Haal eruit wat erin zit!

Genetische aanleg, doorzettingsvermogen, inzet en training, zelfvertrouwen. Vier factoren die de mate van intelligentie beïnvloeden. Hoe help je je kind het beste uit zichzelf te halen?

Wie praat over intelligentie waagt zich op glad ijs. Zeker in Nederland waar het gelijk­heidsideaal, dat we met de paplepel ingegoten hebben gekregen, botst met onze onbedwingbare drang om orde te scheppen in de wereld en de mensen om ons heen.

In de praktijk komt het er simpel gezegd op neer dat de prestaties van basisschoolkinderen voortdurend worden getest en vastgelegd met als apotheose een massale eindtest – meestal in groep 8 – waarna we heel hard roepen dat de uitslag heus niet zo veelzeggend is. Soms escaleert de boel. Dan ontstaan er heftige discussies tussen de onderscheiders ('Het is hoog tijd dat we hoogbegaafde kinderen tot hun recht laten komen op speciale scholen') en de gelijkheidsdenkers ('Iedereen is tegenwoordig hoogbegaafd; doe maar gewoon').

Even leek dit dilemma opgelost met de opkomst van de Amerikaanse psycholoog Howard Gardner. Volgens zijn theorie bestond er niet één vorm van intelligentie, maar wel acht verschillende soorten. Dus als jouw kind of het beste vriendje van je zoon niet zo goed scoorde op een IQ-test, dan kon je nog altijd zeggen dat hij intelligent was op een ander vlak. Dan was-ie misschien wel 'beeldslim', 'mensenslim' of 'natuurslim'.

IQ bepalender dan EQ
Helaas is deze theorie – waar wij vijf jaar geleden in J/M nog uitgebreid aandacht aan besteedden – door verschillende weten­schappers onderuit gehaald. Het wetenschappelijk bewijs ervoor was boter­zacht. Er bestaat waarschijnlijk wel zoiets als sociale intelligentie of emotionele intelligentie (EQ), maar volgens psycholoog Jelte Wicherts, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, is dat lang niet zo veelzeggend als IQ. 'Het is nog steeds zo dat IQ de beste voorspeller is van hoe kinderen het gaan doen op school en in de maatschappij. Er is zelfs een positief verband met hoe oud ze worden.' Hoogleraar personeelspsychologie Hans Hoekstra is nog specifieker. Volgens hem valt 60 procent van het verschil in succes tussen werknemers terug te voeren op intelligentie. Een ander deel van het succes – zo'n 30 procent – wordt bepaald door persoonlijkheid.

Natuurlijk zijn dit maar statistieken. Je kunt nooit zeggen dat iemand met een hoog IQ per definitie een goede baan met een goed salaris krijgt, of dat een kind met een laag IQ gedoemd is te mislukken. Daar komt meer bij kijken. Je moet je intelligentie namelijk wel weten te 'kapitaliseren', zoals dat heet. Met andere woorden: je moet eruit halen wat erin zit.

90 Procent transpiratie
Danielle Posthuma onderzocht als biologisch psycholoog een aantal jaar geleden een groep van 688 personen uit 271 families, onder wie diverse tweelingen. Daaruit bleek dat maar liefst 80 procent van de verschillen in intelligentie tussen mensen erfelijk is bepaald. Je bent hierdoor snel geneigd om te denken dat wie voor een dubbeltje geboren is nooit een kwartje zal worden. Maar – en dit is het goede nieuws voor de minder bedeelden – hoe die intelligentie uitpakt, is ook afhankelijk van de omstandigheden. Zo scoren kinderen die lange tijd niet naar school gaan gemiddeld vijftien punten lager op een intelligentietest dan kinderen die wel onderwijs krijgen. Daarnaast is het volgens hoogleraar neuropsychologie Margriet Sitskoorn, auteur van Het maakbare brein, zo dat mensen die de absolute top bereiken in hun vak, daar hard voor hebben gewerkt. Om iets heel goed te leren moet je er tien jaar lang, vier uur per dag aan werken. Op die manier past het brein zich aan aan wat je het vraagt. Succes is dus een combinatie van factoren: een beetje aanleg en veel doorzettingsvermogen.

Het grappige is dat veel mensen nog steeds denken dat hard werken 'alleen voor de dommen' is. Zo ontdekte de Amerikaanse psycholoog Carol Dweck dat leerlingen die denken dat intelligentie en het bijbehorende succes een vaststaand gegeven is, het liefst taken doen waarvan zij al weten dat ze erin uitblinken. Ze zoeken als het ware steeds opnieuw naar een bevestiging van hun intelligentie. Bang om te falen gaan ze daardoor minder uitdagingen aan dan mensen die denken dat succes wél maakbaar is. Bij de leerlingen die Dweck onderzocht op deze basishouding, was het effect ook goed zichtbaar op hun schoolprestaties. Zo bleken leerlingen met starre opvattingen over intelligentie het uiteindelijk minder goed te doen op school dan leerlingen die geloven in de maakbaarheid van hun intellect.

Dweck waarschuwt dan ook voor het te vroeg afnemen van IQ-tests bij kinderen. Want met een verkeerde mentaliteit – intelligentie is een vaststaand gegeven – kan dat ertoe leiden dat kinderen minder ver komen dan ze zouden kunnen. De tips die zij daarom aan ouders geeft zijn:

  • Prijs kinderen niet omdat ze slim zijn, maar om hun inspanning bij het leren
  • Spreek niet over andere kinderen in termen van slim of dom
  • Laat zien dat ook jij hard werkt om dingen te bereiken
  • Vertel dat iedereen die veel bereikt in het leven, daar hard voor heeft moeten werken.

Is het IQ echt maakbaar?

De vraag is nu of je uit de theorie van Dweck mag opmaken dat het IQ daadwerkelijk te beïnvloeden is of dat je alleen mag concluderen dat je met de juiste instelling ervoor zorgt dat je meer haalt uit de intelligentie die je van huis uit hebt meegekregen. Het antwoord is genuanceerd. Het lijkt een mix te zijn van factoren.

Zoals gezegd scoren kinderen die lange tijd geen onderwijs hebben gevolgd een stuk lager op een IQ-test. Dat betekent alvast dat zo'n test geen objectief vaststaand gegeven is. Bovendien, weet psycholoog Jelte Wicherts, is het bijna altijd zo dat als je een kind een intelligentietest voor een tweede keer laat maken, hij vier punten hoger uitkomt.

Met trainen kom je ook verder: de score kan daarmee oplopen tot wel tien punten hoger. Maar als je daarna niet meer oefent, is dat effect na tien jaar weer weg. Wicherts: 'Vergelijk het maar met voetballen. Iedereen die hard traint, gaat vooruit. Train je niet, dan zit je zo weer op je oude niveau.'

Los van training en genetische aanleg zijn er nog een paar factoren die de score op een intelligentietest kunnen beïnvloeden. Dat zit hem bijvoorbeeld in de omgeving waarin iemand opgroeit – in sommige milieus worden kinderen meer uitgedaagd dan in andere. Zo is het gemiddelde IQ in Nederland in de afgelopen dertig jaar met tien punten gestegen. Waarschijnlijk is dit het gevolg van een uitgebreider aanbod van allerlei educatieve spelletjes en puzzels thuis en op school. Iets anders wat de score kan beïnvloeden, is zelfvertrouwen. Iemand die heel bang is om een test slecht te maken, kan door pure stress zijn resultaat negatief beïnvloeden.

Negatieve invloeden

Wat daar zijdelings mee te maken heeft, is de invloed van negatieve stereotype beelden. Wicherts ontdekte dat als je allochtone kinderen vlak voordat ze een test gaan maken confronteert met het feit dat ze allochtoon zijn – en daarmee met het negatieve stereotype dat zij vaker slecht presteren op cognitieve tests – dat er vaak toe leidt dat met name de slimmere allochtone leerlingen slechter presteren. Dit effect trad ook op bij vrouwen tegen wie van tevoren werd gezegd dat zij een wiskundetest zouden gaan maken waar vrouwen over het algemeen slechter op scoorden dan mannen. Waarschijnlijk worden hun prestaties op zo'n moment beïnvloed door de afleidende gedachte: 'O jee, ik word beoordeeld op mijn vrouw-zijn of mijn allochtoon-zijn.'

Los van het negatieve stereotype beeld blijken allochtone kinderen ook vaak last te hebben van het feit dat zij een andere culturele achtergrond hebben – ook als de talige onderdelen van de test buiten beschouwing werden gelaten. Volgens Wicherts heeft dat onder andere te maken met bepaalde vragen die toch een beroep doen op typisch Nederlandse kennis. Een kind dat nog nooit van Doornroosje heeft gehoord, zal bij een geheugentest die naam bijvoorbeeld veel moeilijker onthouden dan eentje die het verhaal van haver tot gort kent.

Als je de informatie die tot nu toe over intelligentie bekend is op een rijtje zet, moet je concluderen dat de nuchterheid waarmee wij in Nederland met dit onderwerp omgaan iets is om te koesteren. IQ zegt heus wel iets, maar het is ook een rekbaar begrip. En de oer-Hollandse moraal van het verhaal is, dat hard werken loont.

Wat is IQ?
Het intelligentiequotiënt ofwel IQ is een van de meest gangbare maten voor de intelligentie. Het is een score afgeleid van een verzameling gestandaardiseerde tests die de cognitieve vaardigheden vaststellen. Bij kinderen, bij wie de intelligentie nog sterk in ontwikkeling is, gebeurt dat in relatie tot de gemiddelde intelligentie van haar of zijn leeftijdsgroep.

Oorspronkelijk werd het IQ door Henry Goddard gedefinieerd als: ­honderd keer de verstandelijke leeftijd gedeeld door de daadwerkelijke (chronologische) leeftijd. Dit was aanvankelijk een bruikbare definitie voor het IQ van kinderen. Voor volwassenen ging die berekening niet op. David Wechsler stapte daarom over op een IQ-meting waarbij de prestatie van de proefpersoon worden vergeleken met de scores van een grote normgroep. Dit principe is sindsdien algemeen verspreid.

Reageer op artikel:
Haal eruit wat erin zit!
Sluiten