De angst om af te gaan

Het woord faalangst duikt steeds vaker op. Menig kind blijkt er last van te hebben. Maar wat is faalangst eigenlijk? Hoe uit het zich? Is er iets te doen aan die allesoverheersende angst om af te gaan en niet goed te presteren?

Wie kinderen in z’n buurt heeft en zijn oren gespitst houdt, hoort het ouders met de regelmaat van de klok zeggen: mijn kind heeft faalangst, hij of zij is een faalangstige leerling.

Het woord faalangst ligt ons in de mond bestorven. Misschien ook omdat in deze tijd de nadruk sterk op presteren ligt. Niet alleen op school, maar ook op veel andere terreinen: in sport, vrije-tijdsbesteding, computeren, creativiteit. Het gaat lang niet altijd om het plezier. Nogal eens is het de prestatie die telt. Het behalen van diploma’s en medailles zijn meer waard dan het zelfvertrouwen dat we eraan ontlenen. Moet er veel gepresteerd worden, dan ontstaat er vanzelf ook faalangst, zou je kunnen zeggen.

Maar faalangst was er altijd al, hoewel die in een prestatiemaatschappij wat sterker naar voren komt en er de laatste jaren meer aandacht voor is gekomen.

Faalangst doet zich volgens de psychologen voor wanneer er een prestatie geleverd moet worden en men zich beoordeeld voelt. Die angst uit zich ook lichamelijk: zweten, trillen, hartkloppingen, buikpijn, duizeligheid. Die angst kan zo sterk zijn dat er niets meer uit iemands handen of hoofd komt: men raakt geblokkeerd, heeft een black-out. Dat laatste is nogal eens het geval bij toetsen of mondelinge overhoringen. Thuis of in de les beheerste het kind de stof goed, maar nu het voor de klas staat en alle ogen op zich gericht weet, kan het geen woord meer uitbrengen.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen cognitieve faalangst, de angst om de gewenste intellectuele prestatie niet te kunnen leveren (vooral op school), sociale faalangst, de angst om op sociaal ?gedrag negatief beoordeeld te worden en buiten de groep te vallen (hierdoor bijvoorbeeld niet tegen een ander durven zeggen dat je iets vervelend vindt) en ?motorische faalangst, de angst om een gevraagde motorische vaardigheid niet naar behoren te kunnen uitvoeren (bij gymnastiek, zwemles, handvaardigheid). Vaak ook gaat het om een mengvorm, want de ene angst leidt nogal eens tot de andere. Ben je ooit een keer uitgelachen voor een zwakke prestatie bij gym, dan kan de angst dat dat weer gebeurt ook toeslaan bij het voor het bord moeten komen of een spreekbeurt houden. Want faalangst heeft, wanneer het niet onderkend wordt, de neiging om zich als een olievlek uit te breiden.

Angsttest

Faalangst heeft dus met onderpresteren te maken, met vervelende lichamelijke spanningen, je heel rot voelen, waardoor er niet uitkomt wat er inzit. De ogen van de ander spelen er een grote rol in: men voelt zich bekeken, beoordeeld, is bang om af te gaan, niet te voldoen.

Toch wordt het woord faalangst te pas en te onpas gebruikt. Een kind dat terugdeinst voor het nieuwe en onbekende, niet zo snel zelf initiatieven neemt, gauw opgeeft als het iets nieuws onder de knie moet krijgen, teruggetrokken en stil is, wordt nogal gemakkelijk als faalangstig ?bestempeld. Daar kán sprake van zijn, maar het hoeft niet! Het kind in kwestie kan net zo goed een grote behoefte aan veiligheid hebben, eerst de kat uit de boom kijken of gewoon gemakzuchtig zijn. En de grootste raddraaier in de klas kan zijn faalangst verbergen achter brutaal of clownesk gedrag.

Cinthia Verresen, klinisch pedagoog en mede-auteur van de Sidderkuur, een groepstraining voor leerlingen in het voortgezet onderwijs, spreekt dan ook liever over faalangstige gevoelens. ‘Vrijwel nooit is de hele persoon ervan doortrokken. De één heeft faalangstige gevoelens bij gym, de ander bij rekenen, weer een ander is als de dood om in de groep z’n woordje te moeten doen. Bovendien valt niet alle angst onder de noemer faalangst. Wij zijn voorstander van een zorgvuldige diagnostiek. Hiertoe nemen wij de Situatie Specifieke Angst Test af.

Degenen die hoog scoren op de angst- en vermijdingsindex komen dan vanzelf bovendrijven, maar dan nog kunnen we alleen door het persoonlijke verhaal van het kind er achter komen of het om ?faalangst gaat. Soms blijken er ook heel andere problemen te spelen: een vervelende situatie thuis, een specifiek, niet onderkend leerprobleem. Dan zul je daar wat aan moeten doen.’

Bij faalangst speelt de manier van denken over zichzelf een grote rol, aldus Cinthia. ‘Als je maar lang genoeg denkt “ik kan het niet”, “ik ben een oen” of “dat wordt toch weer een één” ga je erin geloven. In ieder geval verlamt het je. Wij noemen dat niet-handig denken, want je bereikt er je doelen niet mee.

Wij laten jongeren ervaren dat je ook heel anders kunt denken, dat je door gedachten je gevoelens kunt sturen. Wij doen dat op een heel speelse manier. Want faalangst is niet alleen een cognitief probleem, zoals lange tijd gedacht is, maar heeft alles met persoonlijke gevoelens en het zelfbeeld te maken.’

Nadruk op fouten

Met faalangst word je niet geboren, zo is de algemeen geldende opvatting. Deze ontstaat in de interactie met de omgeving: ouders, vriendjes, school, familie. Ouders hebben vaak hoge verwachtingen van hun kind, zien op een rapport als eerste de vijf en niet de twee achten die er ook op prijken, en dat kán de faalangst aanwakkeren.

Maar er zijn even zovele andere oorzaken, aldus Aat van der Harst, onderwijskundig adviseur en betrokken bij de Sidderkuur. ‘Ook kinderen die te weinig uitdagingen krijgen, omdat hun ouders ze altijd naar feestjes brengen of bijvoorbeeld nooit met een schaar hebben mogen knippen omdat ze de punt in hun ogen zouden kunnen krijgen, kunnen faalangst ontwikkelen. De wereld is voor hen een uiterst onveilige plek. Vaak ook ontstaat het in een specifieke situatie. Een kind kan een heel behoorlijke spreekbeurt houden, maar zijn beste vriendje vond er niets aan. Als het dan toch al weinig zelfvertrouwen heeft of gevoelig is voor wat anderen van ‘m vinden, is de kiem gelegd.

En vlak ook de houding van de school niet uit! Nog steeds wordt vooral het negatieve benoemd en niet wat goed is. Onder een dictee staat demonstratief zes fout geschreven of door de foute sommen staat een grote rode haal. Vaak krijgen de kinderen dat terug zonder ?dat er een woord aan vuil gemaakt wordt, terwijl dat de evalutatiemomenten bij uitstek zijn om het kind het ?vertrouwen te geven in wat het al wel kan én om te bespreken wat nog extra aandacht behoeft.

Het accent ligt op de fouten en het cijfer dat daaraan hangt. Niet echt bevorderlijk voor het zelfvertrouwen en plezier in het leren.’

Buikpijn

De negenjarige Saar heeft al van jongsaf aan faalangst, vertelt moeder Rina. ‘Toen ze voor ‘t eerst naar de basisschool ging zei ze al: ik durf niet, want nu moet ik rekenen en taal kunnen. Terwijl wij het daar nooit over hadden gehad. Die angst om niet goed te zijn heeft ze vaak. Zwemmen kan ze goed en doet ze graag, maar toen ze moest proefzwemmen voor haar zwemdiploma raakte ze letterlijk in een kramp. Ze kreeg vreselijke spierkrampen en moest het water uit. Gelukkig had ze een aardige badjuf die het begreep en alle tijd voor haar nam. Op school kreeg ze in groep 4 een keer een testje, het werd volgens mij niet eens zo benoemd, maar ze werd er de klas voor uitgehaald. Meteen kwam er niets op papier. Vorig jaar hebben we haar naar de Vrije School gedaan, juist om de druk wat van de ketel te nemen, maar daar maakt ze zich nu weer vreselijk druk dat ze niet kan tekenen. Tekenen vindt ze het allerstomste wat er bestaat! Háár manier om haar angst te maskeren.

’s Ochtends heeft ze regelmatig buikpijn, ’s avonds roept ze: “ik wil niet naar school.” Ik heb heel wat avonden bij haar bed gezeten om met haar te praten, je probeert toch te achterhalen waar het ‘m in zit, haar gerust te stellen en ontspanningsoefeningen te doen. Soms kietel ik haar ook gewoon, want haar grootste probleem is volgens mij dat ze teveel in haar hoofd zit. Dat is de enige reden die ik kan bedenken waarom ze zo vaak in de stress schiet. Al neig ik er steeds meer naar om die angst ook als iets erfelijks te zien. Sommige kinderen zijn blijkbaar angstiger dan andere.’

Bij Saar mag de reden voor haar faalangst dan duister blijven, bij de tienjarige Ingrid van de Ven is er wel een duidelijke aanleiding. Moeder Gerrie: ‘In groep 3 kon ze niet meekomen, vooral niet met lezen. Er werd toen al snel aan dyslexie gedacht. Maar voordat dat ?onderzocht was en tot een specifieke aanpak leidde, waren we al een jaar ?verder. In dat jaar is ze heel onzeker geworden, had vaak last van hoofd- en buikpijn, durfde heel weinig te onder­nemen. Dat is eigenlijk van kwaad tot erger geworden.

Zogauw er maar één dingetje fout gaat, raakt ze helemaal van slag. Ze tekent bijvoorbeeld graag, kan dat ook goed, evenals sporten. Maar ook daarbij heeft ze nu de neiging om steeds vaker te vragen: is het zó goed? Wij proberen haar zoveel mogelijk te prijzen.’

Het gevaar van prijzen

Prijzen en complimentjes maken is natuurlijk goed voor het zelfvertrouwen van een kind, maar kan als het teveel gebeurt, buiten proporties is of om kwaliteiten gaat waar het kind zelf geen enkele grip op heeft (‘je bent mooi, slim’) een averechts effect hebben. Zo is uit Amerikaans onderzoek gebleken dat kinderen die na een eerste test te horen kregen dat ze ‘m goed gedaan hadden omdat ze zo intelligent waren, bij de tweede test veel minder hoog scoorden dan degenen die gehoord hadden dat ze goede resultaten bij de eerste test behaald hadden, omdat ze zo hun best hadden gedaan. Zij waren hierdoor gemotiveerd om zich extra in te zetten.

Om die reden kunnen hoogbegaafde kinderen ook nog wel eens faalangstig worden. Orthopedagoge Carolien Leerkotte: ‘Zij zijn toch slim, hoeven niet bang te zijn om te falen, zo wordt gedacht. Maar niet alleen hun omgeving heeft hoge verwachtingen van hen, ze hebben die zelf vaak ook. Ze moeten van zichzelf perfect zijn. Zeker op de middelbare school kan hen dat parten gaan spelen. Op de basisschool zitten ze in een breed gemêleerde groep, behoren vaak tot de besten van de klas zonder er iets voor te hoeven doen. Zitten ze op het VWO, dan wordt er veel meer van hen gevraagd, moeten ze opeens wel moeite voor de dingen doen.’

In het voortgezet onderwijs treedt faalangst sowieso wat sterker op de voorgrond, ook omdat er erg veel beoordelingsmomenten zijn. De schatting is dat 10 á 15 procent van de leerlingen er last van heeft. Dat is ook de reden waarom de Sidderkuur zich vooral richt op het voortgezet onderwijs.

Van der Harst: ‘Wij krijgen steeds vaker aanvragen van basisscholen om de cursus te komen geven. Maar daar zijn we niet voor. Om kinderen dan al als faalangstig te bestempelen en ze in een groep apart te zetten, werkt onnodig stigmatiserend. Het bijbrengen van zelfvertrouwen hoort in de klas thuis, vinden wij. Het is een taak van de leerkracht om daar in de groep aandacht aan te besteden. In het voortgezet onderwijs daarentegen hebben leerlingen soms wel tien docenten, hun mentor zien ze maar een paar uur per week. Daar heeft een aparte groep wel zin.’

Bestaat er ook zoiets als positieve faalangst?

‘Nee,’ zegt Cinthia Verresen gedecideerd. ‘Wel een gezonde spanning of stress die nodig kan zijn om jezelf op te laden als je een bijzondere prestatie moet leveren, zoals de toneelspeler die elke keer weer plankenkoorts heeft of de schrijver die voor een leeg vel zit. Maar dat beïnvloedt de prestatie niet in negatieve zin. Terwijl faalangst echt mindere prestaties tot gevolg heeft. Bovendien gaat het om heel nare gevoelens, die je zelfvertrouwen behoorlijk ondermijnen. Er is echt niets positiefs aan.’

Top vijf van rillers*:

  1. Een mondelinge beurt/?voor het bord moeten komen
  2. Een slecht punt terugkrijgen
  3. (Vlak) voor een proefwerk
  4. Spreekbeurt
  5. Blijven zitten

* uit de Sidderkuur

Wanneer zorgen maken?

Gevoelens van faalangst horen bij het leven, we hebben er allemaal in meer of mindere mate last van. Maak er geen drama van. Je moet je als ouder pas zorgen gaan maken over de faalangstige gevoelens van je kind, als:

  • deze herhaaldelijk leiden tot onderpresteren of geblokkeerd raken;
  • het tot sterk vermijdingsgedrag leidt, je kind er alles aan doet om de bewuste situaties uit de weg te gaan;
  • je kind er zelf veel problemen mee heeft: elke dag met buik- of hoofdpijn naar school gaat, er slapeloze nachten van heeft.

Wat te doen?

Echte faalangst is een hardnekkig probleem en kan het beste met hulp aangepakt worden. Er zijn inmiddels overal in het land trainingen voor ontwikkeld, onder de naam faalangst­trainingen, Ret-cursussen (Rationeel-Emotieve Therapie), zelfmeesterschap, zelfver­trouwen. Informeer bij de school, de schoolbegeleidingsdienst of de Riagg in de buurt.

Hoewel deze curssussen onderling verschillen, hebben ze een aantal dingen gemeen: ze vinden in een groep plaats, er worden situaties geoefend die faalangst oproepen en ontspannings- en ademhalings­oefeningen gedaan, er is aandacht voor het vergroten van het zelf­ver­trouwen en het je leren uiten.

Voor leerlingen in het voortgezet onderwijs is er door het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum in Amersfoort de zogenaamde Sidderkuur ontwikkeld. Het is een vrij onorthodoxe methode, waarbij gewerkt wordt met ‘rillers’, ‘peppers’ en ‘relaxers’. Voor meer informatie hierover: CPS, Loes Meijerink, tel. 033-453 42 73.

Wat kun je als ouder doen?

  • Blijf altijd de persoon zien, het kind is meer dan z’n faalangst. *Maak het niet te zwaar of beladen.
  • Wees niet overbeschermend of neem $apos;m alles uit handen, dat werkt alleen maar versterkend.
  • Laat zien dat je achter ‘m staat, zeg niet te snel: dat kan jij niet, dat durf je niet of daar ben je te onzeker voor (ook niet in telefoon­gesprekken in bijzijn van het kind, want het pikt die negatieve boodschappen haarfijn op).
  • Stimuleer het kind zelf dingen te ondernemen die het moeilijk vindt (bijv. zelf een vriendje opbellen). Laat het zelf kleine overwinninkjes behalen, desnoods na wat tips of een duwtje in de rug ( geef bijv. advies hoe het een spreekbeurt aan kan pakken).
  • Geef geen onuitvoerbare bood­schappen: wees spontaan, perfect, flink (niemand is altijd flink, spontaan kun je niet op bevel zijn).
  • Leer het dat fouten maken niet zo erg is. Geef daarin vooral zelf het goede voorbeeld. Zeg ook eens waar je zelf moeite mee hebt, geef toe dat het leren van sommige nieuwe dingen je minder goed afgaat. Vertel over dingen die jij ooit ?eng vond maar je uiteindelijk ?toch gelukt zijn.
  • Voorkom dat je kind teveel vermijdingsgedrag ontwikkelt; laat het onder jouw begeleiding de moeilijke situatie aangaan (vind het zwemles eng, ga dan veel samen voor de lol zwemmen).
  • Benoem expliciet waar je kind goed in is of plezier in heeft. Wees daarin wel realistisch (zeg niet tegen een kind dat de grootste moeite met spelling heeft en een brief vol fouten schrijft dat die brief zo goed geschreven is. ?Het weet zelf echt wel beter).
  • Prijs je kind niet bovenmatig en vooral niet voor eigenschappen waar het zelf niets aan kan doen (mooi, slim). Prijs eerder z’n doorzettingsvermogen, inspanningen of gedrag. Neem een rustpunt in de dag om met je kind over z’n gevoelens te praten.

Wat kan de leerkracht doen?

  • Niet alle aandacht op de fouten richten, maar vooral ook benoe­men wat een kind bij een opdracht of werkje goed heeft gedaan.
  • Niet zonder enige uitleg het rode potlood hanteren of demonstratief een bladzijde uit een schrift scheuren, omdat het broddelwerk zou zijn (dat gebeurt nog steeds!).
  • Het teruggeven van werk aangrijpen om met het kind te evalueren hoe het gaat (‘ik zie dat je dat niet goed hebt begrepen, dat heeft de komende tijd nog extra aandacht nodig’)
  • Een aanmoedigende houding plus vertrouwen hebben in het kind (een kind pikt negatieve verwachtingen feilloos op).
Reageer op artikel:
De angst om af te gaan
Sluiten