De kracht van humor in de opvoeding

Natuurlijk willen we zo goed mogelijk opvoeden. We pakken het dus serieus aan. Maar de kunst is om dat te kunnen relativeren. Inderdaad, een goed gesprek op z’n tijd zet zoden aan de dijk, maar juist de onverwachte geintjes tussendoor zorgen voor de fijne jeugdherinneringen. En daar doen we het toch óók voor. Over de essentie van de kwinkslag.

Iedereen kent ze waarschijnlijk. Die zeldzame ouders, leerkrachten of sporttrainers die de gave van humor bezitten. Het zijn vaak volwassenen in wiens buurt kinderen graag vertoeven, aan wiens lippen ze hangen. Ze weten kinderen niet zozeer door strengheid of verbieden in het gareel te krijgen, maar meer door een speelse aanpak en zo nu en dan een grapje. Al hoeft het een het ander niet uit te sluiten, wie humor kan inzetten in de opvoeding of voor de klas heeft vaak al heel wat gewonnen. Humor werkt, maar is moeilijk te benoemen. Waar het ’m nu precies in zit, is lang niet altijd aan te geven. Want humor heeft ook met de context te maken: een blik, de toon, de timing – die komt héél nauw – de ander(en), de stemming die er heerst. Is de sfeer bijvoorbeeld om te snijden, dan kan een goed getimede geestige opmerking de lucht klaren.

Ouders die bekend staan om hun humor en die gevraagd werd wanneer ze die nu precies inzetten in de opvoeding, bleken nauwelijks voorbeelden te kunnen geven van geslaagde humoristische interacties. Want als je het uit de context haalt, zo luidt hun commentaar, lijkt het vaak flauw of misplaatst. Wel weten ze aan te geven waaróm het werkt. Jos Hurkens, vader van Bas: ‘Het is niet beredeneerd. Het komt er ter plekke uit, puur en direct. Omdat het communicatie van hart tot hart is, komt het zonder omwegen binnen. Je bereikt de ander ermee in z’n ziel. Bas en ik hebben dezelfde droge humor en ik denk dat dat onze band versterkt. Ik heb weleens de indruk dat ik met humor meer bereik dan met alle serieuze gesprekken die we voeren.’

Ook Margriet Fennema, moeder van twee dochters, is die mening toegedaan: ‘Als je bij een conflict humor gebruikt, haal je de angel eruit en krijg je een kind aan jouw kant. Maar je moet er op zo’n moment maar net opkomen. Je kunt het niet bedenken. Volgens mij werkt het ook beter dan streng zijn. Een absolute voorwaarde is wel dat je er allebei om kunt lachen. Is het alleen voor de ouder leuk, dan gaat het ten koste van je kind en heeft het een averechts effect.’

Met dat laatste is Emmeliek Boost, pedagoge bij een bureau voor opvoedingsondersteuning, het hartgrondig eens. ‘Als er maar één lol heeft, zit je fout! Er is pas sprake van humor als het aanslaat bij je kind en je op dezelfde golflengte zit, zodat je er beiden om kunt lachen. Als je cynisch bent, de ander voor gek zet of het kind steeds het onderspit delft en geen weerwoord heeft, is het géén humor. Dat soort grappen zijn alleen maar schadelijk.’

Maar wat is humor dan wel? Humor betekent een onverwachte draai aan iets geven, de ander op het verkeerde been zetten, de boel eens omdraaien. Het betekent relativeren, een beetje afstand nemen van de dingen, je eigen belangrijkheid op losse schroeven zetten. Zaken met elkaar verbinden die op het eerste gezicht tegenstrijdig lijken, waardoor er een nieuw gezichtspunt of ander gedrag kan ontstaan. Door humor neemt het verstand even vrijaf, waardoor de boodschap kan doordringen in het onbewuste. En ook niet onbelangrijk: lachen geeft een gevoel van welbehagen en plezier. Hierdoor verdwijnt de weerstand. Juist dat laatste kan bij opvoedkundige kwesties de nodige winst opleveren. Wat elkaar in elk geval slecht verdraagt, is machtsstrijd en humor. Ouders die macht belangrijk vinden of vaak de strijd aangaan met hun kinderen zijn niet degenen die snel grapjes zullen maken.

Geestige alternatieven

Over humor in relatie tot de opvoeding is nauwelijks iets geschreven. Blijkbaar is het geen voor de hand liggende combinatie – of pedagogen weten niet hoe ze het ouders moeten aanbevelen. Iemand die in haar werk met kinderen wel de nodige aandacht voor humor heeft, is Henriette Mol. Zij is orthopedagoge en speltherapeute en werkt als NLP-trainer. NLP (Neuro Linguïstisch Programmeren) is een trainingsvorm die veel gebruik maakt van verrassingseffecten, de zaken op z’n kop zetten. Mol geeft een paar voorbeelden hoe je in het dagelijks leven humor kunt inzetten. ‘Je kind is lekker aan het spelen en moet aan tafel komen. Je kunt het herhaaldelijk vragen of er een machtsstrijd van maken, maar dan zit daarna niemand echt prettig aan tafel. Je kunt ook door een grappige opmerking of woordspeling de aandacht van je kind proberen te vangen. Je kunt bijvoorbeeld vragen: wil je een boterham met pindakaas of kindapaas, met peperkoek of poepercake? Dat werkt geheid. Je trekt ze uit hun spel, hebt meteen hun aandacht. Bovendien train je ook nog eens hun woordgevoeligheid. Andere mogelijkheden zijn: iets een stemmetje geven, typetjes of accenten gebruiken. Je kind zit bijvoorbeeld voortdurend te wippen op z’n stoel. Je hebt al honderd keer gezegd dat hij ermee moet ophouden, maar dat doet hij niet. Opeens praat je alsof je die stoel bent. “Iehh-aahh-iehh, ik voel me misselijk van al dat gedraai, oh, ik val dadelijk om.” Of je komt na een drukke dag thuis. De kinderen hebben er een bende van gemaakt. Dan kun je gaan mopperen: ik kan ook nooit eens weggaan, jullie maken er altijd een rotzooi van. Maar je kunt ook als een robot gaan praten: “W-a-a-a-t e-e-e-n t-r-oe-oe-p i-s h-e-e-t h-ie-ie-r.” Of als een cowboy, met een zware zwoele mannenstem: “Hi guys, you ?better clean this up before dinner, or there are going to be big troubles.” Door het net iets anders te doen pak je de aandacht, en de sfeer is natuurlijk meer ontspannen dan als je gaat bakkeleien.’

Ook kun je overdrijven, dingen of gezegdes letterlijk nemen. Henriette Mol: ‘Zeg bijvoorbeeld tegen een kind dat niet mee naar buiten wil, omdat het zo hard regent: “Ja inderdaad, het regent pijpenstelen. Kijk maar, de stelen van de pijpen komen uit de lucht vallen.” Dan raakt het gefascineerd en gaat het als vanzelf mee. Bij een kind dat zich altijd tekort gedaan voelt en tijdens de verdeling van het toetje voorspelt dat hij “zeker weer minder krijgt”, kun je opeens z’n bakje tot de rand toe volschenken. Pak er desnoods nog een paar bakjes bij en meldt dat hij vandaag víer porties krijgt. Als het van de verbazing bekomen is, kun je vervolgens met een knipoog zeggen: “En nu geen flauwekul meer dat je te weinig krijgt.” Zo doorbreek je een bepaald patroon. Ze moeten lachen en het is klaar.’

Anne van der Voort, moeder van Sietske, hanteert dezelfde methodes. ‘Als ik merk dat een bepaalde aanpak geen resultaat heeft, draai ik de boel weleens om. Dat heeft vaak een verrassende uitwerking. Zo kon mijn dochter een tijdje heel moeilijk in slaap komen. Ze kwam om de haverklap naar beneden en zei dan: “Mama, ik kan niet slapen en dan ben ik morgen helemaal niet fris op school.”

Over dat laatste maakte ze zich erg druk. En dat maakt het inslapen alleen maar moeilijker. Bovendien had ik al van alles aangedragen om haar te helpen, maar dat richtte niets uit. Op een gegeven moment bedacht ik een uitdaging. Ik zei tegen haar: “Vannacht moet je de hele nacht wakker blijven, dat lukt je vast niet.” Door zich dáárop te richten, zou ze zich minder fixeren op het in slaap moeten vallen. Dat vond ze wel een leuk idee. En inderdaad, ze sliep toen binnen een half uur.

Hetzelfde heb ik ook weleens gedaan met eten. Ze zat een paar avonden achter elkaar met een heel verveeld gezicht aan tafel en maakte opmerkingen als “Wat eten we nu weer” en “Ik wil niet eten.” Toen pakte ik opeens haar bord en bestek op en zei: “Goed idee, vandaag krijg je helemaal niets te eten.” Dát viel haar effe leuk mee.’

Natuurlijk kun je dit soort dingen maar heel af en toe doen, anders is het verrassingseffect weg en wordt het een trucje. En voor trucjes zijn kinderen over het algemeen allergisch.

Humor breekt de spanning

De vraag of dit soort humor ook bij de kleintjes werkt, of alleen is voorbehouden aan wat oudere kinderen, die al onderscheid kunnen maken tussen spel en realiteit, wordt door pedagoge Emmeliek Boost gedecideerd beantwoord. ‘Humor kan op alle leeftijden. Juist bij onwillige peuters en kleuters, die in de koppigheidsfase zijn, kun je er je voordeel mee doen. Denk maar aan het potje dat een peuter op z’n hoofd zet, zoals je in veel boekjes ziet, om de spanning van de zindelijkheidstraining eraf te halen. Een grapje of gek gedrag werkt vaak beter dan dat ouders zich hardnekkig aan de regels houden. Humor is een ontladende strategie. Je kind kan om dat wat hem eerder dwarszat lachen en gaat gemakkelijker in jouw stroom mee.’

Ook bij meningsverschillen kan humor een goede spanningsbreker zijn. Henriëtte Mol: ‘Als je ergens op vastloopt, heb je vaak weinig ruimte. Je bent gefixeerd op het probleem. Door humor krijg je speelruimte.’ Spontane humor is vaak, zoals de geciteerde ouders ook al zeiden, een onbewuste reactie en daardoor niet gemakkelijk eigen te maken. Iemand heeft die ‘coping’strategie of niet – en vaak komt dat omdat de eigen ouder ook humor gebruikte.

Toch zijn er verschillende vaardigheden die ouders hierbij op weg kunnen helpen. Namelijk door te relativeren, de eigen reacties eens onder de loep te nemen, oog te hebben voor tegenstrijdigheden of de zaak vanuit een andere hoek te bekijken. Bijvoorbeeld door de ogen van een kind, die de wereld meer in beelden ziet dan vanuit een logische beredenering. Neem die beelden eens letterlijk! Maak gebruik van woordgrapjes en woordspelingen. En vooral: doe eens iets onverwachts. Dat doet ijs en harten smelten. Want humor is ook een mentaliteitskwestie. Het lef om ernst en geremdheid te laten varen, om opvoedingsidealen en jezelf te durven relativeren.

Reageer op artikel:
De kracht van humor in de opvoeding
Sluiten