Leukste Uittips
Aan tafel!
Oproepjes
Opvoedcursussen. De kunst van het loslaten en begrenzen
Annemiek Leclaire
J/M Pubers september 2007
Vroeger waren er nauwelijks opvoedcursussen voor pubers, nu lijken ze als paddenstoelen uit de grond te schieten. Ouders zijn onzekerder geworden en zitten vol vragen. Er is twijfel: ‘Heb ik mijn kind wel het goede meegegeven?’ En ook angst: ‘Ojee, straks gaat het helemaal mis.’
'De huiswerkopdracht van afgelopen week was: luisteren naar je puber. Hoe is dat gegaan?’
‘Het probleem was niet dat mijn kind niets wilde vertellen,’ reageert een gebruinde vrouw met kort blond haar. ‘Het probleem was dat ik geen tijd nam om naar hem te luisteren.’
‘Het kostte mij moeite om te stoppen waar ik mee bezig was, en even te gaan zitten,’ beaamt een andere moeder.
‘Ik wilde dat ík dat probleem had,’ zegt een groepsgenoot, een vrouw met zilver haar, een zilveren trui en zilveren sieraden. ‘Mijn zoon vertelt helemaal niks. Hij komt nooit spontaan met een verhaal. Ik ben degene die alles moet vragen. De antwoorden vallen allemaal in de categorie “goed, niet goed, gaat wel”. Ik zeg tegen hem: “Als je antwoord geeft, probeer er dan tenminste een hele zin van te maken.”’ Gelach.
‘Ik vraag om tenminste één verhaal per dag,’ zegt een vrouw met een wit poloshirt. ‘En dat wil ik horen tijdens het avondeten.’
Vrouw in het zilver: ‘Hij doet ook zo weinig.’
‘Er is toch wel iets wat hij leuk vindt?’ vraagt een vrouw met zwart krullend haar in een groene jurk met kraaltjes.
‘De computer,’ verzucht de zilveren vrouw.
Cursusleidsters Diana van Vessem en Elly Verbruggen vragen de moeder wat precies het probleem is. Haar zoon zelf lijkt nergens last van te hebben.
‘Ik wil niet dat hij eenzaam wordt,’ zegt ze. ‘Ik vind dat hij in sociale contacten moet investeren, ik vind dat hij leuke dingen moet doen. Ik probeer hem steeds een zet te geven, maar ik kan niet te hard duwen.’
Van Vessem: ‘Je kunt hem uitnodigen, maar je kunt hem niet veranderen.’
Het is de vierde bijeenkomst van de Opvoedcursus voor ouders van pubers in Bussum. De cursus, die sinds een paar jaar landelijk door GGD’en wordt aangeboden, is bedoeld voor ouders van kinderen van 12 tot 16 jaar, die algemene vragen hebben over hun tieners. Vanavond zijn er geen vaders bij, alleen moeders tussen 40 en 55 jaar.
Informatie uitwisselen
Als kinderen de puberleeftijd bereiken, wordt er van ouders iets extra’s gevraagd. Kinderen gaan zich afzetten, zijn niet meer zo te sturen. Ouders weten niet meer wat hun kinderen denken, voelen en doen. Ze hebben veel vragen: wat doe je als je kind gaat roken en drinken? Kiezen ze wel de goede vrienden en vriendinnen? Is het normaal als ze je uitschelden voor trut of erger? En hoe kan ik mijn kind corrigeren?
‘Het is prettig om over dit soort vragen informatie uit te wisselen met andere ouders,’ zegt cursusleidster Van Vessem. ‘Maar dat gaat niet meer zo gemakkelijk, omdat ze elkaar nauwelijks nog ontmoeten. Ouders staan niet meer samen op het schoolplein. Als je iets wilt checken bij andere ouders, bijvoorbeeld het tijdstip waarop de kinderen thuis mogen komen, moet je contact opnemen met voor jou vreemde mensen.’
Ook het soort problemen laat zich niet meer zomaar delen. ‘Je vertelt toch makkelijker dat je kind niet goed eet of slecht slaapt, zoals in de peutertijd, dan dat het je uitscheldt en dreigt met weglopen. Er is twijfel onder ouders: heb ik mijn kind wel het goede meegegeven? En ook angst: ojee, straks gaat het helemaal mis.’
Complimenten geven
Dat er vroeger nauwelijks pubercursussen waren en nu wel, komt volgens de andere cursusleidster, Elly Verbruggen, door de toegenomen onzekerheid van ouders.
‘De wereld is onoverzichtelijker geworden,’ zegt ze. ‘Dat komt mede door de moderne techniek; computers, mobiele telefoons; ouders kunnen niet meer inschatten wat de risico’s zijn voor hun kinderen. Ze weten vaak niet wat ze normaal moeten vinden, wat ze abnormaal moeten vinden, en het is prettig om daar met andere ouders over te praten.’
De cursus telt zes avonden. Vaste thema’s zijn veranderingen in de puberteit, positieve aandacht geven, en manieren van opvoeden. Andere avonden gaan over ruzie: er wordt besproken en geoefend hoe je kunt luisteren, praten en overleggen met je puber. De laatste bijeenkomst gaat over grenzen stellen en straffen.
‘Wat wij vaak zien,’ zegt Van Vessem, ‘is dat ouders alleen nog aandacht hebben voor de dingen die niet goed gaan. Dat de kamer niet opgeruimd wordt, de jas niet op de kapstok hangt, de fiets niet op slot staat. Dat wordt gezien als luiheid, maar dat is het niet altijd: pubers hebben gewoon veel aan hun hoofd. Ze krijgen soms heel wat negatief commentaar over zich heen. Daarom gaan we eerst beginnen positiever naar het kind te kijken.’
Vanavond spreken de deelneemsters hun verwondering uit over het effect van complimenten geven. ‘De hele stemming thuis lijkt wel positiever te zijn geworden,’ zegt de vrouw in het witte poloshirt.
Luisteren
Puberen is belangrijk, houden de cursusleidsters de moeders voor. Anders worden vragen als ‘Wie ben ik?’ en ‘Wat mag ik?’ terugkerende thema’s in de volwassenheid. Wat voor ouders de belangrijkste leidraad zou moeten zijn, is: hoe gebruik ik de puberteit van mijn kinderen om hen voor te bereiden op zelfstandigheid? Dat impliceert dat tieners moeten leren begrijpen waarom bepaalde dingen niet kunnen. En willen ouders dat soort contact met hun kinderen, dan moeten ze kunnen luisteren.
Verbruggen geeft het voorbeeld van een moeder die in woede ontsteekt als ze merkt dat de vrienden van haar zoon de koelkast hebben leeggegeten. Als ze eerst met hem gepraat had, had ze begrepen dat haar zoon die jongens eigenlijk niet had willen meenemen, maar de groepsdruk niet kon weerstaan. Dan had ze het dáár met hem over kunnen hebben.
Eigenlijk, zeggen Van Vessem en Verbruggen, moeten ouders zichzelf zien als een coach langs de lijn, die de puber aanmoedigt te experimenteren, maar hem niet over de randen van het veld laat gaan. Het is een lastige oefening in loslaten en begrenzen. ‘Wat ik zo verwarrend vind,’ zegt een van de deelneemsters: ‘het ene moment is het alsof er een volwassene tegenover je staat, het andere moment is het ineens een heel klein mensje.’
Uitspreken van de wens
Oefenen. Van Vessem schetst de cursisten het klassieke scenario van het kind dat later van een feestje terugkeert dan afgesproken. Wat zouden de moeders doen? Op het bord staan zes mogelijke reacties: commanderen, dreigen, preken, beschuldigen, schelden, belachelijk maken en beschamen. ‘Ik heb ze allemaal al eens geprobeerd,’ merkt een blonde moeder van drie tienerdochters op, ‘maar ze helpen inderdaad geen van alle.’
Van Vessem: ‘Wat zou een goede reactie kunnen zijn?’
Vrouw in witte polo: ‘Ik vroeg laatst heel rustig waarom hij te laat was. Vraagt-ie: “Hoezo?” Kijkt hij op zijn horloge, zie ik dat hij hem twee uur heeft teruggedraaid. Toen werd ik alsnog heel boos. Hij is de boel gewoon aan het belazeren.’
‘Je wilt je kind iets leren,’ zegt Verbruggen. ‘Dus moet je jezelf niet centraal stellen, maar de boodschap zo brengen dat hij aankomt.’
‘Waarom mogen volwassenen hun boosheid toch niet uiten?’ vraagt een van de deelneemsters.
Van Vessem: ‘Als je boos bent, moet je er iets over zeggen: “Ik ben nu heel erg boos, want ik was heel ongerust.” Maar het praten met je kind kun je dan beter tot de volgende dag uitstellen, want als jij vol zit met woede kun je niet luisteren.’
De moeders gaan nu oefenen met ‘het uitspreken van de wens’. Richtlijnen: zorg dat je wens duidelijk is, gebruik de ik-vorm, richt je wens op concreet gedrag, let op hoe je het zegt, richt je tot de puber, kies het goede moment. De vrouw in de groene jurk gaat van start: ze wil het computergebruik terugdringen: ‘Dat geklets met die vrienden in die onnozele taal, het is niet eens Nederlands.’
Ze zegt: ‘Goh, ik zou het leuk vinden als je wat minder zou computeren.’
‘Jee, wat vrijblijvend,’ zegt een cursus-genoot.
En een andere: ‘Ik vind jou heel wollig, hoor. Als ik jouw kind was, zou ik daar niet naar luisteren.’
‘Wat bij deze groepen ouders altijd opvalt,’ zegt Verbruggen, ‘ is dat ze de kennis wel paraat hebben, maar de vaardigheden niet. Ze weten wel dat complimenten goed werken, ze weten wel hoe ze een wens moeten formuleren, en ze denken dat ze het ook doen, maar in de praktijk doen ze het niet. Dat is het verschil tussen een boek en een cursus: hier worden die vaardigheden geoefend. Aan de rollenspelen, de huiswerkopdrachten hebben ze het meest, die geven het inzicht.’
‘Elke afspraak die we maakten, negeerde ze’
Marcel Hesselmans uit Naarden heeft een dochter van 15 en een zoon van 11.
‘Onze dochter puberde bovengemiddeld. Ze accepteerde geen autoriteit van ons, op welk vlak dan ook. Elke afspraak die we maakten, negeerde ze. Ik heb haar wel eens vergeleken met Al Qaida, gezegd: “Je doet niet onder voor een terrorist.”
Ik ging naar die cursus omdat ik me afvroeg: hoe doen andere mensen dat nou? Weten zij meer mogelijkheden dan ik kan bedenken? Ik vond het grappig om te zien dat onze situatie niet uniek was, maar dat iedereen met dezelfde problemen bleek te worstelen.
Wat ik daar geleerd heb, is dat er één norm doorslaggevend moet zijn, en dat is die van de veiligheid van je kind, daar moet je besluit op geënt zijn. Of ze nu om één of om drie uur ’s nachts thuiskomt, wezenlijk maakt dat niet uit, het gaat erom dat ze veilig naar huis komt. Als het niet veilig is wat ze wil, heeft ze pech. Dan zeg ik: “Dit is mijn beslissing, succes ermee.” En daar legt ze zich dan na enig morren toch bij neer.
Je moet geduldig blijven en laten zien dat je toch van haar houdt.’
‘Ik vond het een super softe zin’
Marieke da Costa uit Weesp heeft twee zoons van 13 en 10:
‘Ik heb de cursus samen met mijn man gedaan ter preventie. We weten dat er een nieuwe periode aanbreekt voor onze kinderen, en het leek ons zinnig om ons daar tijdig in te verdiepen.
Ik heb valkuilen leren herkennen. Als mijn zoon ergens mee zit, gaat hij met deuren slaan en met dingen gooien. En dan krijgen we daar ruzie over. Terwijl het een signaal is dat hij zich ergens zorgen over maakt. Nu weet ik: ik moet niet ingaan op dat agressieve gedrag, maar hem de kans geven te vertellen wat hem dwars zit.
Wat ik regelmatig gebruik, is de zin: “Ik vind het prettig als je… (je gymtas op de trap opruimt).” In eerste instantie vond ik het een supersofte zin, maar nadat we richtlijnen kregen over “duidelijk zeggen wat je graag wilt”, heb ik hem meerdere malen uitgeprobeerd. En hij bleek echt te werken! Vooral bij het opruimen van spullen heb ik gemerkt dat mijn zoon positiever reageert. Het is blijkbaar een veel betere invalshoek dan: “Jij laat ook altijd je rotzooi op de trap liggen!”’
------------------------------------
'De huiswerkopdracht van afgelopen week was: luisteren naar je puber. Hoe is dat gegaan?’
‘Het probleem was niet dat mijn kind niets wilde vertellen,’ reageert een gebruinde vrouw met kort blond haar. ‘Het probleem was dat ik geen tijd nam om naar hem te luisteren.’
‘Het kostte mij moeite om te stoppen waar ik mee bezig was, en even te gaan zitten,’ beaamt een andere moeder.
‘Ik wilde dat ík dat probleem had,’ zegt een groepsgenoot, een vrouw met zilver haar, een zilveren trui en zilveren sieraden. ‘Mijn zoon vertelt helemaal niks. Hij komt nooit spontaan met een verhaal. Ik ben degene die alles moet vragen. De antwoorden vallen allemaal in de categorie “goed, niet goed, gaat wel”. Ik zeg tegen hem: “Als je antwoord geeft, probeer er dan tenminste een hele zin van te maken.”’ Gelach.
‘Ik vraag om tenminste één verhaal per dag,’ zegt een vrouw met een wit poloshirt. ‘En dat wil ik horen tijdens het avondeten.’
Vrouw in het zilver: ‘Hij doet ook zo weinig.’
‘Er is toch wel iets wat hij leuk vindt?’ vraagt een vrouw met zwart krullend haar in een groene jurk met kraaltjes.
‘De computer,’ verzucht de zilveren vrouw.
Cursusleidsters Diana van Vessem en Elly Verbruggen vragen de moeder wat precies het probleem is. Haar zoon zelf lijkt nergens last van te hebben.
‘Ik wil niet dat hij eenzaam wordt,’ zegt ze. ‘Ik vind dat hij in sociale contacten moet investeren, ik vind dat hij leuke dingen moet doen. Ik probeer hem steeds een zet te geven, maar ik kan niet te hard duwen.’
Van Vessem: ‘Je kunt hem uitnodigen, maar je kunt hem niet veranderen.’
Het is de vierde bijeenkomst van de Opvoedcursus voor ouders van pubers in Bussum. De cursus, die sinds een paar jaar landelijk door GGD’en wordt aangeboden, is bedoeld voor ouders van kinderen van 12 tot 16 jaar, die algemene vragen hebben over hun tieners. Vanavond zijn er geen vaders bij, alleen moeders tussen 40 en 55 jaar.
Informatie uitwisselen
Als kinderen de puberleeftijd bereiken, wordt er van ouders iets extra’s gevraagd. Kinderen gaan zich afzetten, zijn niet meer zo te sturen. Ouders weten niet meer wat hun kinderen denken, voelen en doen. Ze hebben veel vragen: wat doe je als je kind gaat roken en drinken? Kiezen ze wel de goede vrienden en vriendinnen? Is het normaal als ze je uitschelden voor trut of erger? En hoe kan ik mijn kind corrigeren?
‘Het is prettig om over dit soort vragen informatie uit te wisselen met andere ouders,’ zegt cursusleidster Van Vessem. ‘Maar dat gaat niet meer zo gemakkelijk, omdat ze elkaar nauwelijks nog ontmoeten. Ouders staan niet meer samen op het schoolplein. Als je iets wilt checken bij andere ouders, bijvoorbeeld het tijdstip waarop de kinderen thuis mogen komen, moet je contact opnemen met voor jou vreemde mensen.’
Ook het soort problemen laat zich niet meer zomaar delen. ‘Je vertelt toch makkelijker dat je kind niet goed eet of slecht slaapt, zoals in de peutertijd, dan dat het je uitscheldt en dreigt met weglopen. Er is twijfel onder ouders: heb ik mijn kind wel het goede meegegeven? En ook angst: ojee, straks gaat het helemaal mis.’
Complimenten geven
Dat er vroeger nauwelijks pubercursussen waren en nu wel, komt volgens de andere cursusleidster, Elly Verbruggen, door de toegenomen onzekerheid van ouders.
‘De wereld is onoverzichtelijker geworden,’ zegt ze. ‘Dat komt mede door de moderne techniek; computers, mobiele telefoons; ouders kunnen niet meer inschatten wat de risico’s zijn voor hun kinderen. Ze weten vaak niet wat ze normaal moeten vinden, wat ze abnormaal moeten vinden, en het is prettig om daar met andere ouders over te praten.’
De cursus telt zes avonden. Vaste thema’s zijn veranderingen in de puberteit, positieve aandacht geven, en manieren van opvoeden. Andere avonden gaan over ruzie: er wordt besproken en geoefend hoe je kunt luisteren, praten en overleggen met je puber. De laatste bijeenkomst gaat over grenzen stellen en straffen.
‘Wat wij vaak zien,’ zegt Van Vessem, ‘is dat ouders alleen nog aandacht hebben voor de dingen die niet goed gaan. Dat de kamer niet opgeruimd wordt, de jas niet op de kapstok hangt, de fiets niet op slot staat. Dat wordt gezien als luiheid, maar dat is het niet altijd: pubers hebben gewoon veel aan hun hoofd. Ze krijgen soms heel wat negatief commentaar over zich heen. Daarom gaan we eerst beginnen positiever naar het kind te kijken.’
Vanavond spreken de deelneemsters hun verwondering uit over het effect van complimenten geven. ‘De hele stemming thuis lijkt wel positiever te zijn geworden,’ zegt de vrouw in het witte poloshirt.
Luisteren
Puberen is belangrijk, houden de cursusleidsters de moeders voor. Anders worden vragen als ‘Wie ben ik?’ en ‘Wat mag ik?’ terugkerende thema’s in de volwassenheid. Wat voor ouders de belangrijkste leidraad zou moeten zijn, is: hoe gebruik ik de puberteit van mijn kinderen om hen voor te bereiden op zelfstandigheid? Dat impliceert dat tieners moeten leren begrijpen waarom bepaalde dingen niet kunnen. En willen ouders dat soort contact met hun kinderen, dan moeten ze kunnen luisteren.
Verbruggen geeft het voorbeeld van een moeder die in woede ontsteekt als ze merkt dat de vrienden van haar zoon de koelkast hebben leeggegeten. Als ze eerst met hem gepraat had, had ze begrepen dat haar zoon die jongens eigenlijk niet had willen meenemen, maar de groepsdruk niet kon weerstaan. Dan had ze het dáár met hem over kunnen hebben.
Eigenlijk, zeggen Van Vessem en Verbruggen, moeten ouders zichzelf zien als een coach langs de lijn, die de puber aanmoedigt te experimenteren, maar hem niet over de randen van het veld laat gaan. Het is een lastige oefening in loslaten en begrenzen. ‘Wat ik zo verwarrend vind,’ zegt een van de deelneemsters: ‘het ene moment is het alsof er een volwassene tegenover je staat, het andere moment is het ineens een heel klein mensje.’
Uitspreken van de wens
Oefenen. Van Vessem schetst de cursisten het klassieke scenario van het kind dat later van een feestje terugkeert dan afgesproken. Wat zouden de moeders doen? Op het bord staan zes mogelijke reacties: commanderen, dreigen, preken, beschuldigen, schelden, belachelijk maken en beschamen. ‘Ik heb ze allemaal al eens geprobeerd,’ merkt een blonde moeder van drie tienerdochters op, ‘maar ze helpen inderdaad geen van alle.’
Van Vessem: ‘Wat zou een goede reactie kunnen zijn?’
Vrouw in witte polo: ‘Ik vroeg laatst heel rustig waarom hij te laat was. Vraagt-ie: “Hoezo?” Kijkt hij op zijn horloge, zie ik dat hij hem twee uur heeft teruggedraaid. Toen werd ik alsnog heel boos. Hij is de boel gewoon aan het belazeren.’
‘Je wilt je kind iets leren,’ zegt Verbruggen. ‘Dus moet je jezelf niet centraal stellen, maar de boodschap zo brengen dat hij aankomt.’
‘Waarom mogen volwassenen hun boosheid toch niet uiten?’ vraagt een van de deelneemsters.
Van Vessem: ‘Als je boos bent, moet je er iets over zeggen: “Ik ben nu heel erg boos, want ik was heel ongerust.” Maar het praten met je kind kun je dan beter tot de volgende dag uitstellen, want als jij vol zit met woede kun je niet luisteren.’
De moeders gaan nu oefenen met ‘het uitspreken van de wens’. Richtlijnen: zorg dat je wens duidelijk is, gebruik de ik-vorm, richt je wens op concreet gedrag, let op hoe je het zegt, richt je tot de puber, kies het goede moment. De vrouw in de groene jurk gaat van start: ze wil het computergebruik terugdringen: ‘Dat geklets met die vrienden in die onnozele taal, het is niet eens Nederlands.’
Ze zegt: ‘Goh, ik zou het leuk vinden als je wat minder zou computeren.’
‘Jee, wat vrijblijvend,’ zegt een cursus-genoot.
En een andere: ‘Ik vind jou heel wollig, hoor. Als ik jouw kind was, zou ik daar niet naar luisteren.’
‘Wat bij deze groepen ouders altijd opvalt,’ zegt Verbruggen, ‘ is dat ze de kennis wel paraat hebben, maar de vaardigheden niet. Ze weten wel dat complimenten goed werken, ze weten wel hoe ze een wens moeten formuleren, en ze denken dat ze het ook doen, maar in de praktijk doen ze het niet. Dat is het verschil tussen een boek en een cursus: hier worden die vaardigheden geoefend. Aan de rollenspelen, de huiswerkopdrachten hebben ze het meest, die geven het inzicht.’
‘Elke afspraak die we maakten, negeerde ze’
Marcel Hesselmans uit Naarden heeft een dochter van 15 en een zoon van 11.
‘Onze dochter puberde bovengemiddeld. Ze accepteerde geen autoriteit van ons, op welk vlak dan ook. Elke afspraak die we maakten, negeerde ze. Ik heb haar wel eens vergeleken met Al Qaida, gezegd: “Je doet niet onder voor een terrorist.”
Ik ging naar die cursus omdat ik me afvroeg: hoe doen andere mensen dat nou? Weten zij meer mogelijkheden dan ik kan bedenken? Ik vond het grappig om te zien dat onze situatie niet uniek was, maar dat iedereen met dezelfde problemen bleek te worstelen.
Wat ik daar geleerd heb, is dat er één norm doorslaggevend moet zijn, en dat is die van de veiligheid van je kind, daar moet je besluit op geënt zijn. Of ze nu om één of om drie uur ’s nachts thuiskomt, wezenlijk maakt dat niet uit, het gaat erom dat ze veilig naar huis komt. Als het niet veilig is wat ze wil, heeft ze pech. Dan zeg ik: “Dit is mijn beslissing, succes ermee.” En daar legt ze zich dan na enig morren toch bij neer.
Je moet geduldig blijven en laten zien dat je toch van haar houdt.’
‘Ik vond het een super softe zin’
Marieke da Costa uit Weesp heeft twee zoons van 13 en 10:
‘Ik heb de cursus samen met mijn man gedaan ter preventie. We weten dat er een nieuwe periode aanbreekt voor onze kinderen, en het leek ons zinnig om ons daar tijdig in te verdiepen.
Ik heb valkuilen leren herkennen. Als mijn zoon ergens mee zit, gaat hij met deuren slaan en met dingen gooien. En dan krijgen we daar ruzie over. Terwijl het een signaal is dat hij zich ergens zorgen over maakt. Nu weet ik: ik moet niet ingaan op dat agressieve gedrag, maar hem de kans geven te vertellen wat hem dwars zit.
Wat ik regelmatig gebruik, is de zin: “Ik vind het prettig als je… (je gymtas op de trap opruimt).” In eerste instantie vond ik het een supersofte zin, maar nadat we richtlijnen kregen over “duidelijk zeggen wat je graag wilt”, heb ik hem meerdere malen uitgeprobeerd. En hij bleek echt te werken! Vooral bij het opruimen van spullen heb ik gemerkt dat mijn zoon positiever reageert. Het is blijkbaar een veel betere invalshoek dan: “Jij laat ook altijd je rotzooi op de trap liggen!”’
------------------------------------
Complete artikelen uit het tijdschrift J/M voor Ouders
De 7 posities op de apenrots Leider, helper, meeloper Te jong om al te kiezen 33 tips om de zeven financiële valkuilen te vermijden Pikorde: Wie is het populairst? Popie-jopie of aardig populair? Slim + rebels = 'populair' Verbeter de relatie met je kind. Doe de betontest Opruimen van speelgoed (4 en 6,5 jaar) Druk gedrag Weinig contact met vrienden (13) Problemen met PDD-NOS puber (15) Lastige puber (13,5 jaar) Ongestructureerd en laks (13) In 5 stappen je gezin in balans Tischa Neve: J/M opvoedcoach Minder druk door een dieet Zó krijg je briljante opa's en oma's Als de een je beter ligt dan de ander Alles wat ouders moeten weten over gamenRubrieken
Babyaccessoires
Boeken
Kinderkleding
Meubilair
Speelgoed
Vakantie Nederland
Vakantie buitenland
Vakantie algemeen
Contact
Diversen







