Het went wel / niet

redactie 19 jun 2018 Opvoedstijlen

Al doende leert men. Voor je tweede of derde kind ben je ‘dus’ een betere ouder. Is dat zo? ‘Nee!’ zegt psycholoog en ouderbegeleider Alice van der Pas. ‘Je hebt hooguit wat meer routine.’

‘Ach ja,’ verzucht de oude moeder, ‘bij mijn eerste kind wist ik het allemaal nog niet zo goed, hè. Dat was echt de broddellap.’ Haar opmerking, die door menigeen herkend zal worden, impliceert dat het pas echt allemaal goed komt bij het tweede en volgende kind. Dán gaat alles van een leien dakje. Je bent bekomen van de schrik van het permanent verantwoordelijk zijn, je weet dat je beter vliegen kunt vangen met stroop dan met azijn, je weet dat een jong kind dat overdag geen dutje doet ’s avonds te moe is om in slaap te vallen. Kortom: je bent een ervaren vader of moeder. Ben je daarmee ook een betere ouder?

‘Nee,’ zegt Alice van der Pas, ouderbegeleider en psycholoog en een van de weinigen in Nederland die zich serieus heeft gebogen over de psychologie van het ouderschap. ‘Je hebt hooguit wat meer routine in de dagelijkse gang van zaken: zwemtassen op tijd klaarzetten, snel eten koken, timen et cetera. Maar hoe je omgaat met ieder kind hangt van zoveel meer af dan alleen de ervaring die je hebt opgedaan bij een eerste kind. Hoe zit het op dat moment met je relatie bijvoorbeeld? Hoe ben je zelf opgevoed en wat was jouw plaats in het gezin? Is het kind gezond of niet? Kan het goed leren? Delen jullie dezelfde humor? Is er, om welke reden dan ook, sprake van stress? Dat zijn veel meer de factoren die bepalen wat voor een ouder je bent voor je kind.’

Van der Pas vindt het dan ook onzin om het ouderschap als een soort ontwikkeling te zien. ‘Dat zou betekenen dat je net als je kind groeit en dat er op een dag een eindpunt is. Maar dat is helemaal niet zo. Ouders zijn eigenlijk altijd bezig met het oplossen van hetzelfde probleem. Want bij iedere fase waar een kind doorheen gaat moet de ouder zich afvragen of hij moet optreden en zoja, hoe hard. Dat geldt net zo goed voor een opstandige peuter als voor een puber. En daarmee is het ouderschap dus nooit af.’

Onaangename emoties

Het is volgens Van der Pas eerder zo dat ouders voortdurend worstelen met een aantal terugkomende onaangename emoties. Een driftbui in de supermarkt van je eerste kind is immers net zo vervelend als een vergelijkbare driftbui van je tweede, ook al weet je uit ervaring dat zoiets een keer komen gaat. In haar boek Naar een psychologie van het ouderschap beschrijft Van der Pas waar die onaangename emoties vandaan komen.

Een van de oorzaken is het gedrag van het kind. Jonge kinderen hebben nu eenmaal sterke impulsen: hebzucht, veeleisend zijn, bezitterigheid, extreme jaloezie en rivaliteit en de neiging om tegenstanders en frustrerende figuren te elimineren.

Een andere bron is de ontwikkeling van het kind. Want elke ontwikkeling die het kind doormaakt stelt ook weer andere eisen aan de basisvaardigheden van de ouder. Heerlijk dat een kind kan lopen, maar nu kan het ook de straat opwandelen en onder een auto komen. Leuk dat het kan praten, maar nu kan het ook weigeren om antwoord te geven of liegen. Dat gaat lang door, tot en met: fijn dat een kind zich volledig onafhankelijk opstelt, maar hoe zorg je dat hij uiteindelijk het huis uit gaat? Daar moet je steeds wat mee als ouder en dat is lastig. Resultaat: onaangename emotie. Bovendien zorgt die ontwikkeling er steeds weer voor dat een ouder zijn kind meer moet gaan loslaten. Dat is goed, maar tegelijkertijd treurig. Je kind heeft je steeds minder nodig. En dat is een ervaring die je keer op keer doormaakt.

Permanent verantwoordelijk

En dan is er nog het dagelijkse opvoedwerk: ‘Nee, niet aankomen, dan krijg je een schok.’ ‘Kom op jongens, even opruimen en dan aan tafel.’ ‘Nee, je mag niet wéér televisie kijken.’ Kinderen zijn zelden gecharmeerd van dit soort opmerkingen. Die leiden tot teleurstelling en boosheid, wat weer een gefrustreerde reactie van de ouder tot gevolg heeft.

Voor sommige ouders is een bepaalde ontwikkelingsfase van een kind extra zwaar omdat die hen herinnert aan een vervelende periode uit hun eigen jeugd. Vaak gebeurt dat onbewust, zeker als het om heel pijnlijke ervaringen gaat.

Het kan ook zijn dat een ouder probeert om frustraties uit zijn eigen verleden te compenseren via zijn kind. Dus wie zelf weinig aandacht heeft gehad, geeft zijn eigen kind ter compensatie extra veel aandacht. Als het kind daar dan niet onverdeeld blij mee is, is dat ook weer heel onaangenaam.

Los van dit alles speelt er volgens Van der Pas nog iets anders. Dat heeft te maken met dat permanente verantwoordelijkheidsgevoel waar ouders mee te maken krijgen op het moment dat de navelstreng van hun eerste boreling wordt doorgeknipt, én met de hardnekkig ingesleten opvattingen over hoe je moet zijn als ouder. Zo vinden de meeste ouders niet alleen dat zij alles moeten doen wat goed is voor een kind, maar vinden zij ook dat ze te allen tijde onvoorwaardelijk van hem moeten houden. ‘En als je van je kind houdt, dan heb je geen onaangename emoties,’ zo lijkt de redenatie. Die zijn namelijk niet goed voor het kind.

Het resultaat? Onaangename emoties.

Instinct voor het goede

Maar, zoals de meeste ouders weten, je zit weliswaar niet permanent op die roze wolk maar het is ook niet alleen maar kommer en kwel. Hoe zit dat? Dat komt volgens Van der Pas – en de andere wetenschappers die zij heeft geraadpleegd – omdat ouders op de een of andere manier toch vaak in staat zijn om hun emoties zo te reguleren dat ze geen gekke dingen gaan doen. Daar zijn verschillende theorieën over. Bijvoorbeeld de theorie dat ouders een instinct hebben voor het goede. Die gaat ervan uit dat als zij bij zichzelf merken dat een onaangename emotie hen lijkt aan te zetten tot een negatieve reactie, zij instinctief aanvoelen dat het de verkeerde kant op gaat.

Volgens een andere theorie realiseren ouders die zich bewust zijn van hun negatieve emoties – soms regelrechte haat – zich kort daarop dat het kind beter verdient. Daarmee verheffen ze zichzelf als het ware. Ze beseffen dat ze óók van hun kind houden en kiezen dus toch voor wat goed is voor het kind. Het gevolg: ze voelen zich een betere ouder. Omgekeerd geldt dat ouders die de onaangename gevoelens voor hun kinderen negeren, hun kinderen eigenlijk steeds méér gaan haten.

Tot slot zijn er deskundigen die zeggen dat ouders hun negatieve gevoel vaak weten om te zetten in iets constructiefs als ze zich herinneren hoe ze zelf als kind in een vergelijkbare situatie waren. Door de zaak vanuit een ander perspectief te bekijken, kunnen zij makkelijker invoelen waarom hun kind zich op een bepaalde manier gedraagt. Daarmee gaan de scherpe kantjes af van het onaangename gevoel en kunnen zij op een rustige, verantwoorde manier reageren.

Kortom: ouders groeien niet. Sterker nog, hoe ervaren je ook bent, volgens Alice van der Pas blijf je voor de rest van je leven een soort schuurpaal voor je kinderen. Het ouderschap gaat gepaard met een permanente stroom van emoties, waar je keer op keer weer mee moet dealen. Dat went nooit. Met deze kennis in het achterhoofd lijkt iedere dag waarop ouders het er zonder kleerscheuren van afbrengen een wonder. Of het nou om het eerste, tweede of derde en vierde kind gaat. Een schouderklopje op z’n tijd is dan ook op zijn plaats.

‘Ik dacht dat ik het beter kon’

‘Ik zie mezelf nog staan,’ zegt Sanne Bierens, moeder van drie kinderen en adviseur in haar eigen opvoedpraktijk. ‘Ik staarde vaag naar het lichtknopje en was vervuld van trots. Ik, Sanne Bierens, had net een kind gebaard en ik was moeder geworden. Ik zat echt even op die roze wolk. Ik was er op dat moment van overtuigd dat ik voor het moederschap in de wieg gelegd was. Stiekem dacht ik ook dat ik er zelfs meer voor in de wieg was gelegd dan anderen. Maar de praktijk was anders. Ik vond het veel moeilijker. Ik bleek helemaal geen antwoord te hebben op alle opvoedvragen. En ik was en ben niet altijd gezellig, zoals ik me destijds op die roze wolk nog heilig had voorgenomen te zijn. Ik ben af en toe een kreng van een moeder.

Toch is die val van die roze wolk wel goed voor mij geweest. Want als je niet meer die ideale moeder hoeft te zijn, kun je weer een normaal mens zijn met al zijn hebbelijkheden en onhebbelijkheden. Dat lucht op en is ook beter voor je kinderen. Want ik denk dat ze veel meer hebben aan een realistische dan aan een ideale moeder.’

‘Ik kijk nu tegen alles anders aan’

Marieke Groenewold (37) is getrouwd met Jan (37) en moeder van Jetske (10), Tosca (8), Marlène (5) en Niek (2).

Marieke heeft niet het gevoel dat haar persoonlijkheid of karakter is veranderd door het ouderschap. ‘Maar als je kinderen krijgt, is het wel alsof ze je opeens een bril van plus vier opzetten, terwijl je normaal gesproken geen bril draagt. Zo ga je bijvoorbeeld op een heel andere manier naar je ouders kijken; dat zijn nu opeens mensen die net als jij kinderen hebben gehad. Eigenlijk kijk je naar iedereen wel anders. Als ik te maken heb met iemand die heel vervelend is, denk ik: ‘Die is vroeger ook een schattig kind geweest.’ Wat ook is veranderd, is mijn blik op de toekomst. Mijn eigen toekomst ligt nu veel dichter bij het heden. Maar de echte toekomst, dat is de toekomst van mijn kinderen. En mijn relatie is veranderd. Jan is niet alleen mijn partner, maar nu ook de vader van mijn kinderen. Het duurt even voordat je allebei gewend bent aan die nieuwe rollen.Voordat ik kinderen kreeg, had ik een heel ander beeld van het moederschap. Ik had zo’n plaatje in mijn hoofd van een vader en een moeder op het balkon met een kindje tussen hen in dat zoet lag te slapen. Ik had me daarbij totaal niet gerealiseerd dat je permanent bezig bent met een kind. Het zit altijd in je hoofd, ook als het er niet is.’

Perfect zijn gaat niet

‘Bij mijn eerste kind streefde ik er nog naar om het perfect te doen als moeder. Maar bij de tweede realiseerde ik me dat dat helemaal niet haalbaar was. Want los van het feit dat je gewoon minder tijd hebt als er meer kinderen komen, is het ook nog eens zo dat wat jij denkt dat perfect is, helemaal niet perfect hoeft te zijn. Zeker als je je bedenkt dat al je kinderen verschillend zijn en ook weer andere behoeften hebben. Ik probeer ze daarom in plaats van veel, vooral gerichte aandacht te geven. Ik heb ook geleerd dat je het niet in de hand kunt hebben hoe je kinderen worden. Als bij mijn eerste kind iets niet helemaal soepel verliep, dacht ik: het ligt aan mij. Maar als je bij een tweede kind merkt dat hetzelfde gedrag tot een andere reactie leidt, denk je al snel: hé, het ligt ook aan het kind zelf. En ja, je wordt wat makkelijker bij je volgende kinderen. De jongste kijkt af en toe al mee naar Huis Anubis. Dat was bij de oudste nooit gebeurd. Ik vind het ouderschap zeker verrijkend. En die permanen-te vermoeidheid, de stress – probeer maar eens op tijd op school te komen met vier kinderen! – en bezorgdheid neem ik graag voor lief. Kinderen geven echt je leven zin!’

‘Niemand vertelde me hoe ik het moest doen!’

Margreet Ploegmakers (34) leeft samen met Daco de la Bretoniere (35) en is moeder van Yuan (5) en Kimo (3).

In welk opzicht heeft de komst van kinderen Margreets leven veranderd? ‘Ik weet nog goed hoe ik me voelde toen Yuan net geboren was. Pas bevallen lagen we daar met zijn drieën in bed. Ik dacht: o jee, en nu? Niemand heeft me ooit verteld wat ik moet doen. Als ik hem nu laat liggen, dan gaat ie dood.’ Een heel eng idee, de verantwoordelijkheid die je krijgt. En tegelijkertijd was ik vervuld met een totaal gevoel van “houden van”. Toen ik zwanger was van Kimo was ik bang dat ik nooit evenveel van haar zou kunnen houden als van Yuan. Mijn moeder zei toen: “Dat kun je wel, want je hart groeit.” En dat is ook echt zo. Toen Kimo net geboren was had ik wel heel sterk het gevoel: hé, wie ben jij? Ik ken jou nog niet. Dat kwam vooral omdat ik al zo gewend was aan Yuan. En bij de eerste kun je nog niet vergelijken.
Ik vind het moederschap nog veel leuker dan ik had gedacht. Al vind ik het soms wel moeilijk. Zeker met een tweede erbij. Ik wil haar graag net zoveel aandacht geven als de oudste maar dat gaat niet altijd, je moet je aandacht meer verdelen. Daarbij komt ook dat als ik het heel druk heb op mijn werk, ik niet altijd zin heb om bij thuiskomst meteen te gaan Lego’en met de kinderen. Dan wil ik gewoon even rust en tijd voor mezelf – al weet ik dat het heel logisch is dat zij even met mij willen spelen als ik de hele dag weg ben geweest. Inmiddels weet ik dat als ik toch eerst iets met ze ga doen, ze daarna rustig zelf gaan spelen. Zo groei je als moeder.’

Meer rekening houden

De relatie met mijn partner is ook veranderd. Je moet meer met elkaar rekening houden omdat er minder tijd is voor jezelf. Als je dan allebei heel moe bent, wordt het wel eens ingewikkeld. Op zo’n crisismoment denk je vaak eerst aan je kind, dan aan jezelf en pas als laatste aan je partner. Best stom eigenlijk, want als je na je kind aan je partner denkt, dan verzorg je elkaar meer en heb je minder een gevoel van overleven.
Wat ik heel leuk vind van het ouderschap is dat de kinderen je steeds een spiegel voorhouden. Een kind neemt jouw onhebbelijkheden feilloos over en bij een conflict krijg je het allemaal terug. Ik kan heel makkelijk uit mijn slof schieten – ook naar anderen – maar nu probeer ik eerst tot tien te tellen en de kinderen vanuit rust te benaderen. Wat ik ook heel leuk vind, is dat je met kinderen weer zo lekker kinds mag doen: door plassen stampen, heel hard zingen of in Albert Heijn alvast een pot olijven openmaken, dat soort dingen. En ik vind het echt heerlijk dat niet alles meer alleen om mij draait in mijn leven.’

Meer lezen?

  • Naar een psychologie van ouderschap, door Alice van der Pas. Uitgeverij SWP
  • Van je ouders moet je het hebben, door Oliver James. Uitgeverij Scriptum
Reageer op artikel:
Het went wel / niet
Sluiten