‘Hun lichaamstaal liegt nooit’

redactie 19 jun 2018 Gedrag

Een hand voor de mond. Gefriemel aan een oorlel. Een houding of blik zegt vaak meer dan duizend woorden. Vooral jongere kinderen kunnen daarmee nog niet manipuleren. Maar ook als ze wat ouder zijn, sijpelt de echte boodschap nog door de ‘gespeelde’ heen. Wat vertelt hun lichaamstaal?

Friemelen, fronzen, flierefluiten

Opvoeden kan ook zonder woorden. Sterker nog: kinderen leren meer van hun ouders via de lichaamstaal dan door het gesproken woord. Onderzoekers toonden aan dat slechts 7 procent van wat iemand voelt, in woorden wordt uitgedrukt. Zouden ouders de lichaamstaal van hun kind niet snappen, dan zou meer dan 90 procent van zijn gevoelens, gedachten en bedoelingen hen ontgaan.

‘Bij kinderen speelt de non-verbale taal een nog belangrijker rol in de communicatie dan bij volwassenen,’ zegt sociotherapeut Frank van Marwijk.

Hij kan het weten. Frank van Marwijk houdt zich al jaren bezig met dit onderwerp en runt sinds 2001 adviesbureau Bodycom Lichaamscommunicatie.

Zolang ze nog niet praten, zijn kinderen volledig op lichaamstaal aangewezen om hun bedoelingen duidelijk te maken. Gelukkig beschikken ze van nature over een hele reeks van zintuiglijke en waarnemingsvaardigheden om te kunnen communiceren. Het lijkt alsof ze in dit opzicht ‘voorgeprogrammeerd’ zijn. Vooral door huilen en door hun gezichtsuitdrukking geven ze aan wat hen beweegt.

Hoe ouder ze worden, hoe beter kinderen zich verbaal kunnen uitdrukken. Maar ook dan is hun body language vaak veelzeggender dan hun woorden, al was het alleen maar omdat ze die 7 procent schaarse zinnen vooral gebruiken om feiten over te brengen (‘Ik moet naar de wc’) Bovendien liegt de lichaamstaal van kinderen nooit.

Van Marwijk: ‘Ze hebben nog niet geleerd ermee te manipuleren. Volwassenen wéten dat zij zich verraden als ze iemand tegen wie ze staan te liegen niet aankijken. Zij zullen diegene daarom eerder te strak en te direct in de ogen kijken dan dat ze de blik ontwijken. Kinderen niet: die zijn nog niet in staat om hun onbewuste fysieke reacties te verhullen. Zij gaan blozen, slaan hun hand voor de mond of kijken krampachtig de andere kant op.’

Vanaf een jaar of 9 krijgen kinderen steeds beter in de gaten wat ze met hun lichaamstaal teweeg brengen. En daarmee ontstaat ook de kunst ermee te spelen en emoties voor te wenden: de dochter die bewust koketteert met haar vader om iets van hem gedaan te krijgen, de zoon die zijn moeder schuin aankijkt om haar gunstig te stemmen.

Toch blijft hun lichaamstaal ‘lekken’. Het onthult vaak de ware gevoelens die achter de woorden schuilgaan.

Leren interpreteren

Begrip van elkaars stille signalen versterkt de band tussen ouders en kinderen. Het interpreteren ervan is volgens Van Marwijk echter niet altijd makkelijk. Dat komt omdat lichaamstaal nogal inconsequent is en bovendien niet altijd en overal dezelfde betekenis heeft. Die kan per situatie verschillen. Het is daarom belangrijk om de hele context mee te nemen. Iemand die zich naar een ander toekeert, kan dat doen omdat hij hem aardig vindt, maar ook omdat hij toevallig het gespreksonderwerp interessant vindt.

Lichaamstaal is ook cultuurbepaald. Zo leren Nederlanders hun kinderen iemand aan te kijken als die tegen hen praat. Een Marokkaans meisje krijgt juist te horen dat dat onbeleefd is.

De verbale boodschap kan niet los gezien worden van de non- verbale. Beide vormen van communicatie beïnvloeden elkaar en zijn van elkaar afhankelijk. Het kind dat een keihard en met voor de borst gekruiste armen uitgegilde zin als ‘IK BEN NIET BOOS!’ letterlijk opvat, zou wel eens van een hele koude kermis thuis kunnen komen.

Wat bij de een onzekerheid onthult, kan bij een ander op iets heel anders duiden. Daarom moet lichaamstaal ook altijd in relatie tot het karakter worden geïnterpreteerd.

Tenslotte kunnen ook zaken als ziekte of medicijngebruik ervoor zorgen dat zogenaamd overduidelijke lijfelijke tekens toch niet zo vanzelfsprekend zijn als op het eerste gezicht lijkt.

Twee trucs

Psychologen onderscheiden twee technieken om non-verbale uitingen van kinderen beter te kunnen begrijpen.

De eerste techniek is nabootsen en spiegelen. Door kinderen na te doen, leren ouders niet alleen veel over hen, maar komen ze ook dichterbij. Zo zullen ze veel beter kunnen invoelen waar hun kind tegenaan loopt bij het leren schrijven als ze zijn bewegingen na-apen: de handbewegingen, de gespannenheid van zijn gezicht, zijn zenuwtrekken. Ouders ervaren zo zelf waaraan hun kind behoefte heeft.

Van Marwijk raadt af om deze techniek in ruzies toe te passen. ‘Degene die spiegelt, volgt en ‘onderwerpt’ zich aan de ander. In een conflictsituatie is het niet handig om zo het kind de leiding te geven en zelf een onderdanige positie in te nemen. In zo’n geval is het beter om over te gaan op ‘mismatchen’, dus precies het tegenovergestelde te doen. Leunt een kind naar voren, buig als ouder dan juist naar achteren. Daarmee geef je aan dat je niet met hem meegaat en blijf jij de baas. ‘

Afstemmen

Afstemmen op het ‘denk?kanaal’ is een tweede techniek. Kinderen leren de wereld kennen door middel van hun zintuigen: zien, horen, voelen/aanraken, ruiken en proeven. Deze vijf zintuiglijke kanalen hebben een parallel lopend denkkanaal, dat gekoppeld is aan een specifiek, herkenbaar, non-verbaal gedragspatroon. Het denken verloopt vooral via zien (visueel), horen (auditief), voelen (kinestetisch) en het vertalen van ervaringen in woorden (digitaal).

De meeste mensen hebben een voorkeur voor één van deze denkmethoden. Door te kijken naar de bijzonderheden van de lichaamstaal, kunnen ouders te weten komen in welk denkkanaal hun kind zich bevindt. Dat is belangrijk om het kind (volledig) te kunnen bereiken. Althans, dat is de theorie van de psychologen Bandler en Grinder, de grondleggers van het Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP).

Van Marwijk geeft een voorbeeld: ‘Een kind dat druk aan het spelen is, gebruikt vooral zijn visuele denkkanaal. Als zijn moeder op dat moment een cd beluistert, bevindt ze zich op een ander denkniveau, namelijk het auditieve. Haar (auditieve) boodschap om te stoppen met spelen, zal haar kind pas bereiken als zij zich aan zijn denk-

level aanpast, bijvoorbeeld door een tijdje met hem mee te spelen. Door afstemming kunnen ouders hun kind zo van de ene naar de andere denkhouding begeleiden.’

Kennis van het voorkeurskanaal van hun kind kan de communicatie bevorderen: een visueel ingesteld kind, moet zijn moeder aankijken om te bevatten wat zij zegt.

Daarentegen zal een kind dat auditieve kanalen prefereert, juist moeten wegkijken om zich op mama’s woorden te kunnen concentreren.

Lichaamstaallessen

Lichaamstaal leren kinderen van hun ouders. Er bestaan immers geen vaste regels of woordenboeken waarin ze de betekenis van onuitgesproken boodschappen kunnen opzoeken.

Daarom is het belangrijk dat ouders zelf zoveel mogelijk eenduidige signalen afgeven. Een ‘congruente boodschap overbrengen’ heet dat in vakjargon: lichaamstaal en gesproken taal moeten hetzelfde zeggen. Als zijn huilende moeder hem bezweert dat ‘er echt niets aan de hand is’ zal een kind danig ?in de war raken. Huilen betekent toch verdriet? Heeft hij het dan altijd fout gehad?

Van Marwijk pleit ervoor dat ouders hun kinderen bewust maken van de betekenis van hun verborgen boodschappen. ‘Snauw hem niet toe dat hij verdorie rechtop moet gaan zitten, maar leg hem duidelijk uit dat het een ongeïnteresseerde indruk wekt als hij onderuitgezakt in zijn stoel zit.’

Emotionele voorbeelden op tv of video kunnen aangegrepen worden om kinderen te leren onderscheid te maken in non-verbale uitingen: ‘Wat voelt Bassie nou? Hoe zie je dat?’

Ze moeten daarbij vooral letten op ogen, wenkbrauwen en mond. Onderzoek toont aan dat de meeste emotionele signalen via deze lichaamsdelen worden geuit.

Ze af en toe corrigeren, kan ook geen kwaad. ‘Zie je dat je kind in zijn spel met anderen steeds veel ruimte inneemt, leg hem dan uit dat zoiets bij zijn speelkameraadjes irritatie kan opwekken omdat hij daarmee onbewust aangeeft de baas te (willen) zijn.’

Ouders kunnen hun kind ook leren hun lichaamstaal positief in te zetten. Zo zal een kind dat zijn verbale ‘Nee’ ondersteunt door non verbaal verzet (evenwichtige, ontspannen houding, oogcontact houden, niet glimlachen en met vaste, lage stem praten) beter weerstand kunnen bieden aan opdringerige verzoeken.

En tenslotte zouden ouders zich zelf ook bewust moeten zijn van hun eigen lichaamscommunicatie. Kinderen doen hun gebaren, gezichtsuitdrukkingen en houdingen na. Een moeder die zelf in woede steeds haar wenkbrauwen fronst en haar vuisten balt, moet niet verbaasd zijn als haar tweejarige dat ook doet. Want ook op non-verbaal gebied zijn zijn vader en moeder het grote voorbeeld!

Gezichtsuitdrukkingen en hun betekenis

Stand van de mond

  • glimlachend: gelukkig, vrolijk
  • afhangend: ongelukkig, teleurstelling
  • samengeknepen: kwaad, vastberaden
  • openstaand: verbaasd, verward
  • iets openstaand: geconcentreerd, nieuwsgierig
  • met de mondhoeken omhooggetrokken: snerend, afkeer
  • strak en gesloten: verborgen kwaadheid, desinteresse

Stand van de ogen

  • wijdopen: verrast, plezier, schrik, verontwaardigd
  • dichtgeknepen: kwaad, vastberaden, angstig
  • halfdichtgeknepen en fronsend: kwaad, maar ook: afkeer
  • losjes halfdicht: slaperig, ontspannen, op zijn gemak
  • normaal open: tevreden, ontspannen
  • stralend en wijdopen: opgewonden, plezier

Ook de mate van oogcontact tijdens het praten is van belang. Gemiddeld kijken ouders en kind elkaar tijdens een normaal gesprek circa twee seconden achtereen in de ogen. Een luisterend kind kijkt zijn vader of moeder zo’n driekwart van de tijd aan. Praat het, dan kijkt het minder dan de helft van de tijd. Maakt het minder dan een kwart van de tijd oogcontact, dan voelt het zich wellicht schuldig. Bij gebrek aan oogcontact heeft het kind waarschijnlijk iets te verbergen.

Wenkbrauwen en voorhoofd

  • gefronst: kwaad, vastberaden
  • volledig ontspannen: plezier, op zijn gemak, tevreden
  • opgetrokken met ontspannen gezichtsspieren: verward, twijfelend, nieuwsgierig
  • opgetrokken met gespannen gezichtsspieren: angstig, bezorgd, pijn
  • opgetrokken met open mond: geschrokken, verrast

‘Door haar armen om de schouders te slaan, biedt ze zichzelf troost’

  1. Van Marwijk: ‘De houding van de leerkracht is bepalend voor de sfeer in de klas. Beweegt hij of zij actief, dan zullen de leerlingen daarop reageren en het hoofd bij de les houden. Zit de leraar daarentegen onderuitgezakt of achterover, zoals op deze foto, dan is de kans groot dat ook de klas het ervan neemt. Hier zie je een aantal kinderen afhaken: het in het rood geklede jongetje zit onderuitgezakt ergens anders naar te kijken, de twee meisjes links naast hem zijn voor zichzelf begonnen, om maar niet te spreken over het kind in de blauwgeruite blouse naast de meester die zijn neus interessanter vindt.

    Vanuit zo’n nonchalante houding is het moeilijk voor de leerkracht om zijn leerlingen tot de orde te roepen. Hij is namelijk geen centrale figuur in de klas. Het kan zijn dat hij deze houding bewust heeft aangenomen om duidelijk te maken dat de kinderen zonder hem het gesprek op gang moeten houden. Ik zou er dan zelf voor hebben gekozen om zo’n dertig centimeter buiten de kring te gaan zitten. Dan is het duidelijker dat je er even niet bij bent. Opvallend is trouwens de intimiteit van de kring: ze zitten bijna bij elkaar op schoot. Kennelijk voelt het heel vertrouwd. Volwassenen zullen nooit zo dicht op elkaar gaan zitten: die behouden een flinke afstand tot hun groepsgenoten.

    Aan de afstand die een kind tot anderen bewaart, kun je zien hoe veilig hij zich voelt. In zijn intieme cirkel (binnen 45 centimeter rond het lichaam) laat hij alleen familie en heel goede vrienden toe. Bij normale conversatie en dagelijkse bezigheden zal hij een afstand van zo’n 45 centimeter tot 1,2 meter bewaren (persoonlijke cirkel). In meer formele en minder ontspannen situaties komen anderen niet dichter dan 1,2 tot 3,6 meter rond het kind (sociale cirkel).’
     

  2. Van Marwijk: ‘De juffrouw verheft zich hier letterlijk boven haar klas. Daarmee houdt ze haar leerlingen op afstand. Om natuurlijker met kinderen te kunnen communiceren is het beter om op gelijke hoogte te zitten: allemaal op de grond of op een stoel.

    Een heel eigen taal spreken de uitgestoken vingers. De twee meisjes in het rose willen dolgraag een beurt: dat zie je aan de overdreven uitgestrekte vingertjes. Het jongetje in het geruite bloesje weet het antwoord wel en wil niet bij zijn klasgenootjes achterblijven, maar krijgt liever geen beurt. Anders had hij zijn vinger wel recht omhoog gestoken in plaats van hem een beetje schuin naast zich te houden. Tenslotte doen drie leerlingen er alles aan om maar vooral niet op te vallen. Zij zijn ogenschijnlijk in iets anders verdiept. Ze kijken de juf niet aan, want door dat oogcontact zou die wel eens kunnen denken dat ook zij graag het antwoord willen geven. Ditzelfde gedrag zie je ook in vergaderingen bij volwassenen die liever niks willen zeggen. Die doen dan ook alsof ze het vreselijk druk hebben met iets anders. Dat soort bijeenkomsten levert vaak de mooiste tekeningen op!’
     

  3. Van Marwijk: ‘Deze jongen links doet zijn best om indruk te maken. Waarschijnlijk staan er andere jongens achter hem, want dit gedrag vraagt om publiek. De drie achterste meisjes vinden zijn haantjesgedrag maar niets. Dat blijkt uit het feit dat ze zich een beetje van hem afkeren, maar vooral uit de gezichtsuitdrukking van de meisjes met de haarbanden: pure afkeer!’
     
  4. Van Marwijk: ‘Het jongetje overheerst het meisje in alle opzichten. Hij maakt zich groot, zij maakt zich klein. Zijn houding is open. Hij gesticuleert hevig en heeft het hoogste woord, maar niet tegen haar. Ook fysiek neemt hij veel ruimte in, zowel met zijn lichaam als met zijn spullen. Het meisje lijkt in zichzelf weg te willen kruipen. Zij toont een gesloten houding. Door haar armen om haar schouders te slaan, biedt ze zichzelf troost en bescherming.’

    ‘Zijn open mond geeft aan hoe gespannen hij is: hij hapt naar zuurstof’
     

  5. Van Marwijk: ‘Op deze foto zie je duidelijke verschillen in lichaamstaal tussen zelfverzekerde en verlegen kinderen. De jongen op het zadel toont het minst verlegen en het meest extrovert. Hij kijkt recht in de camera en neemt een nonchalant asymmetrische houding aan. Zijn vriend naast hem staat in een voor kinderen kenmerkende, onzekere houding met gekruiste voeten en de bovenbenen stijf tegen elkaar. Geen relaxte pose. Dat hij er toch bij wil horen blijkt uit de hand die hij – schijnbaar dominant – op het stuur over de arm van de ander heeft gelegd. Het achterste jongetje voelt zich overduidelijk niet op zijn gemak. Dat blijkt uit zijn houding (schouders naar binnen en hoofd omlaag), mimiek (verlegen glimlach met stijf opeen geknepen lippen) en blikrichting (wegkijken en steun zoeken bij iemand die blijkbaar buiten beeld staat). Ook gefriemel aan de oorlel, een hand voor de mond of krabben in de nek kan op verlegenheid en onzekerheid duiden.’
     
  6. Van Marwijk: ‘Dit meisje heeft zó’n grote pop gekregen. Vermoedelijk komt de aangegeven omvang niet overeen met de werkelijke grootte. Bij kinderen weerspiegelen de gebaren niet zozeer de werkelijkheid, maar hun interpretatie daarvan. Het kind liegt niet. Voor haar is die pop echt zo gigantisch. Kinderen zijn trouwens niet in staat tot abstracte gebaren. Ze zullen bijvoorbeeld niet gauw een cirkel maken om hun gezin aan te duiden. Subtiele of abstracte lichaamstekens zijn evenmin aan hen besteed. Daar snappen ze niks van, omdat ze nog niet abstract kunnen denken.

    Als je kinderen vraagt een houding te beschrijven, dan geven ze heel concreet aan wat ze zien. Wij zeggen dat iemand een zelfverzekerde en vastberaden indruk maakt, zij zeggen dat hij rechtop staat met zijn benen uit elkaar. Op emotioneel niveau begrijpen ze de betekenis van die subtiele signalen overigens wel degelijk. Al zijn ze het zich niet bewust, ze voelen prima aan wat een ander hen zonder woorden duidelijk wil maken.’
     

  7. Van Marwijk: ‘Deze jongen bevindt zich in een heel penibele situatie. Zijn moeder gaat hem een standje geven. Kijk maar eens naar die bijna verwijtende vinger. Misschien heeft de leraar gebeld of is-ie net met een slecht rapport thuisgekomen. De zoon maakt zich op voor de confrontatie, al probeert hij die nog wel te ontlopen: hij heeft zich klein gemaakt door zijn hoofd te buigen en zijn handen in zijn zakken te stoppen. Zijn boze moeder durft hij niet aan te kijken. Ook de open mond geeft aan hoe gespannen hij is. Dan gaan mensen meestal letterlijk naar zuurstof happen.’

Houdingen en hun betekenis

  • Met de handen in de zij, recht aankijkend: vastbesloten, kwaad
  • Voorovergeleund zittend op een stoel: geïnteresseerd, deze houding helpt iemand zich te concentreren
  • Afgewend naast iemand zitten: geen zin in contact, boos of vijandig
  • Staan met handen in de zakken: ontspannen, op zijn gemak
  • Zitten of staan met over elkaar geslagen armen: goed-gehumeurd, gelukkig. Staan met gekruiste armen kan daarentegen ook op agressie en vijandigheid wijzen.

Bron: Dr. Richard Woolfson, De lichaamstaal van je kind, ?ISBN 9060306015, E 13,50.

Meer weten?

Op de site van Bodycom Lichaamscommunicatie (www.lichaamstaal.com of www.lichaamstaal.nl) is informatie opgenomen over alle facetten van lichaamstaal.

Voor informatie over voordrachten op scholen en op ouderavonden kunt u contact opnemen met lichaamstaaldeskundige Frank van Marwijk, te bereiken via info@lichaamstaal.nl of tel. 071-561 48 01/06 16 02 42 19.

‘Zij horen er duidelijk niet bij’

Van Marwijk: ‘Een kenmerkend schoolpleinbeeld. Daar zie je geregeld groepjes staan met een aantal er zo half achter, die zich dolgraag willen aansluiten. Maar de kring blijft voor hen gesloten. De kinderen wijken niet, staan dicht op elkaar om het groepsgevoel te onderstrepen, blijven met hun voeten naar voren staan en keren zich niet naar de tweede rang toe. De boodschap is zonneklaar: die twee horen er niet bij. Hoe anders is dat als een populair kind de kring nadert. Dan zul je zien dat de groep zich opent en de kinderen zich met hun hele lichaam naar hem toewenden. Leerkrachten zouden alert moeten zijn op deze groepsdynamiek. Op het schoolplein wordt duidelijk wie er bijhoort en wie niet.’

Reageer op artikel:
‘Hun lichaamstaal liegt nooit’
Sluiten