Dyslexie: Meer aandagt graach!

redactie 19 jun 2018 Dyslexie

Ouders van kinderen met dyslexie lopen heel wat frustraties op in het onderwijs. ‘Eigenlijk is er niks veranderd sinds mijn schooltijd,’ zegt een moeder die zelf ook dyslectisch is. De Weer-Samen-Naar-Schoolgelden zouden uitkomst bieden, beloofde de politiek in 1992. De praktijk blijkt anders.

De diagnose dyslexie stellen scholen vaak wel, maar structureel handelen zit er niet in. Als de wil er is, is het geld er niet. Om moedeloos van te worden, zo ervaren ouders hun contacten met de school en leerkrachten van hun dyslectische kinderen. Ze sommen op: een gebrek aan kennis, onbegrip en ontkenning, een leraar die rustig zegt: ‘Aan die onzin doe ik niet’, en een tekort aan remedial teachers. Bovendien worden de remedial teachers die er zijn steeds vaker voor de klas gezet, omdat er geen andere vervanging is voor zieke leerkrachten. Dan een schoolleiding die onvoldoende know-how heeft, maar ook niet gediend is van professionele bemoeienis van buitenaf en een slechte overdracht door leerkrachten, dus ieder jaar weer opnieuw aan de juf of meester moeten uitleggen dat jouw kind toch echt dyslexie heeft.

Marian Spinhoven, moeder van een dyslectische zoon: ‘In het leerlingvolgsysteem zit al ruim drie jaar een dyslexieverklaring, gebaseerd op het onderzoek dat wij bij ons kind hebben laten doen. En dan nog zegt de leerkracht van groep 7 bij de eerste bespreking: “Is uw zoon wel dyslectisch, want het lezen gaat toch best wel goed?” Ja, maar het spellen daarentegen helemaal niet. Bovendien krijgt hij elke week buiten school bijles voor z’n dyslexie. Die gegevens liggen er toch niet voor niets! Dat zijn dure onderzoeken geweest, die we nota bene zelf hebben betaald en waarvan we de resultaten uitgebreid hebben besproken met het hoofd van de school en de toenmalige remedial teacher. Nu is er een ander en moet je weer helemaal opnieuw beginnen. Het zijn dit soort dingen die me moedeloos maken. Je moet elke keer weer zelf de aandacht vragen voor er überhaupt iets mee gedaan wordt. Dat is om gek van te worden. En je ziet ze denken: daar heb je die moeder weer. Maar het trieste is dat als jij niets doet, er niets gebeurt. Dyslexie is een heel hardnekkig leerprobleem, dat niet overgaat en juist op school veel extra aandacht behoeft. Als ouder weet je hoeveel extra moeite het je kind kost om het bij te kunnen benen, zeker in een onderwijs dat steeds taliger wordt. Op school lijken ze dat helaas niet te weten. Na het laatste tienminutengesprek ging ik weer huilend op de fiets naar huis. Uit onmacht en frustratie. Dat voelt je kind ook. Het doet pijn om te zien dat daar zo achteloos mee wordt omgegaan. Vaak niet eens uit onwil, want sommige leerkrachten hebben de beste bedoelingen. Maar er is gewoon geen adequate aandacht voor.’

Tussen wal en schip

Mirjam Hilgers, moeder van twee dyslectische kinderen, waarvan eentje inmiddels in het voortgezet onderwijs, kent de bezwaren. ‘Het begint al als je het wilt aankaarten. Omdat ik zelf dyslectisch ben en de kans dus groot is dat je kinderen het ook zijn, heb ik de school gevraagd er extra op te letten. Als je oudste kind dan achterblijft, heel slecht leest, veel spelfouten maakt, ongedurig wordt en thuis last krijgt van driftbuien, wordt het in eerste instantie toch gebagatelliseerd. Er zijn meer kinderen die achterlopen, wordt er gezegd. Ten lange leste schakel je zelf maar een orthopedagoog in. Toen deze inderdaad dyslexie constateerde, dit op school kwam uitleggen en toezegde de remedial teacher te zullen aansturen, kregen we trouwens wel goede medewerking.

Maar zo gauw er een verandering plaatsvindt – er komt een andere remedial teacher, een nieuwe directeur of nieuwe juf – kun je weer van voren af aan beginnen. Bij m’n jongste dochter vorig jaar ook weer. De remedial teacher verving maandenlang een zieke leerkracht, dus vervielen alle zorglessen. Het antwoord van school op mijn brief hierover was: “Wij kiezen voor de groep.” Vanuit hun standpunt wel begrijpelijk, maar onze kinderen zijn de dupe. Waar zijn al die assistenten en extra hulp gebleven die er zouden komen, toen het speciaal onderwijs gehalveerd werd en kinderen met leerproblemen naar de gewone basisschool moesten?

En het ergste is, ik weet uit eigen ervaring hoe belangrijk goede hulp is. Hoe je je daardoor eindelijk niet meer stom hoeft te voelen.’

Haar ervaring na al deze jaren is dat het merendeel van de leerkrachten denkt: wat moeilijk, wat lastig, dat kan ik helemaal niet, daar heb ik geen tijd voor. ‘En dat begrijp ik ook nog! Leerkrachten krijgen al ontzettend veel op hun bord. De kinderen die vroeger naar het speciaal onderwijs gingen, zitten nu allemaal bij hen in de klas. En daar is niets voor in de plaats gekomen, geen faciliteiten, geen extra mensen en geen voldoende bijscholing. Ook de leerkrachten die welwillend zijn, staan met hun rug tegen de muur.’

Marjan Spinhoven heeft ook begrip voor de overvolle agenda’s van leerkrachten, maar maakt zich desondanks toch kwaad. ‘Wat ik helemaal ergerlijk vind, is dat de kranten volstaan over het wegwerken van leerachterstanden. Dat heeft de hoogste prioriteit. Kinderen uit achterstandsgezinnen moeten al met tweeëneenhalf jaar aan een voorschoolse inhaalslag beginnen, maar voor kinderen met een erkend leerprobleem die in het onderwijs altijd moeite zullen blijven houden met taal, wordt niets structureels geregeld. Dyslectische kinderen worden niet eens genoemd.’

Barrières

Is de aandacht voor dyslexie op de basisschool al minimaal aanwezig, in het voortgezet onderwijs is het niet veel beter, alle fraaiklinkende beloftes in de folders ten spijt. Leerlingen krijgen soms een dyslexiepasje en mogen boven hun proefwerken een D zetten, zodat taalfouten niet worden meegerekend. Maar van een samenhangend beleid is geen sprake. En juist omdat leerlingen hier met veel meer leerkrachten te maken hebben, is dit wel nodig. Bovendien maakt het grote aantal docenten de communicatie ook moeilijker. Om die reden worden er op scholen voor het voortgezet onderwijs soms oudergroepen opgestart: ouders van dyslectische leerlingen bundelen hun krachten en wijzen de school gezamenlijk op wat deze zou moeten doen.

Een goede ontwikkeling, vindt lees- en taal­orthodidacticus Rinie Leunissen, die al bijna twintig jaar een praktijk heeft voor hulp aan dyslectische leerlingen, scholieren en studenten. ‘Ik heb er nog niet eerder van gehoord, maar juich het wel toe. Zeker voor de ouders zelf, want die voelen zich er vaak erg alleen voor staan. Ze zien niet alleen de inspanning en moeite die dyslexie hun kind kost, maar moeten het ook nog eens allemaal zelf regisseren omdat de scholen te weinig deskundigheid in huis hebben. Ik noem dat altijd het drama achter de coulissen: als ouders weet je hoe hard je kind moet werken om door die school heen te komen. Het loopt door z’n handicap tegen allerlei barrières aan en zet zich toch met een enorm doorzettingsvermogen in om de school te kunnen volgen die bij z’n intelligentie, persoonlijkheid en ambitie past. Maar dat wordt nauwelijks opgemerkt. Heeft je kind dagen voor een proefwerk geleerd, dan maakt een leraar bij een onvoldoende de opmerking: “Heb je weer niet geleerd?” Of het haalt een 6 en krijgt de nog dodelijker opmerking toegeworpen: “Als je wat beter had geleerd, had je tenminste een fatsoenlijk punt kunnen halen.” Dat is om door de grond te zakken. Voor kind en ouder.’ Het is ook een van de redenen waarom Leunissen leerlingen nooit individueel begeleidt, maar in groepjes. ‘Dan kunnen ze hun ervaringen met elkaar delen.’

Weinig verbetering

Ze heeft ze allemaal voorbij zien komen: kinderen die de papiertjes met moeilijke woorden uit hun broekzak frummelen, die in groep 8 nog steeds niet de meest simpele spellings- regels kunnen toepassen omdat op school niemand hun dyslexie onderkende, studenten die toch onmogelijk dyslectisch kunnen zijn omdat ze het anders niet zo ver hadden kunnen schoppen. Rinie Leunissen: ‘De kennis over dyslexie en over leerstoornissen in het algemeen is bedroevend, zowel op de basisschool als in het voortgezet onderwijs. Dat kan ook niet anders, want het vak leerstoornissen bestaat op de Pabo niet als een serieus vak. Er worden amper een paar dagdelen aan besteed. Terwijl dyslexie een omvangrijke taalstoornis is, die inzicht in de taalontwikkeling vereist. De kennis die er vroeger wel over was, bijvoorbeeld op de LOM-scholen, is niet meeverhuisd naar het reguliere onderwijs.’

Het grootste probleem voor dyslectische leerlingen zit volgens Leunissen echter in de huidige manier van onderwijs geven. ‘Het onderwijs is steeds minder bezig met z’n eigenlijke taak: onderwijs geven. Veel tijd gaat zitten in projecten zoals zelfstandig werken, toetsen en testen. En niet in het geven van instructie. Bij talen gaat het vooral over communicatie en vaardigheden – hoe zoek je iets op – en nog maar weinig over taalkennis. Terwijl dyslectici dat juist erg nodig hebben. Zij hebben behoefte aan instructie, herhaling, inzicht in de woordvormen.’ Voorlopig ziet Leunissen daar geen verandering in komen, zeker niet op de basisschool. ‘Er komen steeds meer onbevoegde leerkrachten voor de klas die nauwelijks didactische vaardigheden hebben. Terwijl je die echt nodig hebt, wil je het proces van dyslectische leerlingen kunnen begeleiden. Iets anders wat je ziet gebeuren en wat bepaald geen voordeel is, is dat de oplossing wordt gezocht in procedures. Leerlingen krijgen een dyslexieverklaring of een dyslexiepasje en mogen dan langer over hun proefwerk of toets doen. Dat is slechts een stoplap zolang er inhoudelijk niets gebeurt. Er zou niet meer tijd voor proefwerken moeten zijn, maar voor instructie.’

Bij Balans, de Landelijke Vereniging van Ouders van Kinderen met Ontwikkelings-, Gedrags- en Leerproblemen, kennen ze de klachten. Arga Paternotte: ‘Het is een van de dingen die we vaak horen. Dyslexie wordt te weinig erkend, er is een ontzettende achterstand in kennis en er is veel te weinig tijd. Leerkrachten staan onder zware druk, dus gaan ze terugschoppen: jullie willen allemaal dat je kind hoogbegaafd is. Zo werkt het altijd. Als er schaarste is, krijg je mot. Dat is jammer, want begrip kost niks en je zou samen moeten knokken om voor elkaar te krijgen dat er echt iets aan gedaan wordt. Toch worden er op dit moment wel enkele stappen in de goede richting gezet. Zo is er inmiddels een Dyslexieprotocol, een handleiding voor leerkrachten. Maar wel op vrijwillige basis, dus men hoeft er niet mee te werken. En op de Universiteit van Nijmegen is onlangs Dyslexpert ontwikkeld, een stappenplan op de computer dat leerkrachten kan helpen bij de signalering van dyslexie en de stappen die ze kunnen nemen. Dat is natuurlijk een prima initiatief, maar het gevaar is wel dat het alleen bij signalering blijft. Dat zie je nu ook al, dyslexie kan op veel plaatsen gediagnosticeerd worden, maar daarna blijft de dyslecticus over voor wie er geen voorzieningen zijn.’

Wat is dyslexie?

Dyslexie is een complex taalprobleem, een informatieverwerkingsstoornis in de hersenen, waardoor alles wat met het leren van taal te maken heeft moeizamer en trager gaat. Ook het korte termijngeheugen is vaak zwak. Het is een leerstoornis die voor 95 procent in de erfelijke lijn is bepaald en meer bij jongens voorkomt dan bij meisjes. In het begin van de basisschool heeft ongeveer 10 procent van de leerlingen moeite met lezen en schrijven. Ruim de helft daarvan raakt met wat extra aandacht en oefening of een betere taalmethode wel bijgespijkerd, maar zo’n 3 tot 5 procent blijft die problemen houden en hardnekkig fouten maken. Zij zijn de kinderen met dyslexie.

Dyslexie is in 1995 door de Gezondheidsraad als leerprobleem erkend. Tot op heden is er echter geen geld vrijgemaakt voor de behandeling. Het probleem wordt tussen de bordjes van gezondheidszorg en onderwijs heen en weer geschoven. Ook is dyslexie geen wegingsfactor voor de extra gelden die een school kan krijgen. Het gevolg: ouders draaien op voor de langdurige en vaak dure bijlessen, waar bovendien steeds vaker wachtlijsten voor bestaan.

Tips voor leerkrachten

  1. Geef geen onverwacht spellingsproefwerk.
  2. Pas de eisen ten aanzien van de spelling aan aan de mogelijkheden van het kind. Laat de rest over aan de spellingscontrole op de computer. Besteedt de overblijvende tijd aan meer inzicht geven in de woordvormen.
  3. Zet de leerlingen niet individueel aan de stencils, maar geef ze meer instructie.
  4. Onderstreep taalfouten niet met rood zonder er verder iets mee te doen, dat is zeer demotiverend. Alleen als deze worden aangegrepen voor extra uitleg, steekt een kind er iets van op.
  5. Heb meer oog voor het proces. Moedig ze aan in wat ze wel kunnen, benadruk wat ze al wel geleerd hebben. Accepteer dat ze een grens hebben.
  6. In het voortgezet onderwijs zou een dyslexiebeleid moeten komen dat gedragen wordt door alle leraren talen. Ook zullen zij moeten zoeken naar alternatieve vormen van tentaminering.

Meer informatie:

Stichting Balans: tel. 0900 202 00 65
Zie ook: www.dyslexie.pagina.nl
Om te lezen: Kinderen met dyslexie – een gids voor ouders, Tom Braams, Uitgeverij Boom, ISBN 9053523391;
Ik schreif faut – omgaan met dyslexie, een gids voor ouders, leerkrachten en hulpverleners – M. Ceyssens, uitgeverij Lannoo, ISBN 9020944517.

Reageer op artikel:
Dyslexie: Meer aandagt graach!
Sluiten