Leukste Uittips
Aan tafel!
Oproepjes
Te jong om al te kiezen
Hij vertelt ouders over de leuke kanten van de puberteit. En waarschuwt ze dat hun kinderen vaak nog niet toe zijn aan ‘volwassen’ beslissingen over profielen en studiekeuzes. Een interview met puberdeskundige Michiel Westenberg, hoogleraar Ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit van Leiden.
Anne Elzinga: Toen ik u benaderde voor een interview, mailde u mij dat u niet mee wilde werken aan een artikel dat alleen maar zou benadrukken wat pubers níet kunnen. ‘Het is de kunst’, schreef u, ‘om uit te vinden wat ze wel kunnen en hoe je ze kunt motiveren.’ Waarom vindt u dat zo belangrijk?
‘De puberteit heeft een slecht imago. Je hoeft de krant maar open te slaan, of er wordt geklaagd over de jeugd van tegenwoordig: ze drinken te veel, seksen er maar wat op los, denken nooit aan anderen, spreken je per definitie tegen, zijn verwend en liever lui dan moe. Eén bonk hormonen die gevaarlijke dingen doet en voor problemen zorgt. Vergeten wordt dat de puberteit eigenlijk vooral groei in houdt: van kind naar volwassene. En dat is natuurlijk alleen maar goed.’?
Af en toe ís hun gedrag ook wel heel moeilijk te doorgronden.
‘Jawel, maar slechts 15 procent misdraagt zich echt. En dat komt níet - zoals altijd werd gedacht - door de puberteit, maar door factoren als genetische kwetsbaarheid en ongunstige omstandigheden. De overgrote meerderheid komt zonder al te grote kleerscheuren de puberteit door, al nemen ze soms domme risico’s, zijn ze sneller aangebrand, komen ze hun afspraken niet na en voeren ze heftige discussies met hun ouders. Allemaal normaal pubergedrag, dat voor een groot deel kan worden verklaard uit de hormonale veranderingen en de ontwikkeling van hun brein. Dat wat wij altijd onder puberteit verstonden, kan in feite in drie fasen onderverdeeld worden: de lichamelijke ontwikkeling - de eigenlijke puberteit -, de cognitieve én de psychosociale. Lichamelijk zijn ze zo rond hun zestiende volgroeid. Maar het brein rijpt nog door tot hun 21e, misschien zelfs langer, weten we sinds we dat met de MRI-scan in beeld kunnen brengen. Die lange slungel van 16 kan er dus wel heel volwassen uitzien; zijn hersens zijn dat nog niet.
Bovendien is gebleken dat er grote individuele verschillen zijn in het tempo waarin ze zich ontwikkelen: de ene puber is op zijn zestiende al voorzitter van het Landelijk Actiecomité Scholieren, terwijl een ander net zijn dinosaurusverzameling heeft opgeruimd.
Grof gezegd ontwikkelen de hersens zich van onder naar boven en van achteren naar voren. De voorste delen - de prefrontale cortex - zijn dus het laatst aan de beurt. En dat is het deel dat verantwoordelijk is voor het kunnen plannen en controleren van het eigen gedrag. Ze kúnnen best heel verstandig zijn, maar zodra er gevoelens om de hoek komen kijken, wint het actievere, emotionele deel van het brein het doorgaans van het relatief onrijpe, rationele deel. En dan kiezen ze vaak voor een strategie die op korte termijn winst oplevert in plaats van op de lange termijn. Dan gaan ze voor de spanning en sensatie.’
Binnen het huidige schoolsysteem verwachten we wel van hen dat ze op jonge leeftijd allerlei belangrijke beslissingen over hun toekomst nemen: de keuze van een school, een profiel en een vervolgstudie. ‘Velen zijn nog helemaal niet toe aan dat soort complexe keuzes. Kiezen voor iets in het hier en nu - die spijkerbroek of die trui - kunnen ze best. Maar een weloverwogen beslissing nemen die pas over een paar jaar consequenties heeft of waar emoties mee gemoeid zijn, is veel lastiger voor ze. Vooral psychosociaal zijn ze namelijk nog niet “af”.
Op weg naar volwassenheid leren jongeren eerst voor zichzelf opkomen; dat is de eerste, zelfbeschermende fase. Zo rond hun dertiende of veertiende bereiken ze de conformistische mijlpaal: ze leren dan omgaan met gelijkgestemden. Wat die vinden is bijna net zo belangrijk als wat ze zelf vinden. Met 17, 18 worden ze steeds zelfbewuster: ze zijn minder op anderen gericht en hebben meer oog voor hun eigen gevoelens, wensen en eigenschappen. Tussen de 18 en 24 jaar ten slotte ontwikkelt zich een gevoel van verantwoordelijkheid voor het eigen doen en laten. Het gaat dan niet meer om wie ze zijn, maar om wie ze wíllen zijn; om zelfontplooiing en zelfverbetering. Dit is de fase waarin ze kunnen reflecteren op hun eigen persoonlijkheid en meningen. Waarin ze antwoorden vinden op vragen als “wie ben ik?” en “wat wil ik?” Daarvoor is trouwens niet alleen een zekere hersenrijping nodig; ervaring speelt een minstens zo belangrijke rol. Zonder input van buitenaf zou het brein verschrompelen.’
Moeten ze dan maar later een profiel kiezen?
‘Zeker niet. Keuzes maken hoort bij het leven, bij volwassen worden. Net als lopen, moeten ze dat met vallen en opstaan leren.
En daar zit het probleem: die ruimte krijgen ze niet. Van profiel wisselen is vaak moeilijk. Dan ben je een spijtoptant, dan heb je het fout gedaan. Van die gedachte moeten we af.
Waarom zouden jongeren niet op hun keuze mogen terugkomen en overstappen op een ander profiel, door bijvoorbeeld in de zomer bij te plussen of een jaar lang een extra vak te volgen?’
Zou een jaartje langer school soelaas bieden tegen de enorme uitval als gevolg van verkeerde studie- of beroepskeuzes?
‘Nee, uitstellen helpt ze niet om groter te worden. Ik pleit voor een flexibel eerste jaar, waarin studenten zelf een studiepakket samenstellen en kunnen ruiken aan verschillende opleidingen. En ze moeten makkelijker kunnen switchen. Met het huidige studiefinancieringssysteem kan dat bijna niet. Maar waarom zou de studiekeuze in één keer goed moeten zijn? We verwachten toch ook niet van hen dat hun eerste partner meteen de ware is? Laat ze experimenteren voordat ze definitief kiezen.’
U pleit ervoor dat de nieuwe inzichten over de ontwikkeling van adolescenten benut worden in het onderwijs. Wat moet er nog meer veranderen?
‘Vanuit de wetenschap is er veel kritiek op het Studiehuis, waarin de nadruk ligt op de zelfstandigheid van de leerlingen. Dat doet een beroep op vaardigheden waarin ze nou net nog niet zo bedreven zijn. Bovendien vraagt het ook om metacognitie: dat je kunt nadenken over je eigen leergedrag. Sommige kinderen kunnen dat al heel jong; anderen hebben daar als ze 22 zijn nog moeite mee. Toch is afschaffen van het Studiehuis geen optie. Ook zelfstandig werken moeten ze leren. Maar daarin moeten docenten ze wél begeleiden. Een paar uurtjes studieles in de brugklas zijn niet voldoende. Om je de vereiste studievaardigheden eigen te maken is voortdurende herhaling nodig.’
Ten slotte: hoe kunnen ouders hun kinderen begeleiden bij die taken die ze nog niet zo goed aankunnen?
‘Allereerst: geniet van hun grappige, creatieve invallen. Het aardige van een onaf brein is dat het denken niet langs gebaande paden gaat, maar via onverwachte kronkelweggetjes.
Ga in op hun ontembare behoefte met je in discussie te gaan. Dat is hun manier om hun pas verworven logisch denkvermogen te trainen. Besef wel dat ze nogal zwart/wit redeneren - ze missen nog wat relativerende levenservaring - en probeer net dat stapje verder te zetten. Ga niet op de stoel van de school zitten. Het is de taak van ouders om voor de randvoorwaarden te zorgen: voldoende slaap, op tijd de deur uit en een positieve houding tegenover leren en school. Aangezien hun emotieregulatie en sociaal inzicht nog niet optimaal zijn, kunnen ze op dat gebied wat meer ouderlijke bescherming gebruiken. Neem niet alles van ze over, maar wijs ze ook bij de keuze van een school, profiel of studie op risico’s en gevolgen, op korte en langere termijn. Dan zijn ouders de voorhoofdskwab van hun puber!’
Schoolverlaters kiezen vaker verkeerde studie
Ruim 35 procent van de vwo-leerlingen heeft binnen een jaar spijt van de gekozen universitaire opleiding. Van de eerstejaars aan de universiteiten wijkt ruim 25 procent na een jaar uit naar een andere vervolgstudie. Meer dan 10 procent stopt er helemaal mee. Ook bij hogescholen groeit de uitval van studenten. In 2003-2004 haakte 14,9 procent van de hbo'ers in het eerste jaar af, in 2006-2007 was dat gestegen tot 17,3 procent (Bron: studiekeuze123.nl).
In het mbo stopt jaarlijks gemiddeld 37 procent van de leerlingen met hun opleiding. Eenderde van deze uitvallers kiest vervolgens voor een andere opleiding, veelal aan dezelfde onderwijsinstelling. Volgens het rapport Voortijdig schoolverlaten in het middelbaar beroepsonderwijs van de Onderwijsinspectie is de uitval in het eerste jaar van de opleiding het hoogst.
Tekst: Anne Elzinga
Artikelen
Omgeving heeft invloed op ADHD Losgeslagen na vakantie (17 jaar) Manipuleren afleren (8 jaar) Gedrag dochter (4 jaar) Kinderen slikken meer pillen Hartige taart met prei en banaan Opname moeder Nieuwe relatie met kinderen Voorlichting homoseksuele zoon (14 jaar) Tips en trucs voor het avondeten Opvoedstress: óók bij lageropgeleiden Opvoeden in 2010: een stressklus Wagenziek (6 jaar) Ziekte van Pfeiffer (15 jaar) Straffen ongewenst gedrag (7 jaar) Van slag (9 jaar) Passieloze puber (15 jaar) Witte pukkeltjes (9 jaar) Niet luisteren (4 en 6 jaar) 'De schuld van het gras' door Pieter VerbeekRubrieken
Babyaccessoires
Boeken
Kinderkleding
Meubilair
Speelgoed
Vakantie Nederland
Vakantie buitenland
Vakantie algemeen
Contact
Diversen






