De schoolarts

redactie 21 jun 2018 Beestjes

Achterlijkheid, nerveusheid of ‘last van slechte gewoonten’ zoals vloeken, stelen en neuspeuteren; zomaar een paar diagnoses die de schoolarts honderd jaar geleden regelmatig stelde. Tegenwoordig volgt hij nauwlettend de lichamelijke ontwikkelingen signaleert daarnaast steeds vaker psychosociale problemen.

Nu ik hier toch ben, wil ik eigenlijk eens vragen of het raar is dat mijn zoon nog in bed plast, hij is al 5!’ Als ouders voor het eerst met hun kind bij de schoolarts komen, hebben ze vaak allerlei vragen. Over kleine kwaaltjes waarvan ze het niet nodig vinden om ermee naar de huisarts te gaan. ‘Het goede van de jeugdgezondheidszorg is dat het laagdrempelig is en actief wordt aangeboden,’ zegt schoolarts Els Jonker. Jonker zit deze maand vijfentwintig jaar in het vak en is daarmee in de voetsporen van haar vader getreden, die óók vijfentwintig jaar schoolarts was. In Deventer bezoekt ze jaarlijks dertien scholen; ze voelt zich een marskramer van de jeugdgezondheid die met adviezen van school naar school trekt.

Jonker ziet kinderen als ze 5, 11 en 14 jaar zijn op haar spreekuur, en als de ontwikkeling niet volgens plan verloopt, in sommige gevallen ook in groep 4. Ze kijkt naar groei, gehoor, zicht, motoriek en de algemene gezondheid van het kind. Het is de taak van de schoolarts om dingen op te sporen die de ouders en leerkrachten niet zien.

Jonker: ‘Soms moet je als schoolarts slecht nieuws brengen. Als een moeder bijvoorbeeld over haar dochter zegt dat ze wat ondeugend is en niet goed luistert, kan het zijn dat wij ontdekken dat ze slechthorend is. Dat komt vaak voor bij jonge kinderen. En bij controles in groep 4 komen vaak andersoortige problemen aan het licht. Een kind dat moeilijk vriendjes maakt bijvoorbeeld, of moeite heeft met leren. Veel vaker dan vroeger worden kinderen veel te vroeg geboren of hebben ze een moeilijke geboorte overleefd. Dat merk je dan vooral aan hun sociale en cognitieve vaardigheden.’

Toen de vader van Els Jonker in 1960 als schoolarts begon, zag hij kinderen ieder jaar tot hun zestiende en maakte hij zich over heel andere dingen zorgen. Jongens van de ambachtsschool lieten bijvoorbeeld al hun tanden trekken, om zo een bezoek aan de nogal brute ziekenfondstandarts te vermijden. In de jaren ’70 werd kindermishandeling en verwaarlozing bespreekbaar, en was er de opkomst van de eerste vertrouwensartsen. Natuurlijk was het al langer bekend dat sommige ouders hun kind sloegen, maar niemand bemoeide zich daarmee. Kort gezegd kwam er meer aandacht voor de rechten van het kind.Toch is wat er thuis achter de voordeur speelt, nog altijd heilig.

Doorvragen moet dan ook, wanneer de schoolarts een kind op het spreekuur krijgt dat duidelijk iets onder de leden heeft. Jonker: ‘Meestal is er dan meer aan de hand. Anders waren de ouders er immers wel mee naar de huisarts gegaan. Soms zijn er financiële problemen, of heeft het gezin geen ziektekostenverzekering. En in andere gevallen hebben de ouders zelf psychische problemen waardoor ze minder oog hebben voor het welzijn van hun kinderen. Wij vragen altijd expliciet naar dat soort dingen, ook naar huiselijk geweld, om ouders de ruimte te geven daarover te praten. Vaak willen ze dat namelijk heel graag.’

Jonker en haar collega’s merken dat het nog altijd moeilijk is voor ouders om doorverwezen te worden naar de hulpverlening. ‘Dat voelt toch als falen. Maar het is wel een taak van de schoolarts om daarbij te helpen.’

Achterlijke kinderen

De schoolarts en de Jeugdgezondheidszorg hebben niet altijd dezelfde positie gehad in de maatschappij. Lange tijd bestond er amper jeugdgezondheidszorg en lag alle verantwoordelijkheid bij de ouders. De Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) ontstond bij de invoering van de leerplichtwet in 1902 als Schoolgezondheidszorg. Dat was ook wel nodig, aangezien scholen amper werden schoongemaakt. Bovendien werd er in de winter met stoven gestookt, waardoor veel kinderen ziek werden. Vooral op scholen voor arme leerlingen staken kinderen elkaar aan met schimmelinfecties, parasieten en besmettelijke ziektes. De in die tijd veel gebruikte uitdrukking “Hij moet de schoolziektes nog doormaken”, spreekt boekdelen.

De gemeentelijke gezondheidsdienst verrichtte periodiek onderzoek onder kinderen vanaf het moment dat ze onder de leerplichtwet vielen tot aan hun volwassenheid. Het was toen het belangrijkste middel om de lichamelijke gezondheid van kinderen te bevorderen en te beschermen.

In 1904 werd in Haarlem de eerste schoolarts aangesteld. In datzelfde jaar constateerden leerkrachten in Utrecht bij hun vijfduizend leerlingen onder meer de volgende kwalen:
• Achterlijkheid 294 kinderen
• Nerveusheid 231 kinderen
• Bijziendheid 199 kinderen
• Doofheid 116 kinderen
• Huid- en haarziekten 84 kinderen
• Slechte gewoontes zoals vloeken, stelen en neuspeuteren 81 kinderen
• Oogafwijkingen 52 kinderen
• Kromming van de wervelkolom 24 kinderen
• Verziendheid 8 kinderen
• Niet gespecificeerde infectieziekten 6 kinderen

Meest voorkomende problemen

Anno 2004 hebben de GG&GD’s in Nederland geen eenduidig registratiesysteem. Wel hebben ze een vermoeden welke problemen per leeftijdsgroep het meeste voorkomen.

Kleuters:
• Oorontsteking en een verminderd gehoor
• Lui oog
• Chronische obstipatie en buikpijn, bedplassen
• Overgewicht
• Druk gedrag

Groep zeven:
• Bijziend
• Zijwaardse kromming van de wervelkolom
• Leer- en gedragsproblemen
• Overgewicht

Aan het begin van de vorige eeuw vertoonde 20 procent van de kinderen lichamelijke en geestelijke afwijkingen die zo duidelijk aanwezig waren, dat de leerkrachten ze opmerkten. Toch was van de 294 zogenaamd achterlijke kinderen een onbekend aantal feitelijk alleen wat traag. Anderen bleven achter bij de lesstof omdat ze niet goed konden zien wat er op het schoolbord werd geschreven, of omdat ze last hadden van hardhorendheid. Ook kinderen die voor- of na schooltijd zo veel moesten werken dat ze in de klas in slaap vielen, waren zogenaamd achterlijk.

Honger was in het begin van de vorige eeuw een andere reden waardoor veel kinderen hun aandacht niet goed bij de les konden houden. Een schoolarts schreef in 1904:

“Wie voelt niet het diepste medelijden met die armen kleinen, die, waar honger in hunnen ingewanden wroet, niet in staat zijn de klassen te volgen, doch lusteloos, met doffe oogen, ingevallen bleeke wangen, slechts half het gesproken woord verstaan of zelfs indutten onder de les?”

Inmiddels is er in Nederland waarschijnlijk geen kind meer te vinden dat op school in slaap valt omdat het honger heeft. Wel arriveren er steeds meer leerlingen ’s morgens in de klas zonder ontbeten te hebben, maar dat wordt in de pauze meestal ruimschoots ‘goedgemaakt’ met vette en zoete tussendoortjes. Omdat kinderen bovendien steeds minder bewegen en over het algemeen meer snacken en minder groente en fruit eten, resulteert dat in een groeiend aantal dikke kinderen. Volgens Els Jonker en haar collega’s is de epidemie van dikke kinderen voorlopig nog niet voorbij. Ze denkt dat dit een van de grootste bedreigingen vormt voor de gezondheid van onze jeugd. Het is een van de taken van de schoolarts om daar iets aan te doen.

Nieuwe verwaarlozing

Al na de Tweede Wereldoorlog verschoof het zwaartepunt voor de schoolartsen van het voorkomen en bestrijden van infectieziekten naar het bevorderen van het lichamelijke, geestelijke en maatschappelijke welzijn van kinderen. Met de komst van het rijksvaccinatieprogramma kwamen difterie, kinkhoest, tetanus en kinderverlamming bijna niet meer voor of hadden ze niet meer zulke ernstige gevolgen. De schoolarts kreeg zijn eigen opleiding, werd officieel jeugdarts genoemd en specialiseerde zich in gezonde kinderen en factoren die de gezondheid bedreigen.

Ook geeft de schoolarts sinds tientallen jaren seksuele voorlichting als blijkt dat kinderen dat thuis of in de klas niet krijgen. Het lijkt misschien onwaarschijnlijk, maar Jonker komt nog steeds meiden tegen – veelal allochtoon – voor wie de eerste menstruatie een complete verrassing is. De schoolarts bemoeit zich steeds meer met gezinsaangelegenheden, omdat die nu eenmaal veel invloed hebben op de gezondheid. Jonker: ‘Wat ik steeds vaker zie, zijn hoogopgeleide en drukke ouders die hun leven niet veranderen op het moment dat ze kinderen krijgen. Vaak werken ze allebei buiten de woonplaats en hebben ze verantwoordelijke banen met de nodige stress. Als ze thuiskomen zijn ze moe en gaan ze bijvoorbeeld pas om een uur of zeven eten. Voor kleine kinderen is dat veel te laat, waardoor ze vaak hangerig en moe zijn en helemáál niet meer willen eten. Bovendien worden de kinderen naast hun ouders door leerkrachten, begeleiders van de naschoolse opvang en overblijfouders opgevoed in steeds wisselende groepen. In het weekend gaat het drukke programma meestal gewoon door in de vorm van familie- of museumbezoek en andere uitstapjes.’

Jonker ziet vaak vermoeide kinderen op haar spreekuur. Ze kaart dat bij de ouders aan en vraagt of ze niet denken dat hun kind rust tekort komt. Dat is natuurlijk moeilijk om direct toe te geven, maar meestal hoort ze wel dat de ouders later bij de leerkracht informeren wat die ervan denkt.

Vijfentwintig jaar geleden zag Jonker dit soort gebrek aan aandacht voor kinderen overigens ook wel eens, maar dan was de situatie uit nood geboren. Het betrof vaak middenstandsgezinnen die het hoofd maar net boven water konden houden en weinig tijd voor de kinderen vrij konden maken. De ‘nieuwe verwaarlozing’ zoals Jonker het noemt, is bijna altijd een luxeprobleem.

Nog steeds luizen

Ze heeft een prachtberoep, vindt Els Jonker, omdat ze een inkijkje krijgt in allerlei soorten gezinnen. Helaas zie je daardoor ook veel leed. Jonker: ‘Er wordt vaak gesuggereerd dat het wel goed gaat met de kinderen in Nederland, maar zo zonnig zie ik het niet. Als het er op aankomt, willen mensen liever een parkeerplaats voor de deur dan een speelplaats. Met als gevolg dat kinderen bijna nergens meer kunnen spelen en nog meer voor de tv gaan hangen. Dan zijn er nog een miljoen kinderen die opgroeien bij ouders met psychische- of verslavingsproblemen, wat een enorme impact heeft. De landelijke politiek en ook gemeenten letten meestal alleen op de kinderen die overlast bezorgen en niet op de kinderen die zich in stilte terugtrekken. Dat baart me zorgen. Er zijn tachtigduizend gevallen van kindermishandeling per jaar bekend, maar ik ben bang dat het er nog zoveel meer zijn.

Bovendien zijn er jaarlijks ook nog eens 32.000 kinderen van wie de ouders gaan scheiden. Die ouders overschatten soms wat hun kind aan kan, en willen dat hun kroost hun nieuwe partner vrijwel direct papa of mama noemt. Als ik dat tegenkom, probeer ik dat niet te veroordelen, maar laat ik wel zien waarom zoiets heel moeilijk is voor kinderen.’

Wat in een eeuw schoolarts niet veranderd is, is de luizenepidemie. Vroeger werden kinderen met hoofdluis kaalgeschoren en mochten ze tijdelijk niet op school komen. Schoolverpleegkundigen die de schoolarts hielpen in de strijd tegen de luizen, kregen vaak te maken met onbegrip, verzet en onkunde. In 1924 vroeg er zelfs iemand aan de directeur van de GG&GD of hij een een doosje luizen kon krijgen. De kwaal moest met de kwaal genezen worden, was de motivatie.

Jonker denkt dat we nog lang niet van de hoofdluis af zijn, maar hoopt wel dat het stigma dat zoiets veroorzaakt wordt door een gebrek aan hygiëne, langzaam zal verdwijnen.

Reageer op artikel:
De schoolarts
Sluiten