van een gezin en twee carrières eigenlijk niet goed is als de kinderen heel jong zijn? ‘Ja,’ zegt Nihom. ‘Dat klinkt nogal boud, maar ik denk eerlijk gezegd dat dit de waarheid is. Of het daarna wél goed gaat, is afhankelijk van je eigen karakter en dat van je kinderen. Op de eerste plaats moet je je afvragen of jij en je partner na een dag hard werken nog genoeg energie overhouden voor jullie kroost. Heb je nog de fut om naar ze te luisteren? Om consequent te zijn? Als je allebei voltijds werkt, moet je je ook realiseren dat je kaarsje vaak sneller opbrandt. Dat gaat allereerst ten koste van jou, maar vervolgens ook ten koste van je kinderen. Verder moet je bedenken of je kind het aankan. Als je vaak weg bent, vraagt dat veel van zijn flexibiliteit. Voor de een is dat geen enkel probleem, die gaat met veel plezier naar school en de naschoolse opvang. Maar voor de ander werkt dat minder goed. Sommige kinderen zijn nou eenmaal wat sneller bezorgd, kunnen zich minder afsluiten voor de vele prikkels of zijn de hele dag aan het observeren. Op zich nuttige eigenschappen, maar daardoor zijn ze eerder moe van die lange dagen en de voortdurende wisseling van de wacht. Het is heel moeilijk om te zeggen of dat schadelijk is voor een kind of niet, want we hebben hier te maken met een glijdende schaal. De waarheid is niet zo zwart of wit.’

Ter relativering merkt Nihom wel op dat er veel situaties denkbaar zijn waarin er niet echt te kiezen valt. ‘Dat ouders vaak allebei werken is gewoon een gegeven. Zo kun je misschien best een samenleving zonder auto’s willen, maar die zijn er nou eenmaal. Gelukkig is het in Nederland wel goed mogelijk om ook parttime te werken. Verder is het goed om je te bedenken dat wij, die zelf voor het merendeel zijn opgevoed door moeders die wél thuis waren, ook niet altijd een ideale jeugd hebben gehad. Hoe het ook zij: probeer te allen tijde wel eerlijk te zijn tegen jezelf. Als je ervan overtuigd bent dat je goed bezig bent als ouder, dan heeft je kind waarschijnlijk het minst last van het feit dat je werkt. Maar als je twijfelt, omdat je eigenlijk weet dat een kind de drukte niet aankan of omdat je zelf vindt dat het niet lekker loopt, kijk dan of je de situatie kunt aanpassen. Houd jezelf niet voor de gek!’

De basisschool
'Na een lange schooldag hebben kinderen een rustpunt nodig. Ze moeten in hun eigen tempo kunnen bijkomen in een veilige, stabiele omgeving met vertrouwde mensen, waar ze stoom kunnen afblazen, hun ei kwijt kunnen en zichzelf kunnen zijn. Waar ze gezien worden als individu en niet als zomaar iemand in een groep,’ zegt Marianne Riksen-Walraven, hoogleraar Ontwikkelingspsychologie, voormalig hoogleraar Kinderopvang over de naschoolse opvang (NSO). ‘Vervolgens moeten ze zélf kunnen kiezen wat ze gaan doen, alleen of met anderen. Dat moet niet door volwassenen opgedrongen worden. Voor kleintjes is het heel belangrijk dat ze kunnen spelen. Er wordt veel te weinig gespeeld in Nederland: zelfs kleuterklassen zijn al gericht op leren. Terwijl spelen fantastisch is voor hun ontwikkeling. Oudere kinderen willen dingen leren, vaardigheden ontwikkelen. Iets goed kunnen, dát geeft ze zelfvertrouwen. Of dat nou voetbal is of zingen. Als de naschoolse opvang aan al die eisen voldoet, dan is het niet alleen een opvangplek, maar biedt het ook ontwikkelingskansen.’ Helaas is dat niet gegarandeerd. ‘NSO is het ondergeschoven kindje binnen de kinderopvang. We weten er heel weinig van.’ Wel is bekend dat het niet gestoeld is op een doorwrocht theoretisch concept, dat er geen specifieke NSO-opleiding en dat er nogal wat verloop in personeel is. Bovendien zijn er grote verschillen in kwaliteit tussen de ene en de andere organisatie.

‘Als ouder moet je zelf het kaf van het koren scheiden. Moeilijk, want er bestaat geen kwaliteitskeurmerk.’

En zelfs al heb je een goede NSO, dan nog is het de vraag of je kind er wel bij vaart. ‘Uit onderzoek weten we dat kinderen dingen heel anders kunnen beleven.’ Dat hangt bijvoorbeeld af van hun temperament: een afwachtend, teruggetrokken “scharrelkind” zal het moeilijker hebben in een groep dan een sociaal, vrij kind. En ook kleuters zijn kwetsbaarder, al was het maar omdat hun uithoudingsvermogen minder is. Het is ook nogal wat: vanuit je klas moet je weer naar een andere groep. Moet je weer alert zijn, zit je weer midden in het lawaai en komen er weer allerlei prikkels op je af. ‘Als je het ze zelf zou vragen, kozen de meeste kinderen niet voor NSO. Voor een aantal is het ook ronduit overbelastend. Normaal ervaren mensen een stresspiek in de ochtend, en neemt het daarna af. Bij kinderen in de kinderdagopvang blijft het ook ’s middags lang hoog, blijkt uit speekselmonsters.’ Neemt niet weg, benadrukt Riksen, dat een goed georganiseerde, professionele opvang werkende ouders een hoop zorgen uit handen kan nemen. Zolang die echter nog niet overal gerealiseerd is, kan Riksen zich voorstellen dat ouders hun kind niet altijd met een gerust hart laten gaan. ‘Persoonlijk zou ik vijf dagen NSO ook veel te veel vinden.’

De puberteit
'Een puber staat op het punt te vertrekken uit het nauwe gezinswereldje en een zelfstandig individu te worden. Dat doet hij door zich los te maken van zijn ouders. Papa en mama zijn niet meer de eerste personen op wie hij zich richt.’ In deze fase wil hij dat zijn ouders betrokken zijn, maar niet betuttelend, aldus Cathrien Drenthe, orthopedagoog, GZ- en schoolpsycholoog Explora Instituut. ‘Je moet een kind niet laten zwemmen, maar je hoeft er ook niet altijd bovenop te zitten.’ Drenthe pleit voor een ‘aangename vorm van controle’, waarbij ouders vrágen hoe ze kunnen helpen in plaats van die hulp op te leggen. ‘Thuis moet het vooral gezellig zijn. Geen controlehonk waar ze zich moeten melden.’

Volgens Drenthe stelt het volgen van voortgezet onderwijs hoge eisen aan kinderen, waar ze ontwikkelingspsychologisch gezien vaak nog niet altijd aan toe zijn. Ze worden allemaal in dezelfde mal geduwd. Tel daarbij de versnipperde schooldagen op (van les naar les), de soms lange reistijden en de enorme hoeveelheden huiswerk en het is niet zo gek dat Drenthe school voor veel pubers ‘te belastend’ vindt. ‘Zeker brugklassers hebben zorg en begeleiding nodig bij het organiseren van hun schoolleven. Ouders moeten de voorwaarden scheppen waaronder hun kind kan presteren en functioneren. Bijvoorbeeld door met hen mee te denken: wat moet wanneer af? Maar ouders hoeven niet alles zelf te doen. Iets als huiswerkbegeleiding kun je uitbesteden.’ Het is volgens Drenthe ook geen wet van Meden en Perzen dat mama haar kind na school opwacht met een kopje thee. ‘Sommige kinderen hebben dat nodig, anderen kun je meer zelfstandigheid geven.’ Kwestie van goed observeren: dan weet je wat je tiener aankan. ‘Heeft hij na school behoefte aan opvang en kun je die zelf niet bieden, bespreek dan samen hoe jullie dat oplossen.’ Belangrijk is dat ouders weten waar hun kind is, hoe de planning eruit ziet; dat ze niet buiten beeld zijn.

Pubers grootbrengen vraagt van ouders flexibiliteit. ‘Er is niet één goede opvoedmethode. Wat bij de ene tiener werkt, kan voor een ander slecht uitpakken. Ouders moeten voortdurend zoeken naar de juiste balans tussen vasthouden en loslaten. En bijsturen als het mis dreigt te gaan. Als puberouder heb je eigenlijk nooit vrijaf.’

Tekst: Marilse Eerkens en Anne Elzinga

Wat wil het jonge kind?

Volgens Saskia Nihom:
- aandacht
- tijd (geen quality time)
- geduld
- geen haast
- duidelijkheid ( dat vraagt om ouders die duidelijke keuzes maken)

Wat wil het schoolkind?

Volgens Marianne Riksen-Walraven:
- rust / kunnen bijkomen / verhaal kwijt kunnen
- zelf kunnen kiezen wat het gaat doen ?(4-6 jaar: spelen; 4-12 jaar: vaardigheden ontwikkelen)

Wat wil de puber?

Volgens Cathrien Drenthe:
- oprechte interesse en belangstelling ?van zijn ouders
- ouders die tijd voor hem maken


/>- respect voor gevoelens en privacy
- ruimte om zichzelf te ontwikkelen
- mogelijkheid om contacten buiten het gezin aan te gaan
- duidelijke regels en grenzen waaraan hij zich kan houden

WPT Footer

Opzij | Vrij Nederland | JM Ouders | Hollands Diep | Yoga Special | Yoga TV | Psychologie Magazine | Happinez | Runner's World | Men's Health | Hoe overleef ik