Sociaal? Vaardig!

redactie 19 jun 2018 Gedrag

Sociaal vaardige kinderen zitten beter in hun vel en presteren op veel gebieden beter, stelt ontwikkelingspsycholoog Steven Pont. Ouders moeten hun kinderen deze vaardigheden dan ook vooral bijbrengen en stimuleren. Dat is niet alleen leuk, maar ook kinderlijk ­eenvoudig. Hoe je dat doet, vertelt hij in zijn boek Sociaal? Vaardig!

Sociaal vaardig zijn. Betekent dat: goed met ­anderen overweg kunnen?

‘Sociale vaardigheden, dat zijn álle gedragingen die kinderen laten zien in sociale situaties. En die zijn weer het gevolg van verschillende bekwaamheden. Hoe zelfbewust is een kind bijvoorbeeld. Of hoe optimistisch. De DESSA, een instrument dat de sociaal-emotionele vaardigheden van basisschoolkinderen in kaart brengt, onderscheidt er acht: persoonlijke verantwoordelijkheid, optimistisch denken, doelgericht gedrag, sociaal bewustzijn, besluitvorming, relationele vaardigheden, zelfbewustzijn en zelfmanagement. Die acht heb ik als basis voor mijn boek gebruikt.’

Waarom is het zo belangrijk dat kinderen zich op al die gebieden ontwikkelen?

‘Omdat de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen aan hun cognitieve ontwikkeling voorafgaat. Aan alles eigenlijk. Want pas als kinderen lekker in hun vel zitten en zich veilig voelen, is er ruimte om nieuwe dingen te leren. Niet voor niets gaat de kinderopvang aan school vooraf. Kinderen hebben daar alle gelegenheid om hun sociaal-emotionele vaardigheden te ontwikkelen, waarop ze op school kunnen voortborduren. Overigens lijkt het onderscheid tussen kinderopvang en school steeds meer te vervloeien. Binnen de kinderopvang wordt kennis­verwerving steeds belangrijker en ­scholen zetten steeds vaker in op het sociaal-emotionele aspect.‘

Is dat een goede ontwikkeling?

‘Er zitten twee kanten aan. Nee, ik vind niet dat de cognitieve ontwikkeling de belangrijkste plek moet hebben binnen de kinderopvang. En ja, dat scholen meer oog krijgen voor het belang van een gezonde sociaal-emotionele ontwikkeling van hun leerlingen, juich ik toe. Want het is het fundament waarop de rest kan groeien en daar moet aandacht voor zijn. Toch kan het nog beter, wat mij betreft. School is er natuurlijk in de eerste plaats voor kennisoverdracht. Maar een school begint niets als het sociaal-emotionele welbevinden van de leerlingen niet in orde is. Het werkt hier namelijk net als in een voetbalelftal. Een trainer kan nog zo de nadruk leggen op tactiek en techniek, die informatie beklijft pas wanneer alle voetballers zich veilig voelen in de groep. Het gaat bij voetbal – en op school – namelijk om dingen voor elkaar over hebben, een plek mogen hebben, fouten mogen maken.’

De sociaal-emotionele ontwikkeling is dus voorwaarde voor de ontwikkeling op alle andere terreinen. Is het daarmee een voorwaarde voor geluk?

‘Er is veel onderzoek gedaan naar geluk. Daaruit blijkt dat knappe mensen niet gelukkiger zijn dan niet-knappe mensen, omdat knappe mensen zich altijd zorgen maken of ze wel mooi blijven. En rijke mensen zijn niet gelukkiger dan arme mensen, om dezelfde reden. Het is dus niet zo dat jij, als ik jou 25 miljoen geef, veel gelukkiger zult worden dan je nu bent. Stel dat je jouw ­levensgeluk met een zeven waardeert, dan zul je het een poosje een acht geven, maar daarna kom je weer uit op die zeven. Andersom zie je hetzelfde gebeuren. Mensen die in een rolstoel terechtkomen geven hun leven bijvoorbeeld een twee, maar binnen vijf jaar zitten ze vaak weer op hun oude niveau. Dat is je basis.’

Is dat een aangeboren niveau of kun je het ­trainen?

‘Sociaal bewustzijn vraagt sociale intelligentie. En nee, die is niet evenredig over alle kinderen verdeeld. Je kunt er meer of minder talent voor hebben, maar het is wel degelijk ook een ­samenspel met de omgeving. Wat zijn je mogelijkheden en welke ervaringen doe je op?’

Nature én nurture dus. En die nurture, daar zijn ouders grotendeels verantwoordelijk voor. Dat is nogal een opdracht: dat je deels verantwoordelijk bent voor het levensgeluk van je kind.

‘Ja, hoewel je zou kunnen zeggen dat de meeste ouders daar glansrijk in slagen. We hebben sinds jaar en dag de gelukkigste jeugd van de wereld. Tegelijkertijd hebben we ook de meeste mensen van tussen de 20 en 30 jaar in therapie. Misschien omdat die gelukkige jeugd kinderen niet echt voorbereidt op de hardheid van het bestaan. In ons streven naar geluk proberen we veel negatieve ervaringen weg te nemen, terwijl die juist een mooie voorbereiding zijn op later. Dat is wat jeugd in de kern is. Voor ouders gaat het er uiteindelijk ook niet om dat ze het maximale uit hun kind halen, maar het optimale. Wat is mogelijk? Dát is je speelruimte. En daarbinnen gaat het dan weer vooral om voorleven, wat je over het algemeen zonder nadenken doet. Als jij moeilijk doet over regen, zullen je kinderen je dat nadoen. Of neem ouders die schreeuwen dat hun kind niet zo moet schreeuwen. Je ziet het ook als kinderen vallen; dan kijken ze eerst even naar hun vader of moeder en afhankelijk van die reactie gaan ze huilen of niet.’

Die ouders hebben dat misschien weer voorgeleefd gekregen door hún ouders…

‘Ja, in de gezinstherapie noemen we dat de doorgegeven rekening. Als je hebt betaald in je jeugd – je kreeg bijvoorbeeld te weinig aandacht – eis je die betaling vervolgens van de generatie ná jou terug. Want je wilt niet twee keer de ­betalende partij zijn. En dan krijg je dat beroemde zinnetje: “Ik ben er ook niet slechter van geworden”. In die hoek kun je trouwens de ware pedagogische helden vinden. Mensen die in hun eigen sociaal-emotionele ontwikkeling iets tekort gekomen zijn, maar die het toch lukt om dat wel aan hun eigen kinderen te geven. Zij moeten immers uit een bijna droge bron putten.’

In je boek richt je je op ouders van kinderen tussen de 4 en 12 jaar. Betekent dat dat daarna alle kansen op een gezonde sociaal-emotionele huishouding verkeken zijn?

‘Ik ken een jongen wiens oma hem op z’n 22e vroeg wie hij eigenlijk was. Die vraag was een wake-up call voor hem. Hij realiseerde zich dat hij eigenlijk geen idee had. En dat hij dat wilde ontdekken. De sociaal-emotionele ontwikkeling gaat in die zin een leven lang door. Je kunt jezelf steeds een beetje bijsturen. Maar die leeftijdsgroep heb ik inderdaad niet zomaar gekozen: het is de periode bij uitstek waarin kinderen zich spelenderwijs ontwikkelen en zich het bijbehorende gedrag eigen maken.’

Hoe doet de gemiddelde ouder het, qua voorleven?

‘Goed.’

Maar veel ouders maken zich wel zorgen of ze het goed doen.

‘Onnodig, want met 85 procent van de kinderen gaat het prima. Met 15 procent gaat het dus wat minder, waarvan slechts 5 procent echt problemen heeft. Wel nemen de eisen die we aan kinderen stellen toe. Tot de jaren zestig was het de opdracht om ze tot fatsoenlijke kinderen op te voeden. Daarna besloten we dat het de taak van ouders was om gelukkige kinderen te maken. Daarmee is onze pedagogische opdracht nogal verzwaard. Ineens kwam het kind zelf centraal te staan. En ontstond een heel diagnostisch apparaat voor kinderen die tot onze schrik níet vanzelfsprekend het geluk op hun pad vinden. Vroeger werd een druk jongetje de grote vaart opgeschopt. Wie weet wat er dan nog van ’m terechtkwam. Maar daar doen we het niet meer voor. Het goede nieuws is dat we met meer aandacht naar de eigenheid van kinderen kijken. De andere kant is dat we kinderen die anders via de grote vaart hun weg hadden gevonden, nu binnen het systeem moeten zien te houden. De range van wat normaal is, wordt steeds smaller. Terwijl verlegenheid heus niet meteen sociale angst betekent en druk zijn niet meteen adhd.’

Waarom worden die marges steeds smaller?

‘Omdat extra aandacht op school geld kost en dat geld komt pas na een diagnose. En daarbij: een diagnose ontschuldigt ouders. Sommige ­ouders zeggen liever dat er wat mis is met de hersenen van hun kind, dan dat hij gewoon druk is en dat ze geen idee hebben wat ze ermee aan moeten. Die versmalling van wat normaal is, is uiteindelijk een slechte zaak, omdat het kinderen nodeloos op een zijspoor zet. Ik had vroeger een meisje in de klas dat extreem verlegen was, maar nu arts is. In deze tijd zou er misschien wel een programmaatje op haar zijn gezet. Volstrekt ongepast dus, het was gewoon haar toerental. En laatst zag ik op een tentoonstelling een foto uit de jaren dertig, waarop een paar jochies midden op straat een fikkie stoken en waaraan iedereen voorbijloopt. Als jongens dat nu doen, staat er direct iemand van Halt bij hun ouders op de stoep. De tolerantie is afgenomen.’

Wanneer is er wél echt sprake van een probleem?

‘Als ouders een niet-pluis-gevoel hebben. En als ze daarop niet vertrouwen, is er een simpele vuistregel: als een achterblijvende sociaal-emotionele ontwikkeling een kind overal in de weg zit, is er sprake van een probleem. Het kan zijn dat een kind op school opvallend stil is, maar bij opa en oma niet. In dat geval is er kennelijk iets aan de hand in de relatie tussen kind en school. Maar zodra het alle levensgebieden raakt, moet je gaan opschalen. Je kunt de ontwikkeling van kinderen op twee manieren bekijken: hoe ontwikkelt hij zich in relatie tot andere kinderen en hoe ontwikkelt hij zich ten opzichte van zichzelf. Wat kan hij nu wat hij twee maanden geleden niet kon? Dat gaat met pieken en dalen, maar er moet een lijn in zitten. Stilstand is achteruitgang. Het vervelende is natuurlijk dat die ontwikkeling een zichzelf versterkend effect heeft. Sociaal niet zo heel vaardige kinderen hebben niet veel sociale interactie, waardoor ze minder kunnen oefenen, waardoor ze minder positieve ervaringen opdoen, waardoor ze nog minder sociale interactie opzoeken. Terwijl sociaal vaardige kinderen juist worden gevoed in hun gedrag. Daarom is het belangrijk dat kinderen al op jonge leeftijd sociaal actief zijn, zodat ze steeds meer positieve ervaringen opdoen.’

Dus als je kind het liefst stilletjes in een hoekje een boekje leest…

‘…moet je je afvragen: zit hij daar omdat hij wil lezen of om iets te vermijden? In het tweede ­geval is er een probleem.’

Hoe kom je daarachter?

‘Observeren. Proberen te snappen wat er aan de hand is. Vertrouwen op je niet-pluis-gevoel. Natuurlijk, er zijn kinderen die genoeg hebben aan één beste vriend. Als ouder moet je ontdekken of je kind zo gebakken is of zo geworden is. Het gaat altijd om het totale beeld. Is hij alleen zo op school, of ook op straat en op voetbal? Het ­gedrag dat je kind laat zien, biedt je een inkijkje in zijn psyche. Als dat gedrag opvalt, laat je kind daarmee dus iets zien van wat er vanbinnen speelt. En dat kan een aanleiding zijn om wat ­aandacht te besteden aan zijn sociale bewustwording.’

Hoe?

‘In mijn boek beschrijf ik per vaardigheid speelse manieren waarop je betekenis kunt geven aan dingen die je toch al meemaakt met elkaar. Wat ik vooral wil laten zien, is: het is leuk om daarmee bezig te zijn. En: ideaal gezien gaat alles vanzelf. De mens is immers een sociaal wezen. Nog voordat een kind beseft dat het ­bestaat, zoekt het al contact met z’n omgeving. Voordat het zichzelf kent, kent het anderen. ­Sociaal vaardig zijn is kortom het begin en het eind van alles.’

Fotografie: Roger Cremers/hh.

Reageer op artikel:
Sociaal? Vaardig!
Sluiten