‘Jongens en onderwijs: een ongelukkige combinatie’

Jongens hebben het vaak niet makkelijk op school. Journalist Johannes Visser schreef een mooi artikel over waar veel jongens in het onderwijs tegenaan lopen. ‘Het devies is vaak toch: stilzitten en koppen dicht.'

Visser bezocht voor het stuk het Zaanlands Lyceum. Op deze school is een zaalvoetbalcompetitie gaande waar leerlingen en docenten aan meedoen. Zo wordt er ruimte gecreëerd voor 'typische jongensgedrag' en het geeft docenten bovendien de kans een band met de jongens op te bouwen. En dat is hard nodig.  Jongens en onderwijs zijn een ongelukkige combinatie, stelt Visser in het artikel. Ze stromen vaker af naar een lager niveau, hebben vaker gedragsstoornissen en blijven vaker zitten.

‘De’ jongen

Natuurlijk is het te gemakkelijk om over 'de' jongen te schrijven, schrijft Visser, maar één type leerling zal iedere docent volgens hem kennen: ‘hij zit altijd achter in het lokaal, onderuitgezakt, heeft een handschrift dat zich niets aantrekt van de lijntjes in zijn schrift en heeft zelden zijn huiswerk op orde – al weet je dat nooit zeker, want naar eigen zeggen heeft hij het vaak wel gemaakt, maar is hij net die dag zijn schrift vergeten. Vrijwel altijd is het een jongen.’

Niet dommer

Hoewel jongens vaker in de problemen komen op school dan meisjes, zijn ze zeker niet dommer. Dit is ook gebleken uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen. dat in 2010 werd uitgevoerd. Het verschil tussen de cognitieve mogelijkheden – dus hoe ze kunnen leren – is tamelijk tot zeer klein volgens de onderzoekers. Alleen in werkwoordspelling zijn meisjes beter en ook kunnen zij iets beter begrijpend lezen. Jongens zijn vaak weer sterker in wiskunde.

Niet cognitieve kenmerken

Gaat het om niet cognitieve kenmerken, zoals werkhouding en sociaal gedrag, dan doen jongens het een stuk slechter in de statistieken. Ze hebben vaker gedrags- en concentratiestoornissen en gaan vaker naar het speciaal onderwijs. ‘Bovendien nemen ze vaker deel aan lagere onderwijsniveaus, stromen ze vaker uit als voortijdig schoolverlater, stromen ze vaker af naar een lager niveau en blijven ze vaker zitten. Al jaren moet zo’n 20 procent van de jongens in 4 havo het jaar voor een tweede keer doen.’

‘Typisch jongensgedrag’

Wat is er toch met die jongens aan de hand, vraagt Visser zich in het stuk af? Niets, is het antwoord van historica Angela Crott. Zij promoveerde in 2011 aan de Radboud Universiteit Nijmegen op een proefschrift over ‘typisch jongensgedrag,’ over de rol van de jongen in opvoedingsliteratuur sinds 1882. ‘Aan de jongen is niets veranderd, maar de samenleving is zijn gedrag steeds minder gaan waarderen,’ zegt Cott. ‘Wat voorheen typisch jongensgedrag was, werd een gedragsstoornis.’

Geschiedenis

Het grote omslagpunt vond plaats in de jaren zeventig. Problemen met kinderen werden voor die tijd gezien als opvoedingsproblemen, waar ouders bij geholpen moesten worden. Het lag dus niet aan de kinderen zelf. Na die tijd is dit verandert. Het uitgangspunt werd dat kinderen ‘een normale psychologische ontwikkeling’ moesten doormaken. ‘Normaal’ werd zo een normatief begrip. Crott: ‘Moralisering was uit, (ontwikkelings)psychologisering was uit. Opvoedfouten werden gedragsproblemen of ontwikkelingsproblemen.’

Bovendien werden die problemen vanaf 1980 steeds vaker in kaart gebracht door vrouwen die niets snappen van de lawaai-, actie-, geldings- en exploratiedrang van jongens, schrijft Crott. Wat voorheen typisch jongensgedrag was, werd een gedragsstoornis en pedagogisch advies voor ouders werd vervangend door Ritalin voor kinderen.

Crott concludeert in het artikel: ‘Het mag dan zo zijn dat al die energie, dadendrang en onderzoeksdrift de wereld een paar mooie ontdekkingen heeft opgeleverd, maar inmiddels is onze samenleving ingericht op rust, regelmaat, gehoorzaamheid, samenwerken en overleg.’

Schoolsysteem

Dit geldt ook voor het schoolsysteem zegt Visser. Docenten doen misschien hun best om 'activerende werkvormen' in hun lessen in te passen, maar het devies is vaak toch 'stilzitten en koppen dicht.' Als Visser de voetballende jongens vraagt of ze een oplossing weten, zeggen ze van wel. Wat hen betreft zouden de instructielessen korter moeten zijn, mag school wel wat afwisselender zijn en zou lichaamsbeweging, practica en competitie een grotere rol moeten spelen in  het onderwijs.

Een van de jongens, Lex, heeft nog een andere oplossing: ‘Je hebt van die dagen dat je je toch niet kan concentreren. Je zou een blokuur in de week tegen je leraar moeten kunnen zeggen dat je even buiten gaat chillen. Waarom niet? Als je eruit gestuurd wordt dan ben je de lul en als je blijft zitten dan heeft de docent er last van. Dan kan je toch het beste even naar buiten? Gewoon een win-winsituatie.’

Docenten

Er zijn docenten die dat wel goed aanvoelen, zeggen de jongens. Bij hen doen ze dan ook beter hun best. Jens heeft bijvoorbeeld een afspraak met zijn docent biologie: als hij 7’s haalt voor zijn toetsen, zeurt zijn docent niet over zijn huiswerk. Ook juichen de jongens het toe dat er docenten zijn die niet alleen serieus met de lesstof bezig zijn, maar die ook eens vertellen over de wereld buiten school en die, heel belangrijk, grappen uithalen.

Conclusie

De conclusie van Visser? Natuurlijk is zaalvoetbal niet dé oplossing voor het 'jongensprobleem’, maar het zou helpen als jongens ook onder schooluren niet altijd maar hun mond zouden moeten houden en stil zouden moeten zitten. Ook zou het helpen om hen niet alle verantwoordelijkheid af te nemen wanneer zij zich niet aan de door school opgestelde regels houden. Er zou meer begrip moeten zijn voor hun 'typische jongensgedrag’. Deze leerlingen zouden dan wel eens gemotiveerder, slimmer en socialer kunnen zijn dan hun rommelige schrift en onderuitgezakte houding doen vermoeden.

Lees hier het hele artikel.

Bron: decorrespondent.nl

Reageer op artikel:
‘Jongens en onderwijs: een ongelukkige combinatie’
Sluiten