Complimenten: wat moet je kind ermee?

We geven onze kinderen vaak complimenten. ‘Wat kun je dat toch goed!’ Positieve stimulans? Nou, niet helemaal… Voor je het weet loopt zo'n goedbedoeld schouderklopje uit op arrogantie, want 'prijs de inspanning, niet het resultaat' menen deskundigen. 

‘Ik wil dat hij lekker in zijn vel zit. Gelukkig wordt.’ Gevraagd naar het doel van hun opvoeding, antwoordt het gros van de ouders dat ze hun kind bovenal een hoge zelfwaardering toewensen. De achterliggende gedachte is: dan komt de rest vanzelf wel. Hoe ouders dat ‘lekkere vel’ bij hun zonen en dochters denken te bereiken? Door een positieve benadering en veel bevestiging. En dus door veel en vaak complimentjes uit te delen. Jij kan mooi tekenen! Zo’n goed rapport, laat maar gauw aan opa/tante/de buren zien. Wat ben jij slim dat je die puzzel hebt gemaakt; andere vijfjarigen kunnen dat vast nog niet. Wat schrijf je toch netjes, knap hoor! En natuurlijk zijn alle muren in huis volgeplamuurd met foto’s van die unieke schattebouten. Op school weet men trouwens ook wel raad met complimenten. Je A-diploma gehaald? Hup, de klassen rond, krijg je van iedere leerkracht een stickertje.

Niet overdrijven

Kinderen prijzen: op zich goed bedoeld en weinig mis mee. Maar overdrijf het niet. Te vaak horen hoe geweldig slim, knap en bijzonder je bent, kan namelijk heel verkeerd uitpakken. Carol Dweck, een gerenommeerde Amerikaanse onderzoekster, toonde dit keer op keer overtuigend aan. Aan haar bevindingen wijdde New York Magazine onlangs een groot achtergrondartikel: ‘How Not to Talk to Your Kids – The Inverse Power of Praise’. We maken daarin onder meer kennis met Thomas, een jongen met een duizelingwekkend hoog IQ. Hij zit op een elitaire school waar alleen super­intelligente kinderen worden toegelaten. Thomas wéét dat hij slim is. Hij is er van jongs af aan om geprezen. Zijn ouders, onderwijzers en andere volwassenen bevestigen voortdurend in alle toonaarden hoe knap en begaafd hij is.

Maar er is iets geks aan de hand: naarmate Thomas ouder wordt, neemt zijn zelfvertrouwen af. Inmiddels wil hij alleen nog dingen doen waarvan hij zeker weet dat hij ze erg goed kan. Lukt iets niet direct, dan geeft hij het zuchtend op: “Hier ben ik niet goed in.” Thomas is bijvoorbeeld wel goed, maar geen uitblinker in spelling. En nu weigert hij nog langer hardop te spellen. Hij schrok bij de eerste aanblik van breuken en weigert sindsdien om ze te oefenen. Zijn vader zei: “Soms moet je ergens moeite voor doen, ook al ben je slim”, maar Thomas is niet te vermurwen. Het is net alsof hij de wereld in tweeën deelt: dat wat hij goed kan en dat wat hij niet goed kan. Valt iets in de laatste categorie, dan begint hij er domweg niet aan.

Onderpresteren

Volgens psychologe Dweck lopen er heel wat Thomasjes rond: begaafde, maar zwaar onderpresterende leerlingen. Kinderen die zichzelf minder eisen stellen dan je zou verwachten op grond van hun talenten, en die stuk voor stuk het belang van ‘ergens moeite voor doen’ onderschatten. Kinderen die niet durven, tenzij ze honderd procent zeker weten dat het lukt.

De vraag is: hoe komt het dat zelfs zeer slimme kinderen denken eenvoudige schooltaken niet aan te kunnen? Het antwoord luidt: doordat hun te vaak is verteld hoe slim ze zijn en te weinig hoeveel effect inspanning kan hebben.

Complimenten ten aanzien van het intellect, zegt Dweck, zijn bedoeld als ‘engeltje op de schouder’, maar blijken vaak een duveltje in een doos. Volgens haar zou bij prijzen de nadruk op inspanning moeten liggen. Want, zegt ze: “Inspanning kun je zelf bepalen, aangeboren intelligentie niet. Als kinderen dit principe doorgronden, leren ze zichzelf zien als in control of their succes.” Overmatig prijzen kan van een kind een praise-junkie maken, ofwel iemand die te veel afhankelijk is van complimentjes van buitenaf. Zo’n kind zal weinig doorzettingsermogen ontwikkelen, waarschuwt Dweck. “Zodra de beloning stopt, staakt het zijn inspanning.”

Weinig cultuurverschillen

Typisch Amerikaanse toestanden? Nederlanders zijn toch véél te nuchter – calvinistisch zo je wilt – om rond te bazuinen hoe ‘knap’, ‘slim’ of ‘bijzonder’ hun kinderen zijn? Dat is nog maar de vraag. Volgens de Nederlandse ontwikkelingspsycholoog dr. Sander Thomaes is het verschil tussen de Amerikaanse cultuur en de onze helemaal niet zo groot.

“Ook Nederlanders zijn steeds meer gefocust geraakt op het ik, het individu”. zegt hij. “Ook wij vinden een hoge zelfwaardering heel belangrijk. Tegenwoordig moet iedereen bijzonder zijn en vooral géén grijze muis. Terwijl er natuurlijk wel degelijk grijze muizen bestaan – en dat is oké! De best verkochte buggy van het afgelopen jaar had als opschrift: 'I am very special'. Kort geleden opende kinderdesignwinkel Ik haar deuren. Ze adverteren met de slogan: ‘Lifestyle voor dreumesen’. Hoe onschuldig ook, het is wel exemplarisch voor een cultuur waarin een positief zelfbeeld en 'speciaal zijn' centraal staan.”

Waarschijnlijk uiten Amerikanen hun opgetogenheid wel openlijker dan Nederlanders. Ze deinzen er niet voor terug hun kroost in bijzijn van anderen de hemel in te prijzen. Nederlanders zijn minder verbaal, maar besteden net zo goed veel aandacht aan alle fantastische prestaties. Ook dat is een vorm van prijzen. Kinderen die een act opvoeren voor de visite, doen dat om tijd en aandacht te krijgen, maar veel volwassenen (vooral de eigen ouders!) zullen klappen alsof het hier Ware Kunst betreft. Er was een tijd dat niemand een cadeau kreeg voor zijn zwemdiploma: het diploma zelf was de beloning. Natuurlijk is ‘je A halen’ voor elk kind een prachtige belevenis, maar bijzonder is het niet: vrijwel ieder kind haalt op een dag zijn zwemdiploma.

Opgeblazen zelfbeeld

Thomaes promoveerde begin dit jaar op een onderzoek dat in het verlengde ligt van het werk van de Amerikaanse Dweck. De psycholoog maakte korte metten met de gedachte dat kinderen met een lage zelfwaardering uit frustratie daarover agressief worden. Het tegendeel blijkt namelijk waar: agressieve kinderen hebben juist vaak een opgeblazen zelfbeeld. Hoe ze aan dat overdreven positieve zelfbeeld komen? Doordat ze te veel op een voetstuk worden geplaatst. Nog een argument dus om de overvloed aan complimenten in te dammen.

Pleit Thomaes daarmee voor bescheidenheid als hoogste waarde in de opvoeding? Hij aarzelt: “Dat woord associeer ik met de jaren vijftig. Het gaat erom dat ouders hun kinderen een realistisch zelfbeeld bijbrengen. Hoe? Ten eerste door hen onvoorwaardelijk te steunen als persoon, te laten voelen dat ze van hen houden, zonder link naar hun prestaties. Ten tweede: ouders mogen ook best duidelijk maken dat sommige dingen het kind minder goed afgaan. Het is goed als een kind beseft dat het niet overal in kan uitblinken.”

Dat in de VS kinderen openlijk worden geprezen voor hun prestaties, is volgens Dweck en Thomaes een gevolg van een beweging die in de jaren zeventig ontstond en die een hoge zelfwaardering als remedie zag voor al het kwaad in de wereld. De redenatie is als volgt: prijzen leidt tot een hoge zelfwaardering en dat leidt tot goede prestaties. Thomaes verwerpt het hele idee: “Mensen gaan beslist niet beter presteren doordat ze een hoge dunk van zichzelf hebben. Een hoge zelfwaardering is geen oorzaak, maar een gevolg van goed functioneren. Onderzoek heeft dat keer op keer aangetoond.”

Falen mag

De ouders van Thomas, de jongen uit het Amerikaanse artikel, hanteren – net als veel andere ouders – een zogeheten ‘prestatiegeoriënteerde opvoedingsstijl’. De neiging om complimenten te geven over het resultaat hangt nauw samen met deze stijl. Volgens Dweck en Thomaes is een leergeoriënteerde opvoedingsstijl veel effectiever. “Het gaat erom dat kinderen een houding aannemen van: er valt iets te leren in het leven”, legt Thomaes uit. “Je prijst ze dan om het feit dat ze iets geprobeerd hebben, hun best doen, ongeacht het resultaat. Zo leren kinderen nieuwe ervaringen leuk te vinden. Falen mag; als je het maar probeert. Voor kinderen die opgroeien met een prestatieoriëntatie vormt elke nieuwe situatie juist een bedreiging. Je moet je immers steeds opnieuw bewijzen. Continu dreigt het gevaar dat je kunt falen.”

Intussen geven schoolrapporten nog altijd prestaties weer met, als het meezit, hooguit één item over werkhouding. “Het zou een goed idee zijn om voortaan voor elk vak twee cijfers te geven: één voor de prestatie en één voor de inspanning”, vindt Thomaes. Maar dicteert onze prestatiegerichte maatschappij niet simpelweg een prestatiegerichte stijl? Gebeurt het niet op school, dan word je later, als volwassen werknemer, alsnog uitsluitend afgerekend op het eindresultaat. En niet op je inspanningen. Thomaes lacht en zegt: “Juist omdat we zo prestatiegericht zijn, is de leeroriëntatie belangrijk. Onderzoek heeft namelijk keer op keer aangetoond dat leergeoriënteerde kinderen daadwerkelijk beter presteren.”

De puzzeltest

Dweck heeft met diverse onderzoeken de uitwerking van de leer- en prestatieoriëntatie aangetoond. Zo kregen leerlingen tijdens een eenvoudig experiment een puzzel voorgelegd die iedereen moeiteloos kon oplossen. Vervolgens werd de klas in twee groepen ingedeeld. Kinderen uit de eerste groep kregen te horen: ‘Wat ben je slim!’. Typisch geval van prestatieoriëntatie. Groep twee kreeg een leeroriëntatie-compliment: ‘Wat heb je goed je best gedaan!' Daarna mochten alle kinderen kiezen of ze een moeilijker puzzel wilden maken, of een puzzel die net zo makkelijk was als de eerste. Van de kinderen die geprezen werden om hun inspanning koos 90 procent voor de moeilijker puzzel; de ‘slimme’ kinderen kozen voor de simpele versie. Dwecks verklaring: “Door kinderen te prijzen om hun intelligentie, zeg je eigenlijk: “Zorg dat je intelligent overkomt en riskeer niet dat je ontmaskerd wordt'.”

De test ging nog verder. In de volgende ronde kreeg iedereen een veel te moeilijke puzzel voorgeschoteld. Opnieuw reageerden de kinderen zeer verschillend. Die uit groep twee (‘Wat heb je goed je best gedaan’) deden enorm hun best en probeerden tal van strategieën uit. Aan de gezichten van leerlingen uit de ‘Wat ben je slim’-groep was daarentegen af te lezen hoe rot ze zich voelden dat de puzzel te moeilijk was. Alsof hun falen een bewijs was dat ze dus niet slim waren. Wat in feite de impliciete boodschap is die het kind meekrijgt in een prestatie­georiënteerde opvoedingsstijl.

“Als een kind iets fout doet, maken ouders doorgaans duidelijk dat ze het gedrag afkeuren, niet het kind als persoon. Bij positieve dingen zijn ze veel minder genuanceerd”, zegt Thomaes. “Dan zeggen ze gewoon: 'Wat ben je goed'.”

Verslaafde ouders

Inspanning prijzen in plaats van het resultaat of de natuurlijke aanleg: het klinkt vrij eenvoudig. Maar wie een serieuze poging doet, zal merken dat het niet meevalt consequent te zijn. De journalist die het artikel voor New York Magazine schreef, vertelt hoe hij het probeerde. “Want ik wil niet dat mijn zoon een praise-junkie wordt.” Stap voor stap reduceerde hij het aantal complimenten aan het adres van zijn kind. Steeds meer prees hij diens inspanningen in plaats van zijn prestaties. Hij legde hem uit hoe hersenen werken: net als spieren bij een work-out groeien ze als je iets moeilijks moet leren.

Vertoont zijn zoon afkickverschijnselen? Welnee. De verrassende uitkomst is dat papa zelf de praise-junkie blijkt. Hij verklaart dat als volgt: “Je kind prijzen is een wondermiddel geworden voor de angsten van het moderne ouderschap. In de paar uurtjes per dag die we met onze kinderen samen zijn, willen we dingen overbrengen waarvoor we overdag de kans niet kregen: 'We staan aan jouw kant', 'We geloven in je', 'We zijn er voor jou'. We gebruiken complimenten om de competitieve samenleving voor onze kinderen te verzachten.”

Mini-cursus complimentjes

Goede complimenten:

  • prijzen de inspanning, niet het intellect of het resultaat. ‘Knap dat je het blíjft proberen!'
  • zijn gericht op bepaald gedrag
  • zijn eerlijk en ‘op maat’
  • maken geen onderlinge vergelijking tussen kinderen

 

Bron: ‘How not to talk to your kids – The inverse power of praise’, New York Magazine

Reageer op artikel:
Complimenten: wat moet je kind ermee?
Sluiten