Als er maar een goed adres was

redactie 21 jun 2018 Blogs

Van tijd tot tijd voeren Hanno en ik een serieus gesprek over Yaël en de zorg voor haar. Niet dat we dat inplannen of zo, maar dat gesprek ontstaat soms, dat moet soms gevoerd worden. In zo'n gesprek proberen we de onmogelijke vraag te beantwoorden of het nog gaat zo. Houden we het nog vol? Is de vorm die we gevonden hebben nog goed?

'Ik vind toch dat we serieus moeten kijken of ze één keer per week ergens kan logeren. Of twee nachten in de twee weken.'

Baf! Hanno geeft een voorzet.

'Ik moet daarover nadenken,' zeg ik aarzelend. Ik reik naar mijn glas wijn.

En meteen slaat de verwarring toe die altijd ontstaat als het L-woord valt. Aan de ene kant voel ik in mijn hele lijf een ongekend gevoel van ruimte. Wat zou dat heerlijk zijn, even een avond, nacht, ochtend zorgvrij. Wat zou dat ons leven verruimen, groter maken, weidser.

Ik praat met Hanno over de zorg en probeer te definiëren wat het zorgen voor Yaël precies zwaar maakt. Het is denk ik vooral de monotonie. Zorgen voor Yaël is al sinds haar geboorte min of meer hetzelfde. Zorgen voor Yaël blijft de komende jaren ook hetzelfde. Hooguit wordt het zwaarder omdat Yaël steeds groter wordt.

Het leuke van gezonde kinderen is denk ik wel dat ze steeds veranderen. Dat ze zich zo snel ontwikkelen dat je het nauwelijks kunt bijhouden. Voor je het weet zijn ze pubers en slaan ze met deuren. Nee, voor je het weet zijn ze het huis uit en staan ze op eigen benen.

Het L-woord dus. Ik voel ruimte, maar tegelijk voel ik me schuldig. Ik wil Yaël niet de toegang tot haar eigen huis ontzeggen, ook niet voor één of twee nachten. Zij woont hier ook, dit is ook haar huis. Ik wil niet dat ze weg moet omdat ik het niet volhoud. Trouwens, wat is volhouden? We houden het nog best vol.

Maar toch is het ook een aantrekkelijke gedachte, soms eens een nachtje zorgverlof.

'Ik zou haar best willen laten logeren,' zeg ik tegen Hanno. 'Als er maar een goed adres was.'

Want misschien is dat het echte probleem: het toezicht in logeervoorzieningen voor kinderen als Yaël is niet zoals ik dat het liefst zou zien.

In het logeerhuis waar wij vorig jaar ter oriëntatie gingen kijken, is 's nachts maar één begeleider aanwezig. Eén begeleider op acht zwaar gehandicapte kinderen, die geen van allen kunnen praten. Net zo kwetsbaar als de kleinste kinderen in de kinderopvang.

Sinds Robert M. is de controle op de kinderopvang verhevigd. Vorig jaar uitten kinderdagverblijven in Amsterdam zelfs kritiek op de strenge controles door de GGD-inspecteurs. 'Als de kinderdagverblijven denken dat er wat is veranderd sinds december 2010, dan hebben ze gelijk,' reageerde Martin Hommenga van de GGD in Het Parool. 'De hele samenleving reageert anders op de kinderopvang. Iedereen is alerter.'

Dat lijkt me alleen maar goed, dat iedereen alerter is. In de gehandicaptenzorg is echter nog alles hetzelfde.

Nu heb ik me de afgelopen jaren vaak verbaasd over de geweldige mensen die er rondlopen in de gehandicaptenzorg. Maar dat wil niet zeggen dat ook deze vorm van zorg geen verknipte geesten kan trekken. Wie ziet toe op die ene persoon in de nachtdienst? Want er hoeft maar één mafkees tussen al die goeie mensen te zitten.

Een kleine rondvraag in mijn omgeving leerde dat dit logeerhuis nog gunstig afstak. Bij veel logeervoorzieningen is er 's nachts 'toezicht op afstand', vanuit een ander gebouw, met camera's. Of één nachtwacht die tussen verschillende gebouwen heen en weer loopt. Of er is een 'waak-uitluistersysteem' op afstand.

Zou u uw baby met zeven andere baby's bij één begeleider achterlaten? Of zonder begeleiding in een gebouw met een 'waak-uitluistersysteem op afstand'? Waarom is dit dan wel goed genoeg voor kinderen die op babyniveau functioneren? 

Reageer op artikel:
Als er maar een goed adres was
Sluiten