Blije ouders, blije kinderen

redactie 19 jun 2018 Opvoedstijlen

Geluk is besmettelijk, stelt klinisch psycholoog en hoogleraar positieve psychologie Jan Walburg. Wat niet wil zeggen dat je achterover kunt leunen als je een blije ouder bent. Walburg legt uit hoe dit zit. En hoe je je kind laat opgroeien tot een gelukkig mens.

Je kind heeft jou hard nodig om zelf ook tot bloei te komen. De basisvoorwaarden: stimuleer z’n sterke kanten en probeer je kind niet te verwennen, overbeschermen en pamperen. “Want”, zegt Walburg, “dan ontneem je je kind de mogelijkheid om weerbaar, flexibel en wilskrachtig te worden; allemaal belangrijke elementen om je lekker te voelen.”

We weten precies wat we moeten doen om gezond te zijn. Hoeveel porties fruit en groente we moeten eten, hoe vaak we moeten bewegen. Maar hoe zorgen we dat we ook mentaal gezond zijn? De positieve psychologie onderzoekt onder welke omstandigheden mensen tot bloei komen. Dat zouden wij – ouders – ook wel eens willen weten. Voor onze kinderen, maar misschien stiekem ook een beetje voor onszelf.

Op nummer 1 in de verlanglijst van ouders staat steevast de wens dat hun kind gelukkig wordt. Meteen maar met de deur in huis: hoe doe je dat?

“Verschillende zaken spelen een rol. In de eerste plaats is welbevinden besmettelijk. Als ouders zich gelukkig voelen, is de kans groot dat ze dat op hun kinderen overdragen. Een optimistische inslag helpt ook. Dat je glas altijd half vol is in plaats van half leeg. Gezondheid is ook belangrijk. Als je je lichamelijk goed voelt, werkt dat door op je mentale welzijn. Verder is het heel belangrijk dat je op z’n minst een paar goede relaties hebt met anderen. En tenslotte blijken montere mensen genereuze mensen te zijn: ze kunnen geven.”

Als ouderlijk geluk zo belangrijk is voor het geluk van het kroost, hoe zorg je er dan voor dat je zelf een tevreden mens bent of wordt?

“Voorspoed hobbelt rustig achter je bloei aan. Je moet een idee hebben van de richting waarin je je wilt ontwikkelen. Een missie, een plan. Dat kan groots en meeslepend zijn, maar ook minder ambitieus. Voor de één is het succesvol worden in het werk, voor de ander zorgen dat de kinderen goed terechtkomen. Bijna iedereen heeft daar wel een beeld bij. Heb je dat niet, dan wordt het lastig je leven te evalueren. Je loopt dan de kans in een midlifecrisis te belanden waarbij je je halverwege je leven afvraagt waar je nu eigenlijk mee bezig bent. Weten wat je zelf wilt, voorkomt ook dat je de speelbal van anderen wordt. Je ouders, je vrienden en later je kinderen kunnen je doorgaans prima vertellen wat je moet doen. Daar kun je je veel beter tegen weren als je je doel helder voor ogen hebt.”

Erfelijkheid is van invloed op de mate van geluksgevoel, blijkt uit onderzoek. Is de zaak nog te redden als je kind van nature niet zo blijmoedig is?

“Van een somber kind maak je geen feestnummer. Die aanleg krijg je voor een deel mee. Maar het is ook een vaardigheid die je kunt ontwikkelen. Dat bleek uit een studie die wij deden met 14-jarige jongens, zo ongeveer de negatiefste wezens die er zijn. Die vinden alles stom. De helft van de groep gaven we een korte cursus Positief Denken. Na vijf jaar bleek die nog steeds effect te hebben. De jongens die de cursus hadden gevolgd deden het beter op school, waren socialer en hadden een beter gevoel over zichzelf dan de anderen.”

Eén klein cursusje? Is het echt zo simpel?

“Dat vond ik nog het boeiendst: dat het zo’n klein cursusje was. Kennelijk kwam de juiste informatie net op het juiste moment. Ze leerden dat ze alles stom vónden, maar dat niet alles per definitie stom wás. Dat je niet altijd de omgeving de schuld kunt geven – ouderwetse ouders, gemene leraren – maar zelf kunt bepalen wat je denkt, wat je voelt en wat je vindt. En dat je ook niet bent wat anderen denken, maar wat jíj voelt. Dat inzicht doet je anders naar de wereld kijken. Ik denk dat dat voor die doorbraak heeft gezorgd.”

Kun je dat kinderen van 8 ook leren?

“Een van de meest wezenlijke aspecten van opvoeden is dat je kinderen leert invloed te hebben op hun leven. Het is het naarst als je daar geen greep op hebt. Daarom is het belangrijk om ze bij te brengen dat ze altijd zelf keuzes kunnen maken. Natuurlijk spelen randvoorwaarden een rol, maar daarbinnen neem jij de beslissingen. Kijk maar naar mensen die in armzalige omstandigheden opgroeien en daar ijzersterk uitkomen. Terwijl kinderen die in een gouden wieg lagen, de mist ingaan.”

Maken de omstandigheden dus niet uit?

“Natuurlijk maakt het uit of je alcoholische ouders hebt, veel geweld meemaakt en driehoog-achter woont zonder buitenspeelmogelijkheden. Alleen is niet te voorspellen welke kant het opgaat. De een eindigt in de gevangenis, de ander wordt er sterker door.”

Arm of rijk maakt ook geen verschil?

“Armoede is slecht. Slecht voor de gezondheid, slecht voor de ontwikkeling, slecht voor alles. Het is niet te tolereren dat kinderen in armoede opgroeien. De prijs die je daarvoor als maatschappij betaalt, is hoog. Maar andersom is rijkdom niet automatisch goed. Er is een punt waarop het niet meer uitmaakt hoeveel je hebt. Dat omslagpunt ligt rond het modale bruto jaarinkomen van 45.000 euro. Daarboven maakt meer niet uit: een dikke auto of een tweede huis maakt mensen niet vrolijker. Onder die grens is meer geld wel van invloed op het geluksgevoel: er is een wereld van verschil tussen 20.000 en 30.000 euro. Het feit dat wij als land qua inkomen tot de top van de wereld behoren, is één van de verklaringen waarom Nederlanders altijd zo hoog eindigen op gelukstesten.”

Onze kinderen zijn ook de gelukkigste van de wereld. Niks meer aan doen dus?

“Ja, we doen het blijkbaar niet zo slecht. Ik heb er geen wetenschappelijk bewijs voor, maar ik denk dat dit ook samenhangt met het feit dat bijna nergens zoveel moeders parttime werken als hier. Dat reflecteert de aandacht die we aan onze nakomelingen willen geven.

Waar dat sterke verantwoordelijkheidsgevoel vandaan komt? Ik zou het niet weten. Het betekent trouwens niet dat we niet kunnen kijken hoe we de principes en kennis uit de positieve psychologie – nog meer – kunnen inbouwen in de opvoeding. Ik vind het bijvoorbeeld zorgelijk dat met name op school zo ontzettend gefocust wordt op prestaties in plaats van op het leerproces. Keer op keer blijkt uit onderzoek dat het continue gehamer op cijfers kinderen niet stimuleert om plezier te hebben in leren. Zodra ze zien dat het uitsluitend om het eindproduct gaat, verlagen ze hun normen. Ze doen dan het minimale om aan die prestatieverwachting te voldoen.”

Hoe motiveer je ze wel om te groeien?

“Door ze feedback te geven op hun aanpak en ze te stimuleren hun sterke kanten te ontwikkelen. Door niet te blijven hangen in wat niet goed is, maar te letten op wat wel goed is en ze de ruimte te bieden dat tot bloei te laten komen. “Gebreken” kun je bijna niet compenseren. Als je tegen een introvert kind steeds zegt dat hij zo stil is, frustreer je hem mateloos. Vertel je hem daarentegen dat grote Amerikaanse presidenten ook gesloten waren, dan leert hij dat het erom gaat je talenten te gebruiken.”

Moet je zwakke kanten dan helemaal negeren? Je moet ze toch ook een beetje sturen?

“Ik ben niet zo’n overoptimist dat ik vind dat je uitsluitend positieve dingen moet stimuleren. Of ze steeds maar welgezind tegemoet moet treden. Met verwennen, overbeschermen en pamperen doe je ze ook geen plezier. Dan ontneem je ze de mogelijkheid om weerbaar, flexibel en wilskrachtig te worden; allemaal belangrijke elementen om je lekker te voelen. Ik denk wel dat die positieve insteek een sterker accent kan krijgen. Het heeft niet zoveel zin om steeds op z’n minder mooie kanten te wijzen. Dat kan zelfs een self-fulfilling prophecy worden. Beter is het de momenten te belonen waarop hij zich gedraagt zoals jij dat graag ziet.

Als je minder op de prestatie zit en meer op het proces, bied je ze ruimte voor ontwikkeling. Dan durven ze meer risico’s te nemen. Daag ze uit hun pluspunten te vergroten, te excelleren. Dat is eng, want dan kunnen ze ook de mist ingaan. Niet erg. Daar kunnen ze van leren. Als je je kind wilt opvoeden voor de middelmaat, moet je zorgen dat-ie nooit fouten maakt.”

En wat nou als je zelf niet zo happy bent? Is dat ook besmettelijk?

“Kinderen van ongelukkige ouders hebben het moeilijker. Een kind vindt het vreselijk zijn vader of moeder verdrietig te zien en denkt al snel dat het zijn schuld is. Toch betekent een ongelukkige ouder niet per definitie een ongelukkig kind. Voorbeeldgedrag is maar één ding. Als je je ervan bewust bent dat je niet het zonnetje in huis bent, en dat kunt compenseren door ze bijvoorbeeld toch voldoende gelegenheid te geven om te groeien, heb je al aan één belangrijke basisvoorwaarde voldaan. Kinderen zijn trouwens bijzonder veerkrachtig. Die kunnen best een dipje aan. Na een rustig verlopen scheiding veren ze zo weer terug naar hun oorspronkelijke niveau.”

Hoe zorg je er als ouder voor dat je eigen geluksniveau op peil blijft?

“De huidige generatie ouders heeft daar meer mogelijkheden voor dan vroeger. Ouders van nu zijn bereid om minder te werken en de zorg meer te delen. Lukt het je om het opvoeden te combineren met een zinvol werkend leven, dan verkleint dat de negatieve gevolgen van het ouderschap – minder ontplooiings- en ontwikkelingsmogelijkheden.”

Dit artikel is gebasseerd op een interview van Anne Elzinga met Jan Walburg voor J/M voor Ouders. Walburg is klinisch psycholoog en als bijzonder hoogleraar Positieve Psychologie verbonden aan de Universiteit Twente. Hij schreef onder meer het boek Mentaal Vermogen – Investeren in geluk (2008).

Reageer op artikel:
Blije ouders, blije kinderen
Sluiten