Het Spoorwegmuseum: in stoomtreinvaart van toen naar nu

Razen door het Wilde Westen, een stop in een Engels mijndorpje uit 1800 en meerijden op een stoomlocomotief uit de Tweede Wereldoorlog. Het Spoorwegmuseum blíjft boeien, hoe vaak je er ook komt.

‘Jongens, zullen we vandaag naar het Spoorwegmuseum gaan?’ Het voorstel wordt begroet met algemeen gejuich, hoewel we er toch minstens één keer per maand ­komen en alles al tien keer gezien hebben. Er wordt snel nog een vriendje opgetrommeld, en even ­later stuiteren Mink (8), Brent (6) en vriend Wester (8) het Maliebaanstation binnen: het oude Utrechtse station waarin nu het Spoorwegmuseum zit.Terwijl ik nog bij de kassa sta te wapperen met alle Museumjaarkaarten, gluren de kinderen al in de stelling met oude koffers en reiskisten. ‘Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen’ is het motto van deze ­opstelling. In de koffers draaien surrealistische filmpjes die we zelf namen hebben gegeven als ‘de vuurspuwende draak’ en ‘het meisje met duivelsstaart’. Oh ja, en er komen ook treinen in voor. De speurtocht die ik aan de kassa krijg aangeboden wil ik hoog­hartig weigeren – been there, done that – maar ik zie dat hij veranderd is: het papiertje is een kleurige draaischijf geworden. Hopelijk met nieuwe ­vragen, want de oude kennen we al uit ons hoofd.

Mink, Wester en Brent zijn ­ondertussen het perron op gerend en slaan daar zonder te stoppen rechtsaf. Natuurlijk, aan het perron staan wat oude treinen, maar die zijn vooral interessant voor de treinspotters die bijvoorbeeld nog een foto van een rangeerloc type 311 uit de serie Werkspoor Amsterdam No 772 aan hun collectie willen toevoegen. Treinofielen lopen er in dit museum nog steeds rond – doorgaans te herkennen aan degelijke wandelschoenen en een rugzak met fotoapparatuur. Maar die vallen in het niet tussen de kinderen, ouders, opa’s en oma’s. Het nerdparadijs is een ­familieparadijs geworden.

De echte pret begint in de enorme hal achter het station. Hier staat het historische materieel, uit de tijd dat mensen bij het woord ‘trein’ nog dachten aan lange reizen naar exotische oorden – de Oriënt Express! – en niet aan een ritje van twintig minuten ­samen met vierhonderd andere forenzen. In sommige oude wagons geven ‘Edutrainers’ van het museum uitleg. De tijden hiervan worden aangegeven op bordjes bij de treinen.

Mink, Wester en Brent rennen ­meteen door naar de Longmoor: een stoom­locomotief die in de oorlog (na de invasie) vanuit Engeland naar het vaste­land is verscheept, om dienst te doen bij de bevoorrading van het ­leger. De NS heeft er een aantal overgenomen om in 1945 het Nederlandse treinverkeer weer op gang te krijgen. De kinderen trekken aan de stoomfluit, draaien aan de knoppen en scheppen virtueel kolen op het vuur. ‘Sneller nu, kom op!’

Even verderop razen we door de nacht in een trein van de PTT, waarin vroeger de post werd ­gesorteerd. De trein schommelt, in de verte flitsen de lichtjes van de bewoonde wereld voorbij. Maar voordat je als vader kunt vervallen in gemijmer over vervlogen tijden, toen de mail nog per postbode ging, rennen de kinderen alweer door naar het rangeer­terrein buiten. Daar moeten seinen worden bediend en moet er op treinen worden geklommen, zelfs als dat niet mag. En uiteraard wordt er een ritje gemaakt in de mini-intercity, een kindertreintje dat zelfs op ­8-jarigen nog een magische aantrekkingskracht heeft.

Dan door naar de nieuwste attractie van het museum: de Vuurproef. Die is geschikt voor iedereen die zich ‘minstens 12 voelt’, maar de twee 8-jarigen in het gezelschap laten zich niet afschrikken. De paaltjes en hekjes verraden wachttijden op drukke dagen, maar nu lopen we zó door.

In een filmpje vertelt Rutger Hauer over de geschiedenis van de spoor­wegen in Nederland. ‘De trein reed wel vijftig kilometer per uur. Zó hard dat mensen bang waren dat ze geen lucht meer zouden kunnen krijgen.’ Daarna maakt de educatie plaats voor plat amusement: we racen in een op hol geslagen locomotief door het ­Wilde Westen en zelfs door een Blade Runner-achtige toekomst. Trillend staan de twee jongens weer buiten. ‘Cool, we hebben het overleefd.’

Vervolgens jagen we de kinderen naar Stalen Monsters, waar we in een wagentje rijden, glijden, vallen en botsen door een rangeerterrein in de vroege ochtend, als het nog pikdonker is en treinen met veel herrie op stoom worden gebracht. Ook Brent (6) houdt zich stoer en vindt de reis door het schemerduister en de herrie hartstikke prachtig.

Knipperend tegen het licht lopen we door naar de simulator waarin je met een stoptrein kunt rijden. ‘Vergeet niet met je voet op de dodemansknop te drukken.’ ‘Oh jee, de ATB heeft in-­gegrepen.’ ‘Nee, nu moet je juist níet remmen.’ ‘Nu mag ík, nee ík, nee ík…’

Om bloedvergieten te voorkomen schuiven we iedereen de simulator uit in de richting van De Grote Ontdekking – altijd het absolute hoogtepunt van het bezoek. Via een lift komen we terug in een Engels mijnwerkers­dorpje anno 1800, en de audiotour op de koptelefoon vertelt het verhaal van de industriële revolutie en de opkomst van de trein. In de tekenkamer van George Stephenson, de uitvinder van de stoomlocomotief, is werkelijk alles tot in de kleinste details verzorgd, van de kalender op het bureau tot de muis die over de hanenbalken rent. En om de hoek staat daar dan – tadaaa! – de ­locomotief die in 1839 de eerste rit in Nederland maakte: de Arend (of liever gezegd: een werkende replica ervan).

De kinderen slenteren nog even naar de voorstelling ‘Droomreizen’, een mini-theater waar een paar keer per dag voorstellingen worden verzorgd. Maar de volgende show begint over twintig minuten, en zoveel zitvlees hebben ze vandaag niet. Dus húp de trap op, naar de loopbrug in de nok van het dak, even kijken in de kamer met modelspoortreintjes achter glas en in het rommelmagazijn met treinmemo­ra­bilia. Daarna sfeervol plassen in de historische toiletten bij de wacht­kamer Eerste Klas. En dan staan we alweer buiten, in de wetenschap dat we nu echt alles in het Spoorweg­museum wel elf keer gezien hebben.

Volgende maand weer.

Waar: Maliebaanstation, Utrecht
Open: di-zo van 10-17 uur
Kosten: € 16,- p.p. (museumkaarthouders en t/m 3 jaar gratis)
Info: www.spoorwegmuseum.nl

Tips

  • Bij het museum kun je parkeren. Op drukke dagen moet je uitwijken naar parkeerplekken in de buurt, wat zelden een probleem is. Het allerleukst is echter om met de pendeltrein – één keer per uur vanaf Utrecht CS – rechtstreeks het museum binnen te rijden.
  • Het Spoorwegmuseum organiseert regelmatig activiteiten en exposities, bijvoorbeeld over de rol van treinen tijdens de oorlog. Ieder tweede weekeinde van de maand rijdt de Heimwee-express vanuit het museum. Met een extra kaartje (te koop in de museumwinkel) kun je meerijden in een historisch treinstel, met raampjes die onverantwoord ver open kunnen maar waaruit je helaas niet mag ‘spuwen’.
  • In de zomer wordt ieder derde weekeinde van de maand de locomotief De Arend naar buiten gereden en op stoom gebracht. Ver rijden kan hij niet, maar een mooi gezicht is het wel.
Reageer op artikel:
Het Spoorwegmuseum: in stoomtreinvaart van toen naar nu
Sluiten