Bijspijkeruurtje

Of ik met dezelfde overgave waarmee ik de kinderen had leren lezen, ze nu ook kon leren rekenen. Dat was zo'n beetje de boodschap tijdens het laatste tien-minutengesprek op de school van mijn kinderen. Want hoe was dat toch mogelijk, vroegen de kleuterjuffen zich af? Deze kinderen blonken uit in hun taalgebruik, daarentegen bakten ze weinig van het rekenen. Waarschijnlijk hadden ze het taalgevoel van de moeder. De moeder was taalwetenschapper; geen wonder dat de rekenprestaties daar schril bij afstaken. Een andere mogelijkheid was dat er thuis zo veel aandacht uitging naar de taalontwikkeling dat de kinderen een rekenachterstand opgelopen zouden hebben.

Waarom mijn kinderen minder goed rekenen dan andere kinderen, weet ik niet precies. Dat een overdosis aan taal- en leesuurtjes de oorzaak zou zijn, lijkt me niet aannemelijk. Ik denk eerder dat de aard van mijn kinderen bepalend is voor het niet uitblinken in rekenen. Mijn dochters aandacht gaat vooral uit naar spannende verhalen, naar fietsen en klauteren. De aandacht van mijn zoon gaat uit naar tekenen, fantaseren, in zijn droomwereld opgaan. Wil je mijn dochter laten rekenen, dan zul je de opdracht in de vorm van een spelletje of wedstrijd moeten brengen. Wil je mijn zoon laten rekenen, dan moet je hem wakker schudden bij de uitleg en hem duidelijk maken dat hij zich op de opdracht en de uitleg moet concentreren, in plaats van een leuke wending eraan geven en zelf een pad ernaartoe bedenken.

Het verschil tussen leerkracht en ouder, is dat de ouder de eigenaardigheden van zijn of haar kind precies kent. Hij weet als de beste hoe hij zijn kinderen kan verleiden, hoe hij ze ergens van kan overtuigen. Wat hulp van het thuisfront kan dus helemaal geen kwaad.

En zo probeer ik in de vakantie, tijdens een autorit door Italie, het rekenen een impuls te geven – met hetzelfde enthousiasme als waarmee ik met mijn kinderen lees, schrijf, zing en rijm. We beginnen met een oefening ordenen. ˜Wat hoort niet in dit rijtje thuis?' vraag ik en ik som op: ˜Bloem-boom-laars' of ˜vlees-boek-vis'. Daarna schakel ik over op het afmaken van series: ˜Ik spring van steen naar steen: een, twee, drie, vier. En nu sla ik telkens een steen over: twee, vier, zes, acht. Wat komt er na de laatste steen?' Dit gaat mijn zoon goed af, voor mijn dochter is het nog te hoog gegrepen.

In mijn enthousiasme roep ik nu dat ik heel grote sprongen maak, ik spring van nul naar vijf naar tien, en dan? Het blijft stil op de achterbank. Mijn dochter is in slaap gevallen, mijn zoon kraakt zijn hersenen.

˜Nou?, roep ik stralend, ˜wat komt er na de tien?'

Mijn zoon fronst zijn wenkbrauwen en balt zijn vuisten. Hij hijgt en puft: ˜Ehh ehhh. Wacht even mama, ik moet nog even denken!

Ja, zeg ik, ˜maar niet te lang hoor, denkend aan de computer en die nare zandloper van de citotoets.

˜Ehh ehhh… Ik weet het niet!

En dan, paniekerig: ˜Elf??

Elf?! roep ik verontwaardigd ˜Hoe kan het nou elf zijn?! Ik was ervan overtuigd dat hij dit zou kunnen.

˜Ik wil naar het strand, mama, jammert hij, ˜hoe lang duurt het nog?

Ik kijk naar het voorbijschietende landschap: de velden, de bergen. Ik zucht. Ik peins over de laatste reeks en vraag me af waarom hij het ene wel kan en het andere niet. Schooltje spelen is leuk, maar alleen als het een onderwerp is dat de kinderen – en de moeder of vader – ligt. Zodra het iets is wat ze lastig vinden, wordt het bijspijkeruurtje vervelend. Ga je door, dan wordt het van vervelend tot een kwelling. En dan ben je als ouder blij en dankbaar dat er na de vakantie weer school is: want leuk of niet leuk, we gaan het gewoon doen. Het staat nu eenmaal op het programma.

Reageer op artikel:
Bijspijkeruurtje
Sluiten