Struikelklassen

Vmbo 3 en havo/vwo 4: dat zijn de klassen die elk jaar weer de meeste zittenblijvers opleveren. Hoe komt dat?

We herinneren het ons allemaal: het moment op de middelbare school dat leren ineens werken werd. Dat de woordjes en sommen je niet meer kwamen aanwaaien, maar je daadwerkelijk je best moest doen. Dat je niet meer wegkwam met vage antwoorden tijdens de geschiedenis­repetitie en dat zelfs een rekenmachine geen soelaas meer bood. Het was in de vierde klas van het vwo, of mavo 3. De klas veranderde in een rampgebied en voor het eerst ging niet meer iedereen vanzelfsprekend over naar het volgende jaar.

De afgelopen jaren mag er in het onderwijs het nodige zijn veranderd, het fenomeen dat leerlingen in één bepaald schooljaar opvallend eensgezind struikelen over Engels, natuurkunde of wiskunde-B doet nog altijd opgeld. In het Jaarboek Onderwijs in Cijfers becijfert het CBS jaarlijks per schooltype in welke klassen kinderen de meeste vertraging oplopen. Uit de meest recente cijfers, over het schooljaar 2006/2007, blijkt dat van alle leerlingen de vmbo'ers eigenlijk nog de minste reden tot zorg bij ouders en leerkrachten geven. Alleen in de derde klas blijven er wel eens een paar zitten, maar met 4 procent mag dat eigenlijk geen naam hebben.

Op het vwo zijn het de vierdeklassers die vaker blijven zitten dan leerlingen in andere klassen. Tien procent struikelt in dat eerste jaar van de bovenbouw. Maar onverslaanbaar als het op zittenblijven aankomt, zijn sinds jaar en dag de havisten. Zij komen, net als de vwo'ers, vooral in het vierde leerjaar in de problemen: maar liefst 16 procent van de jongens en 12 procent van de meisjes redt het niet in een keer naar 5 havo.

Stampen werkt niet meer
Marja Kox is als orthopedagoog verbonden aan de Van der Capellen Scholengemeenschap in Zwolle. In de praktijk ziet zij veel leerlingen in de vierde klas havo en vwo vastlopen. Kox: 'De eerste drie klassen kunnen kinderen met vlijt en inzet nog een heel eind komen. Je zit in een klas, kunt bij wijze van spreken nog afkijken bij je buurman en krijgt iedere dag netjes je huiswerk voor de volgende dag door. Maar dan begint in de vierde klas het studiehuis en worden er ineens heel andere dingen van de leerlingen gevraagd.'

En dat is dus niet voor niets de klas waarin zowel havisten als vwo'ers het zwaar hebben. 'Van het een op het andere moment moeten leerlingen het anders gaan aanpakken,' vertelt Kox. 'Niet meer netjes doen wat de leraar zegt, maar zelf plannen en organiseren. Over vier weken moet dat werkstuk klaar en over twee maanden is er een toetsweek. Veel kinderen vinden dat ontzettend moeilijk. Want in zo'n toetsweek gebeurt natuurlijk alles tegelijk. Van tevoren moet je dingen hebben ingeleverd en je kunt onmogelijk pas na je toets Frans gaan leren voor de toetsen die daarna nog komen. Bovendien zijn de toetsen die je krijgt niet meer te vergelijken met de repetities in de onderbouw. Er wordt inzicht gevraagd, echt begrip van de stof. Met ouderwets stampwerk kom je dus ook al niet meer weg.'

Dat dat voor velen te veel veranderingen ineens zijn, blijkt alleen al uit het grote aantal kinderen dat gebruik maakt van de extra begeleiding die op de Van der ­Capellen Scholengemeenschap geboden wordt. Van de dertienhonderd leerlingen komt een groot aantal bovenbouwleerlingen zeer regelmatig bij de leerlingbegeleider langs voor extra hulp bij het plannen en organiseren van hun huiswerk.

Vmbo: meer zicht op leerling
Op het vmbo komt een aantal kinderen al een jaar eerder in problemen, namelijk in de derde klas. Volgens Jacqueline Kerkhoffs van Stichting Platforms VMBO (SPV) heeft dat ongeveer dezelfde reden als het struikelen in 4 havo en vwo. 'De leerlingen worden klaargestoomd voor het eindexamen een jaar later en dat betekent dat er ineens meer van ze wordt gevraagd. En dat is voor sommigen even schrikken, zeker omdat ze zo'n beetje op hetzelfde moment midden in de puberteit raken en dus eigenlijk wel wat anders aan hun hoofd hebben dan school en huiswerk.'

Dat het uiteindelijk niet eens zoveel leerlingen zijn die daadwerkelijk blijven zitten, heeft volgens haar een simpele reden. 'Als je op het vwo of de havo een jaartje niet zo lekker gaat, is de stap naar een niveau lager redelijk groot. Maar binnen het vmbo heb je vier leerwegen die elkaar qua programma niet veel ontlopen en die vaak ook nog eens in hetzelfde gebouw zitten, waardoor een stapje omlaag makkelijker wordt gemaakt. En dan blijf je dus niet zitten, maar stroom je af, in onderwijsjargon. Bovendien hebben vmbo-docenten vaak eerder dan hun collega's op havo of vwo in de gaten hoe hun leerlingen het doen en kunnen ze dus eerder ingrijpen als zich problemen voordoen. Voor vmbo-docenten ligt het accent namelijk meer op pedagogische begeleiding dan op kennisoverdracht alleen. Ze zien hun leerlingen vaak meer uren in de week, zitten ze dichter op de huid en zien het dus op tijd aankomen als een kind het niet gaat redden. Terwijl op havo en vwo de meeste docenten de leerlingen maar een of twee uurtjes per week zien. Dan is het vrijwel onmogelijk om van al die leerlingen bij te houden hoe het over de hele linie met ze gaat.'

Brugklas en laatste jaar ook lastig
Natuurlijk betekent dat alles niet dat kinderen het op andere momenten in hun schoolcarrière niet ook moeilijk kunnen hebben. Sterker, volgens pedagoog en oprichter John Logister van pedagogisch en psychologisch centrum Het Antwoord zijn voor de meeste kinderen twee schooljaren lastig, ongeacht het schooltype dat ze bezoeken: de brugklas en het jaar voor het eindexamen. Logister: 'In de brugklas is alles zó compleet anders dan het in groep 8 was, dat alleen al daardoor de meeste kinderen onzeker worden. Ze hebben niet meer één leerkracht, maar verschillende leraren. Ze moeten steeds verkassen naar een ander lokaal, alle vakken zijn nieuw, de school is groot, de kantine is groot, de andere kinderen zijn groot en de school is bovendien vaak verder van huis dan de basisschool was.'

Bij Het Antwoord zijn het dan ook vooral brugklassers die aankloppen voor hulp. Want hoe doe je dat nou, een repetitie voorbereiden? Woordjes uit je hoofd leren? Of al dat huiswerk een beetje handig inplannen? Dat dat een kwestie is van goed organiseren en effectief studeren, leren ze van een team van orthopedagogen die bij Het Antwoord jaarlijks vele kinderen de strategieën aanreiken die ze de daaropvolgende jaren hard nodig zullen hebben.

Voor de andere regelmatige bezoekers van het pedagogisch centrum ligt dat anders. Dat zijn in meerderheid kinderen die in het jaar voor hun eindexamen zitten en inderdaad: vooral havisten. Zij hebben juist behoefte aan gerichte bijles van een vakdocent. Logister: 'Als kinderen eenmaal een profiel hebben gekozen, is er vaak nog maar één vak dat ze echt voor problemen stelt. Maar omdat het eindexamen eraan komt, kunnen ze dat bewuste vak niet negeren.' Welk vak dat in de meeste gevallen is? Ook dat is niet anders dan twintig jaar geleden: wiskunde. Logister: 'Veel kinderen hebben op de basisschool steken laten vallen op rekengebied en dat breekt ze op de middelbare school op.'

Jongens blijven vaker zitten

In het schooljaar 2006/2007 bleef één op de twintig leerlingen in het voortgezet onderwijs zitten. Jongens doubleerden in bijna alle onderwijssoorten en leerjaren vaker dan meisjes. Leerlingen van niet-westerse allochtone herkomst liepen gemiddeld vaker vertraging op dan autochtone leerlingen.

Door het brugklassysteem is de vertraging in het eerste en tweede leerjaar niet groot (respectievelijk 2 en 4 procent).

In 4 havo bleef 16 procent van de jongens en 12 procent van de meisjes zitten. In 4 vwo haalde 10 procent van de leerlingen het niet. In het vmbo was de vertraging minder groot dan in havo/vwo. Vooral de leerlingen in de beroepsgerichte leerwegen doubleerden niet vaak.

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarboek Onderwijs in Cijfers 2009

Eerste rapport vertelt veel
Volgens pedagoog John Logister heeft het eerste rapport, meestal rond de herfst- of kerstvakantie, in iedere klas vaak een goede voorspellende waarde voor hoe het de rest van het jaar zal gaan. Als hierop meerdere onvoldoendes staan, kan dat een aanwijzing zijn dat je kind de aansluiting mist met de manier waarop hij of zij dat schooljaar geacht wordt te werken. In dat geval kun je met tips en adviezen proberen je kind efficiënter te laten leren. 'Maar,' stelt Logister, 'als je kind regelmatig voor proefwerken van hetzelfde vak een onvoldoende heeft, kun je beter bijles regelen. De opvoedingsrelatie ouder-kind is meestal niet geschikt voor intensieve bijlessen aan de keukentafel.' Tenminste, als een goede sfeer thuis je lief is.

Hulp in de bovenbouw

Tips van orthopedagoog Marja Kox
1. Hou in het begin de vinger aan de pols. Leg uit dat je dat niet doet omdat je je kind niet vertrouwt, maar omdat je weet dat de bovenbouw nu eenmaal een andere manier van werken vraagt. Vraag je kind of het hem lukt en zoniet, of je kunt helpen.
2. Stel een grens aan je hulp. Je bent ouder, geen huiswerkinstituut. Zo voorkom je dat school de ouder-kindrelatie verstoort.
3. Krijg je signalen (onvoldoende resultaten, te veel stress bij je kind) dat het niet goed gaat op school? Overleg met school welke mogelijkheden er zijn voor extra begeleiding, binnen of buiten de school.



Tekst: Anouk Horsthuis



WPT Footer

Opzij | Vrij Nederland | JM Ouders | Hollands Diep | Yoga Special | Yoga TV | Psychologie Magazine | Happinez | Runner's World | Men's Health | Hoe overleef ik