‘Bijt-ie?’

redactie 21 jun 2018 Blogs

'Hoe ver ben je met je acceptatieproces? Ze vroeg het echt.’

‘Wat heb je gezegd?’

Vriendin K draait met haar ogen, neemt nog een slok wijn en zegt: ‘Nou: Nog twee weken en dan ben ik er wel denk ik!’

We zijn uit eten en bespreken het onuitputtelijke onderwerp ‘de reacties van de omgeving’.

Het ‘acceptatieproces’ komt nooit ten einde, concluderen we, omdat zich steeds nieuwe situaties voordoen waarin ‘het’ een rol speelt. Omdat onze kinderen steeds weer nieuwe en andere eisen aan ons stellen, maar altijd zorgenkinderen blijven, nooit normaal worden.

‘O,’ zegt F. ‘En De Neef.’

‘Neef?’ vraag ik.

'Ja, die neef die iedereen heeft, die ook nog niet kon praten toen hij 6 was en met wie het allemaal goed gekomen is.’

‘O, die neef, ja, daar ken ik er heel veel van.’

Vriendin M heeft er ook nog eentje: ‘We liepen door Albert Heijn, zoon met zijn helm op – hij was nog een peuter en hij had toen zoveel valaanvallen – kom ik iemand tegen van de zwangerschapsgym. Ze bekijkt de situatie uitgebreid en zegt ernstig: 'Bijt-ie?’

We gieren het uit. ‘Jaha, als dit kind vastheeft, laat-ie niet meer los,’ zeg ik.

‘Hij heeft een kaakklem,’ reageert F. ‘Daarom moet-ie een muilkorf om.’

‘En toen op de Geitenboerderij dat was echt niet leuk,’ zeg ik tegen F. ‘Die mensen achter jullie, die zeiden: 'Zoiets laat je toch weghalen?’

F. kijkt ernstig nu. ‘Nee, dat was echt niet leuk.’

‘Jouw reactie was wel goed. Gewoon je omdraaien en zeggen: 'Nee, zoiets laat je weghalen.’

De stemming is ineens heel serieus. Want sommige reacties mogen dan om je te bescheuren zijn, sommige zijn ronduit kwetsend. Ik zeg dat ik, op de neef die steeds weer opduikt na, eigenlijk nog weinig echt vervelende reacties heb gekregen. Wel veel onhandige. Het zware praatje dat afgesloten werd met ‘ach ja, je hebt er ook een hoop lol van’. Wat natuurlijk ook zo is, maar op dat moment een beetje vreemd was. Verder veel gegeneerde en meewarige blikken als Yaël weer eens likjes geeft aan een vitrine of met haar handen fladderend gromt naar mooie lampen. Of een nieuwsgierig ‘waar kijkt ze nou naar?’. Of gewoon ronduit ‘wat heeft ze?’. Mijn antwoord wisselt, ik geef het toe, met mijn stemmingen. Als ik er echt geen zin in heb, zeg ik: ‘Geen idee.’

En soms ben ik zelf ook onhandig. Laatst in een café. Vader loopt naar de bar, zoon erachteraan. Ik sta aan de bar om af te rekenen en zie in een oogopslag dat de jongen autistisch is. Die typische manier van lopen, dat kijken en niet kijken tegelijk, de manier waarop hij zijn armen beweegt. Zoon valt half tegen me aan, vader verontschuldigt zich en ik zeg, iets te enthousiast: ‘Geeft niks hoor, ik heb er ook zo eentje!’ De vader, waarschijnlijk ook wel iets gewend, kijkt me wat verward aan. ‘Ik heb ook een autistisch kind,’ kraai ik uit, veel te blij dat ik, zomaar in het wild, nog een exemplaar tegenkom. De man zijn gezicht klaart op en we hebben een leuk gesprek.

Op de fiets naar huis realiseer ik me dat veel leed onzichtbaar is. Die moeder die daar fietst met haar twee kinderen, misschien was er ooit wel een derde kind. Of misschien is ze verwikkeld in een nare scheiding, met die kinderen als inzet. Ik kom het niet te weten, omdat zij en haar kinderen er normaal uitzien en zich normaal gedragen. Dat geldt niet voor de meeste gehandicapte kinderen, dus hebben de ouders niet de keuze met wie ze het verhaal van hun leven delen. Het zit er al, in de rolstoel, of het staat al naast ze te fladderen. Een soort gedwongen openhartigheid.

Reageer op artikel:
‘Bijt-ie?’
Sluiten