Meer blogs

redactie 21 jun 2018 Blogs

Mail van een oud-collega. Hij moest erg lachen om mijn vorige blog, over de zure druiven. En niet zozeer omdat hij mijn gevoelens herkende, maar vooral omdat hij zijn dochter herkende in mijn schrikbeeld.

Zijn dochter heeft namelijk een Gooise ‘r’ en een enorm grote mond. In een volle supermarkt scheldt ze hem uit voor ‘stomme loser’ als ze haar zin niet krijgt (wat met die ‘rrr’ natuurlijk klinkt als ‘loserj’). Verder doet zijn dochter zo’n beetje al die dingen die maken dat ik af en toe denk: blij dat mijn kind verstandelijk gehandicapt is.

Alleen is het zijne ook verstandelijk gehandicapt. Maar omdat zijn dochter ‘slechts’ een lichte verstandelijke beperking heeft, kun je niets aan haar zien. Dus als ze dan losgaat in het openbaar en haar ouders de huid vol scheldt, dan vinden de mensen daar wat van. En dan denken ze niet in stilte ‘gelukkig heb ik niet zo’n kind’, zoals ik wel eens doe. Nee, dan gaan ze er iets van zéggen. Dat oud-collega een verwend rotkind heeft, bijvoorbeeld, of dat hij naar een opvoedcursus moet.

Ja, hij heeft inmiddels eelt op zijn ziel, maar hij blijft het lastig vinden om zijn dochter mee te nemen naar openbare plekken. En dat is dus niet alleen omdat zij zich laat gaan, maar ook omdat daar altijd ‘meningmensen’ zijn.

Gelukkig heeft hij nog een zoon, schreef hij. Die is wel gewoon en keurig opgevoed. ‘Weten we voor onszelf dat we niet gek zijn,’ zette hij erbij. En dan: ‘Mocht je ooit weer een puber met een Gooise “r” een vader zien uitschelden, geef die vader dan maar een begrijpend en bemoedigend knikje!’

Ja, dat zal ik doen, zei ik tegen mezelf. Daarna bekroop me toch weer dat ‘gelukkig is mijn kind gehandicapt-gevoel’, maar dan in de ‘gelukkig is mijn kind heel erg gehandicapt’-variant: gelukkig is mijn kind zo gehandicapt dat je het aan haar kunt zien. Haar hele motoriek, haar mimiek ademt: ik ben anders en ik kan er niks aan doen. Daardoor blijven ongevraagde oordelen en adviezen mij godzijdank bespaard.

Ik herinner me nog de fase dat je ‘het’ niet kon zien. Dat we zelf nog niet eens goed wisten wat er met Yaël aan de hand was. Toen kreeg ik ook wel eens een afkeurende blik of opmerking omdat ik mijn 3-jarige nog in de buggy wurmde. Of een opvoedadvies als ik een bezoek na een halfuur noodgedwongen afbrak omdat Yaël onophoudelijk brulde. Ik kreeg slaapadviezen (‘dan moet je gewoon een ritueeltje inbouwen’), eetadviezen (‘dan zeg je gewoon: als je eet krijg je een toetje’) en activiteitenadviezen (‘neem haar lekker mee naar de Albert Cuyp. Ze moet gewoon een beetje wennen aan de drukte’). Die fase duurde bij ons gelukkig maar kort.

Tegenwoordig kijken de mensen alleen nog maar. Ze kijken en heel soms knikken ze bemoedigend, zoals ze ook naar mijn oud-collega zouden moeten doen.

Reageer op artikel:
Meer blogs
Sluiten