Cyberpesten: ‘Voor altijd een loser’

Eén op de tien pubers wordt online gepest. Het effect hiervan is vaak veel ingrijpender dan ‘gewoon’ pesten, omdat alles wat gepost wordt op internet voor eeuwig blijft bestaan. ‘Kinderen kunnen daar simpelweg met hun verstand niet bij.’

Je bent pas 13, maar je online leven is al voorgoed onherstelbaar beschadigd. Het overkwam ‘Freek’ (niet zijn echte naam) die slachtoffer werd van een grootschalige identiteitshack. De gevolgen hiervan zijn zo verstrekkend dat het Achtuurjournaal eind vorig jaar met dit item opende. De Nederlandse jongen had samen met zijn ouders een Twitteraccount geopend. Het account schermden ze af, maar de profielfoto die ze erbij plaatsten, bleef automatisch openbaar. Die foto van Freek – een puber met sproeten en een loensende blik – was kennelijk grappig of viel anderszins op. En zo kwam het dat onbekenden de foto kopieerden en gebruikten voor nepprofielen op Facebook en Twitter. Ze photoshopten Freeks gezicht tot schokkende en kwetsende beelden die ze gebruikten in vernederende filmpjes op YouTube.

Zijn beeltenis ging in mum van tijd de wereld over en had al gauw duizenden liefhebbers. Doordat die fans uiteindelijk Freeks echte naam ontdekten, gingen ze hem bovendien treiteren door hem ook persoonlijk berichten en foto’s te sturen. Eenmaal geplaatst op internet, is iets nauwelijks meer te verwijderen. Freeks lot is dat hij onlosmakelijk verbonden is met de karikatuur die pestkoppen van hem maakten. En ook later, wanneer hij wil solliciteren bijvoorbeeld, zal zijn naam nog altijd gelinkt worden aan de misplaatste ‘grappen’.

Cyberpesten is niet nieuw. Waar kinderen zijn, wordt gepest. Dus ook online. Hoewel een geval als dat van Freek vaker voorkomt, is het wel excessief, zegt Remco Pijpers van kennisnetcentrum Mijn Kind Online. Het is illustratief voor hoe ver de gevolgen van cyberpesten kunnen reiken, maar vaker draait het om relatief onschuldig beledigen, uitschelden, bedreigen of roddelen. Op WhatsApp bijvoorbeeld of op Twitter. Het CBS becijferde dat één op de tien jongeren tussen 15 en 18 jaar online wordt gepest. Van de groep 10 tot 17-jarigen was 8 procent het afgelopen jaar slachtoffer.

Niet mals, maar volgens Remco Pijpers moeten we vooral niet vergeten dat ‘gewoon’ pesten en treiteren – in de offline wereld – nog altijd vele malen vaker voorkomt: dat overkomt 20 tot 30 procent van alle kinderen. Wel heeft het één vaak met het ander te maken: wie in het dagelijks leven pest, is volgens hem eerder geneigd ook online te treiteren. Maar Pijpers vindt cyberpesten wel een beetje een gehyped probleem.

‘Ouders, leerkrachten en opvoedkundigen weten zich er geen raad mee. Als er in het echte leven gepest wordt, blijft het bij een waarschuwing. Gebeurt het online, dan zijn we in paniek en wordt er meteen een ouderavond georganiseerd. Omdat we het niet kennen, omdat het zich afspeelt in de wereld van kinderen en omdat we het niet kunnen zien.’ Volgens Pijpers zouden we het beter moeten plaatsen om de consequenties juist te kunnen inschatten en kinderen er op een goede manier in te kunnen begeleiden. Dat betekent vooral: op de hoogte zijn van waar je kind mee bezig is en je blijven verdiepen in wat kinderen online doen. Het is ondertussen een aloud mantra, maar nog altijd niet tot alle ouders doorgedrongen.

Ergens ook wel logisch, vindt Elly Konijn, hoogleraar Mediapsychologie aan de Vrije Universiteit. ‘Wij volwassenen zijn niet opgegroeid met internet, dus voor ons bestaat het dagelijks leven uit online en offline. Kinderen hanteren die scheiding helemaal niet. Die bewegen zich zonder moeite heen en weer tussen de twee werelden, die voor hen haast even belangrijk zijn.’ Dat maakt dat pesten zich gemakkelijk verplaatst van fysiek – en dus meestal zichtbaar en herkenbaar voor ouders – naar het onzichtbare web, waar het zich als een olievlek kan uitbreiden.

Omdat alles wat gepost wordt op internet daar bovendien voor altijd blijft bestaan, is cyberpesten ingrijpender dan ‘gewoon’ pesten, weet Konijn. ‘Daders zijn zich er niet altijd van bewust hoe hard hun getreiter aankomt. Ze zien geen reactie. En dat een bericht of foto op internet kwetsend kan zijn, via Twitter de hele wereld in wordt geslingerd en tot in lengte van dagen zelfs levens kan ruïneren, daar kunnen kinderen met hun verstand simpelweg niet bij.’ Het gebrek aan lijfelijk contact kan ertoe bijdragen dat het bij de slachtoffers juist extra hard aankomt.

Konijn: ‘Kinderen kunnen niet inschatten hoe iets gemeend wordt, ze kunnen het niet inbedden in de context van lichaamstaal. Was dat berichtje grappig bedoeld? Of zoekt er iemand werkelijk ruzie? Zeker met al die dubbelzinnige icoontjes en smileys is het een groot, grijs gebied.’ Ze kunnen er volgens haar zelfs paranoia van worden. ‘Die onzekerheid over hoe je een bericht moet inschatten, knaagt aan hun zelfvertrouwen. Ze weten niet meer wie ze wel en niet kunnen vertrouwen. Hun brein is nog niet voldoende ontwikkeld om dit soort dingen juist te kunnen beoordelen. Het geschreven woord lijkt bovendien meer waarheid te bevatten. Want het staat er toch, zwart op wit? Je kunt het keer op keer nalezen. En dat dóen kinderen dan ook. Terwijl een gesproken belediging na verloop van tijd meestal zijn effect verliest en wegebt.’

Volgens Konijn is bijvoorbeeld WhatsApp een plek waar het vaak misgaat. Vrienden of klassen maken eigen app-groepen aan waarin ze gemakkelijk met elkaar kunnen communiceren. Handig, maar het maakt ook kwetsbaar. Een ongenuanceerd keren in zichzelf, worden prikkelbaar en zijn volgens onderzoek van Konijn in staat om hun frustraties online af te reageren. Door agressieve filmpjes op te zoeken of zelf te gaan pesten. Het zijn belangrijke signalen voor ouders om te gaan polsen wat er aan de hand is. Wat overigens nog niet zo makkelijk is: je wilt je kind loslaten én tegelijkertijd blijven begeleiden.

Konijn vindt dat ouders veel actiever betrokken moeten zijn bij het (online) leven van hun kind. ‘Veel vaders en moeders van nu groeiden op zonder internet, gingen op hun 18e naar de grote stad en ontdekten geleidelijk de rest van de wereld. Voor onze kinderen is er geen sprake meer van het leven gefaseerd leren ontdekken. Zodra ze toegang krijgen tot (mobiel) internet, komen ze in contact met de hele wereld. Je kunt je afvragen of ze daar al aan toe zijn. Ze zijn impulsief, snel uit balans en hebben een beperkt reflectief vermogen. Daarom is begeleiding van hun online gedrag van groot belang.’

Net als Konijn vindt ook Remco Pijpers dat ouders moeten weten welke programma’s, apps en sociale sites populair zijn onder kinderen. Praat erover, verdiep je erin. Maak een profiel aan op Twitter, installeer Snapchat en ontdek wat er allemaal mogelijk is. Pijpers: ‘Veel ouders haken af omdat ze denken: mijn kind weet al zóveel meer dan ik, ik begin er niet meer aan om dat allemaal te begrijpen.’ Onzin, vindt hij. ‘Ja, het is een kwestie van investeren en ja, kinderen doen en weten veel. Maar jíj bent volwassen en kunt de boel beter overzien.’

Een paar vuistregels kun je je kind al vroeg leren: verspreid geen privégegevens, gebruik een nickname, plaats neutrale foto’s – in elk geval geen sexy foto’s en misschien zelfs liever helemaal geen foto’s – noem niet zomaar iedereen een vriend en voeg geen onbekenden toe op je sociale mediaprofiel, bepaal zelf wie er berichtjes op je profiel mogen achterlaten en houd wachtwoorden en inlognamen (ook voor vrienden) geheim.

Goed, dan ben je dus op de hoogte van wat je kind online doet. Maar wat als je merkt dat je kind online gepest wordt? In eerste instantie: luisteren, troosten en de situatie serieus nemen. En daarna samen kijken wat je eraan kunt doen. Internet of het mobieltje afnemen lost niets op, daarmee straf je een kind alleen maar. Reageren op de treiterijen is ook niet verstandig. Wel doen: de daders zo mogelijk blokkeren om rust te creëren. En de berichtjes, foto’s en filmpjes bewaren als bewijs. Ze verwijderen is helaas onmogelijk.

Het lukte de ouders van Freek in elk geval na oneindig veel pogingen niet om contact te krijgen met de medewerkers achter Twitter en Google. In hun radeloosheid zochten ze hulp bij Mijn Kind Online, die het dankzij hun politienetwerk en vasthoudendheid uiteindelijk wél voor elkaar kregen. Remco Pijpers: ‘Gaat het om kinderporno dan zullen sociale mediasites er uit angst voor imagoschade alles aan doen om mee te werken, maar bij pestgedrag geven ze niet thuis.’ Dat moet dus anders, vindt hij. Daarom was hij blij dat het verhaal van Freek zo prominent in het nieuws kwam. Kinderombudsman Marc Dullaert heeft inmiddels onderzoek aangekondigd. Een inkopper van jewelste, maar toch het benoemen waard: liever nog dan online pesten te bestrijden, probeer je je kind er natuurlijk van te weerhouden dat het ooit met cyberpesten begint.

Digitaal burgerschap, noemt Remco Pijpers het; weten hoe je je online verantwoordelijk en vriendelijk hoort te gedragen. ‘Het is niet iedereen gegeven om te weten hoe je op een sociale manier met mensen omgaat. Hoe je je in een ander verplaatst. Hoe je ruziemaakt en het vervolgens op een normale manier weer goedmaakt. Er zijn genoeg kinderen die dat niet van hun ouders leren. Misschien is dat een mooi begin.’

Wat kan de school doen?

Online pesten mag dan grotendeels buiten schooltijd plaatsvinden, het heeft hoe dan ook invloed op de sfeer in de klas.
Vechtpartijen bijvoorbeeld hebben vaak een online oorzaak, maar komen tot uitbarsting op het schoolplein. Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de veiligheid
in en om school. Het schoolreglement van elke school zou daarom moeten bestaan uit een schoolveiligheidsplan en een pestprotocol, dat actief wordt nageleefd.
Scholen doen er daarnaast goed aan een beleid te ontwikkelen rond sociale media. Wat mogen leerlingen wel en niet (onder schooltijd)? En ook: hoe gedraag je je op Twitter of Facebook? Online burgerschap is hierin een belangrijk thema. Scholen zouden bovendien consequent contact moeten onderhouden met de wijkagent, die bijvoorbeeld Twitter-ruzies niet zelden als eerste signaleert.

Omdat scholen op dit gebied nog onvoldoende actief zijn, kondigde onderwijsstaatssecretaris Sander Dekker en Kinderombudsman Marc Dullaert aan dat scholen in de toekomst wettelijk verplicht worden om pesten te bestrijden. Een commissie onder begeleiding van het Nederlands Jeugdinstituut gaat hiervoor criteria opstellen.

Meer info: mijnkindonline.nl en www.meldknop.nl

Wanneer aangifte doen?

Volgens het Wetboek van Strafrecht is het strafbaar als er sprake is van: belediging, belaging, bedreiging, discriminatie, hacken, identiteitsmisbruik, oplichting, laster, smaad, sexting. Wie aangifte doet, doet officieel een verzoek tot strafrechtelijk onderzoek en strafvervolging. In plaats van aangifte kun je ook melding doen. Dat zorgt ervoor dat misstanden worden geregistreerd in het politiesysteem ten behoeve van dossiervorming.

Als je besluit aangifte te doen, verzamel dan zoveel mogelijk bewijs. Denk aan:

  • data en exacte tijdstippen
  • url van de website, de eigen gebruikersnaam of
  • de nickname
  • zoveel mogelijk gegevens van de dader
  • mail headers
  • prints van e-mails
  • logging van chatgesprekken
  • schermafdrukken
  • bewaarde sms- of WhatsApp-berichten
Reageer op artikel:
Cyberpesten: ‘Voor altijd een loser’
Sluiten