Faalangst? Dat heeft-ie van jou!

Er zijn tientallen trainingen en cursussen voor en op school zijn docenten alert. Maar dat ouders (mede) debet kunnen zijn aan het ontwikkelen van faalangst bij hun kinderen, is minder bekend. Hoe kun je dat voorkomen?

Crista (44) was als kind erg faalangstig op school. Haar dochter Sanne (14) lijkt daar nu ook last van te krijgen. Lars (12) is ontzettend bang dat hij geen goed cijfer voor wiskunde zal halen. Zozeer zelfs, dat hij bij een proefwerk helemaal blokkeert. Zijn vader heeft nooit gevoelens van faalangst gekend. Maar hij stelt wel hoge eisen aan de schoolprestaties van zijn zoon.

Is het toeval dat Sanne en Lars faalangst hebben? Of hebben we een grotere invloed op de mogelijke ontwikkeling van faalangst bij onze kinderen dan we denken?

Herkenning

Annemiek Laanen is counselor van de havo/vwo-klassen op het Oostvaarderscollege in Almere. Samen met een aantal collega’s organiseert ze trainingen voor leerlingen die last hebben van faalangst. ‘Onderdeel van een faalangsttraining op school is een avond waarbij de ouders meedoen. “Ik was vroeger precies zo,” hoor je dan. Of: “Was er maar zo’n training geweest toen ik jong was, dan was me een hoop ellende bespaard gebleven.” Volgens Laanen is er in de meeste gevallen sprake van minimaal één ouder die ook aan faalangst lijdt. ‘Doorgaans zijn het de moeders die het uitspreken. Maar daarmee is niet gezegd dat vaders geen faalangst kunnen hebben. Ik vermoed dat ze het moeilijker vinden om ermee voor de dag te komen.’

Aangeboren of aangeleerd?

Het ene kind is van nature banger dan het andere. Of zich vanuit die aangeboren aanleg ook faalangst ontwikkelt, hangt af van de omgeving. Negatieve ervaringen – zoals een mislukt proefwerk of een flauwe opmerking van een leraar – zijn van invloed. Maar ook de houding van ouders ten opzichte van de prestaties van hun kind speelt een belangrijke rol.

Een van de belangrijkste experts op het gebied van faalangst in Nederland is trainer/adviseur Ard Nieuwenbroek. Hij bevestigt dat faalangstige kinderen vaak ouders hebben die zelf aan faalangst lijden. ‘Hoe goed ouders ook hun best doen om het te verhullen, een kind pikt het altijd op als zijn vader of moeder zich ongemakkelijk voelt. Wanneer het kind vervolgens in een vergelijkbare situatie komt, zal hij het moeilijk vinden om zelfverzekerd op te treden. Zijn vader of moeder heeft immers laten zien dat er iets is om bang voor te zijn. Bovendien kan hij onbewust het idee krijgen dat hij hem of haar afvalt als hij het beter doet.’ Verborgen loyaliteit, noemt Nieuwenbroek dat. Het is een van de factoren die faalangst bij een kind kunnen veroorzaken.

Prestatiedwang

Maar er speelt meer mee. Zo oefenen sommige ouders veel druk uit op hun kinderen om te presteren. Volgens Laanen gebeurt dat vaak onbewust: ‘Ik spreek regelmatig ouders die zeggen dat hoge cijfers helemaal niet belangrijk zijn, zolang hun kind maar gelukkig is. Volgens hen is het dus helemaal niet nodig dat hij zich zo’n zorgen maakt. Maar door dat naar het kind uit te spreken, kan die het idee krijgen dat zijn gevoel raar is, of dat hij in hun ogen faalt. Zo oefenen ze tóch druk op hem uit om het beter te doen.’

Nogal wat kinderen moeten volgens Nieuwenbroek ‘goedmaken’ wat hun ouders niet gelukt is. Door betere cijfers te halen bijvoorbeeld, of door te gaan studeren. ‘Het klinkt misschien raar, maar sommige ouders leiden hun zelfbeeld af van de prestaties van hun kind. Is dat succesvol, dan zijn zij het ook. Op die manier proberen ze zich – dertig of veertig jaar later – alsnog te bewijzen naar hun eigen ouders. En naar hun omgeving, want wie wil er nu niet over zijn kind kunnen opscheppen?’

Complimenteren

Om zich emotioneel goed te kunnen ontwikkelen, is het voor een kind belangrijk te weten waar hij aan toe is. Dat geeft duidelijkheid en veiligheid. ‘Een kind wil weten wat hij van zijn ouders kan verwachten, en vooral ook wat zij van hem verwachten,’ vertelt Nieuwenbroek. ‘Dat wordt lastig als je hem veel onuitvoerbare opdrachten geeft, zoals “Doe je best” of “Wel flink zijn, hoor.” Want hoe weet een kind wanneer hij daaraan heeft voldaan?’

Evenzeer van invloed op het zelfvertrouwen is het aantal negatieve opmerkingen dat een kind te horen krijgt. ‘Er zijn gezinnen waar men voornamelijk naar elkaar uitspreekt wat niet goed gaat,’ zegt Nieuwenbroek. ‘Complimenten zul je daar weinig tegenkomen. Bij een rapport met allemaal hoge cijfers en één onvoldoende hoort een kind dan “Nu alleen die vijf nog…”’

In haast of uit frustratie roept iedereen wel eens wat onduidelijks of negatiefs tegen zijn kinderen. Lang niet allemaal hebben ze daar moeite mee. Maar als je kind last van faalangst krijgt, is het slim om na te gaan hoe vaak je dat doet. Nieuwenbroek: ‘Meestal komen ouders tot de ontdekking dat ze precies dezelfde opmerkingen maken als hun ouders vroeger. Het is een vanzelfsprekende vorm van communicatie geworden; ze weten als het ware niet beter. Maar door veel onuitvoerbare opdrachten te geven, of vooral het negatieve te benadrukken, krijgt een kind het gevoel dat zijn goede prestaties er niet toe doen en kan hij erg aan zichzelf gaan twijfelen.’

Alleen succes telt

Wat het er allemaal niet makkelijker op maakt, is dat we in een maatschappij leven waar mislukken al snel als een ramp wordt beschouwd. Veel faalangstige kinderen komen dan ook uit gezinnen waar alleen succes telt. ‘Tijd noch moeite worden gespaard om kinderen het beste uit zichzelf te laten halen,’ aldus Nieuwenbroek. ‘Uiteraard bedoelen ouders dat goed: ze zijn ervan overtuigd dat hun kind het waard is. Maar het legt wel een enorme druk op de gezinsleden. Er heerst als het ware een ongeschreven regel: mislukken mag niet.’

Laanen’s collega Jolijn Verhagen, councelor voor het vmbo, komt regelmatig ouders tegen die ervan overtuigd zijn dat hun kind onderpresteert en alles in het werk stellen om de resultaten op te krikken. ‘Dat speelt vooral in de rapportperiode. Natuurlijk is het begrijpelijk dat ouders zich zorgen maken en graag zien dat hun kinderen het goed doen op school. Maar wat ze zich niet realiseren is dat ze hun kind daarmee het gevoel geven dat het niet goed genoeg is. Soms ontstaat er een conflict tussen de ouders en de school, bijvoorbeeld over dat het kind niet goed begeleid zou worden. Dan krijgt zo’n kind het helemaal moeilijk. Uit loyaliteit zal hij altijd de kant van zijn ouders kiezen. Maar daarmee worden zijn schoolprestaties nóg meer beladen.’

Te veel hulp

Andersom kunnen ouders soms ook te veel aan hun kinderen geven. Dan is er sprake van het helperssyndroom. Verhagen: ‘Faalangstige ouders hebben wel eens moeite om hun kind dingen zelf te laten ontdekken. Ze zoeken bijvoorbeeld alle informatie voor een werkstuk bij elkaar. Of vertellen een kind precies hoe hij zijn huiswerk moet maken. Met als gevolg dat het kind niet leert hoe hij dat zelf moet doen.’

Zonder hulp redt niemand het om volwassen te worden. Maar met te véél hulp ook niet. Naarmate kinderen groter worden, verschuift de taak van de ouder van helpen (iets voor je kind of samen met hem doen) naar begeleiden (hem leren zijn eigen problemen op te lossen en de situatie zelf aan te kunnen). Dat is lang niet altijd makkelijk. Sommige ouders willen hun kinderen zo graag beschermen tegen mislukkingen, dat ze te veel taken overnemen. Goed bedoeld natuurlijk, maar het heeft als effect dat het kind zich hulpeloos voelt. Gebeurt het vaker, dan kan hij bij zichzelf gaan denken dat hij het leven zonder hulp van anderen kennelijk niet aankan.

Voedingsbodem

Uiteindelijk draait het allemaal om zelfvertrouwen, aldus Nieuwenbroek. ‘Ouders hebben het beste met hun kinderen voor. Maar om verschillende redenen geven ze hen soms onbedoeld het idee dat ze niet goed genoeg zijn. Het gebrek aan zelfvertrouwen dat dat tot gevolg heeft, is een belangrijke voedingsbodem voor het ontstaan van faalangst.’

Als je het zo beluistert, moet je als ouder wel heel erg op je tellen passen om je kind géén faalangst te bezorgen. Zo erg is het gelukkig ook weer niet, aldus Nieuwenbroek. ‘De meeste kinderen leren prima om te gaan met zaken als kritiek en druk van buitenaf. Bovendien hangt het ontstaan van faalangst van veel meer factoren af dan alleen het gedrag van de ouders. Maar mocht je kind er toch last van krijgen, dan is het goed je af te vragen of je daar zelf misschien een aandeel in hebt. Of positiever geformuleerd: wat je als ouder kunt doen om hem daarin te begeleiden. Faalangst hoort, net als andere angsten, namelijk gewoon bij het leven. Met de juiste vaardigheden kun je daar heel goed mee leren omgaan.’ l

Angst om te mislukken

  • Als de angst om te mislukken zo groot wordt dat het alles blokkeert, spreekt men van faalangst.
  • Er zijn drie soorten faalangst: cognitief (over leren op school), sociaal (over afgewezen of negatief beoordeeld worden door een groep) en motorisch (over het uitvoeren van lichamelijke handelingen).
  • Of iemand faalangst ontwikkelt, hangt onder meer af van zijn aanleg en van zijn omgeving.
  • Op de basisschool heeft ongeveer één op de twaalf kinderen last van faalangst, op de middelbare school is dat één op de tien.
  • Vooral de eerste maanden na de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs en de maanden voor het eindexamen zijn 'risicovolle' periodes voor het ontwikkelen van faalangst.
  • Uit onderzoek blijkt dat meisjes iets vaker faalangst hebben dan jongens en kinderen uit het westen van Nederland iets vaker dan uit het oosten.

Onuitvoerbare opdrachten

Onuitvoerbare opdrachten kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van onzekerheid en faalangst bij een kind. De belangrijkste op een rij:

  1. Doe je best!
    Omdat het resultaat van deze opdracht niet duidelijk is, kun je als kind ook niet nagaan of je daarin geslaagd bent of niet.
  2. Doe me een plezier!
    De achterliggende boodschap van deze opdracht is: je moet iedereen in je omgeving tevreden stellen. Helaas is dat niet mogelijk zonder jezelf volledig weg te cijferen.
  3. Flink zijn!
    Voor kinderen betekent deze opdracht: je moet gevoelens van angst, pijn of verdriet onderdrukken of verbergen.
  4. Schiet op!
    Kinderen die dit te vaak horen, gaan dingen vlug en oppervlakkig doen. In hun haast is de kans groot dat ze veel fouten gaan maken.
  5. Wees perfect!
    Sommige ouders zijn pas tevreden als alles – kleren, kamer, huiswerk et cetera – perfect is. Maar het is voor kinderen onmogelijk om in alle opzichten 'foutloos' te zijn.
  6. Wees toch spontaan!
    Het moeilijkste is om als kind opdrachten te krijgen die op zich tegenstrijdig zijn. Op bevel spontaan zijn gaat immers niet!

Uit: Faalangst en ouders van Ard Nieuwenbroek

Helpen voorkomen

  • Heb je als ouder zelf faalangst (gehad), bespreek dan hoe je ermee omgaat. Probeer het niet te verbergen, dat werkt averechts.
  • Heb je er nog steeds last van, stimuleer je kind dan een eigen manier te bedenken om met zijn faalangst om te gaan. Zo voorkom je dat hij zich machteloos gaat voelen. Zoek als het even kan ook zelf hulp, want niets werkt zo goed als een goed voorbeeld.
  • Neem geen (school)taken van je kinderen over, maar help ze het zelf te leren doen.
  • Af en toe mislukken mag! Sterker nog, het is nodig om te leren met tegenslagen om te gaan.
  • De mens is van nature geneigd vooral het negatieve te benadrukken. Zorg ervoor dat positieve resultaten óók aandacht krijgen.
  • Laat blijken dat je liefde en acceptatie niet van succes op school of in het sociale leven afhankelijk zijn.
  • Vermoed je dat je kind faalangst heeft, overleg dan met school. Veel scholen bieden leerlingen cursussen over hoe met faalangst om te gaan.
Reageer op artikel:
Faalangst? Dat heeft-ie van jou!
Sluiten