Kleuteren ís leren

redactie 19 jun 2018 Groepen 1-8

Kleuters worden te veel getoetst en hebben nauwelijks tijd om lekker te spelen. Alles is erop gericht om achterstanden zo snel mogelijk op te sporen. Tegelijkertijd zijn leerkrachten niet meer gespecialiseerd in de ontwikkeling van vier- en vijfjarigen. Moet het kleuteronderwijs terug naar af?

Een ruim, licht klaslokaal, ergens midden jaren zeventig. Een groep van twintig kleuters is heerlijk aan het spelen. De één bouwt met blokken, de ander legt rijtjes knopen naast elkaar en een derde is met verf in de weer. Op een stoel in de hoek zit de juf. Met een blocnote op haar schoot houdt ze de kinderen nauwlettend in de gaten. Af en toe noteert ze iets, of staat ze op om een kind te helpen bij zijn spel.

Vóór 1985 was dit het beeld van de kleuterschool. Een plek waar vier- en vijfjarigen al spelend leerden, nog niet gehinderd door toetsen en afvinklijsten. De kleuterleidsters (leiders waren er nagenoeg niet) observeerden, stimuleerden de kinderen in hun spel en droegen ideeën aan.

Schrijven leren als kleuter

Dat veranderde toen onderwijsminister Van Kemenade in datzelfde jaar besloot dat de kleuterschool – tot dan toe een apart traject – moest integreren in het lager onderwijs. De gedachte was dat onderwijs aan kleuters en schoolkinderen voortaan een doorgaande lijn zou moeten vormen. Het betekende niet alleen een verhuizing naar een kleiner lokaal in het lagere schoolgebouw; het had ook invloed op het lesaanbod. Het lokaal van de eerste klas bevond zich plotseling naast dat van de kleuters, dus drong zich hier ook figuurlijk de sfeer van leren binnen. Want hoe meer kleuters hun eigen naam alvast konden schrijven en tot twintig konden tellen als ze groep 2 verlieten, hoe handiger dat was voor de leerkracht van groep 3. Langzaamaan begon het kleuteronderwijs te vercognitificeren.

Nu, twintig jaar na de afschaffing van de ouderwetse kleuterschool, maken deskundigen de balans op en uiten felle kritiek op het huidige kleuteronderwijs. In november vorig jaar organiseerden zij zelfs een congres met de veelzeggende titel ‘De kleuterschool moet terug!’, wat honderden leerkrachten, (ortho)-pedagogen en andere geïnteresseerden op de been bracht. Een van de sprekers op het congres was orthopedagoog Aleid Beets Kessens, van huis uit kleuterleidster en nu onder meer werkzaam als trajectcoördinator bij het Opleidingscentrum Speciale Onderwijszorg (OSO) dat bijscholing aan leerkrachten verzorgt. Beets Kessens herkent veel in de kritiek, al valt er heus ook iets goeds te zeggen over de hervormingen van 1985. ‘Wij kleuterleidsters wisten zo ongeveer alles van het jonge kind, maar zodra het 6 werd en dus schoolrijp, hield onze kennis op. Die doorgaande lijn binnen het onderwijs was er nog niet. Ons werd opgedragen ons niet te bemoeien met cijfers en letters. Dus als een vijfjarige de behoefte had om vast voorzichtig te beginnen met lezen of schrijven, konden we het niets bieden. Door de integratie werd het kleuteronderwijs veel beter afgestemd op de jaren die volgden.’

Etiketten plakken

Met de opheffing van de oude kleuterschool sloot tegelijkertijd de gespecialiseerde opleiding voor kleuterleidsters (Klos) zijn deuren. Nu alle schoolkinderen verenigd werden in hetzelfde gebouw, was het toch eigenlijk handiger als leerkrachten in spe breed werden opgeleid, zodat ze in elke klas inzetbaar zouden zijn. ‘Beleidsmakers zagen de waarde niet van een gespecialiseerde opleiding als de Klos, kleuterleidsters werden altijd als tweederangs leerkrachten beschouwd. “Het enige wat jullie doen is op de rand van de zandbak zitten,” riepen collega’s vaak geringschattend,’ zegt Aleid Beets Kessens.

En zo ontstond de Pabo, en ging met het verdwijnen van de Klos een schat aan belangrijke kennis verloren. ‘Op de Klos werden we drie jaar lang onderwezen in de ontwikkelingspsychologie van het jonge kind. We zaten dagen achtereen in een kleuterklas te kijken naar wat er gebeurde, en zo kwamen we heel veel te weten over de cognitieve, sociaal emotionele, motorische en zintuiglijke ontwikkeling. Dat ziet er voor een buitenstaander natuurlijk nogal passief uit, maar daardoor wisten we wel heel goed welk gedrag bij welke ontwikkelingsfase hoorde en wat er aan de hand was als het niet overeenkwam.’ Bovendien was er op de Klos nog veel aandacht voor spel en spelen. ‘We leerden er letterlijk hoe we met blokken het best een kasteel konden bouwen. Ook de verschillende materialen – in die tijd onder meer knopen, kralen, ringen en stokjes – kwamen ruimschoots aan bod. Met een doos knopen konden we wel vijfentwintig verschillende spelletjes verzinnen, we werden er heel creatief van.’

En dat alles is juist wat ontbreekt aan de huidige lichting kleuterleerkrachten, vindt Beets Kessens. ‘Zij hebben de Pabo doorlopen met – als ze mazzel hadden – een korte specialisatie over het Jonge Kind, maar weten lang niet zoveel over de ontwikkeling van kleuters als de oude garde. Daar kunnen ze niets aan doen, het lesaanbod is uitgebreid terwijl er minder tijd per vak beschikbaar is, maar dat heeft wel tot gevolg dat ze sneller etiketten plakken als een kleuter iets doet wat ze niet herkennen. “Dat kind zal wel een angststoornis hebben,” wordt bijvoorbeeld al gauw geroepen, terwijl het hebben van angsten erg hoort bij een bepaalde fase in het leven van een kleuter. En omgekeerd zien ze gedrags- of leerproblemen hierdoor soms over het hoofd.’

Toetsgekte

En dan is er nog het alsmaar groeiende aanbod aan toetsen en tests waar Aleid Beets Kessens zich zorgen over maakt. Was dat tot een aantal jaar geleden slechts voorbehouden aan de oudere kinderen op school, nu moeten ook de allerjongsten zich aan de ‘toetsgekte’ wagen. Door het toenemende aantal allochtone achterstandskinderen is een aantal jaar geleden de trend ontstaan om achterstanden zo vroeg mogelijk op te sporen, liefst bij het begin van de kleuterperiode, zodat er nog voldoende tijd is om eraan te sleutelen – en er dus geld wordt bespaard. ‘Het is toch eigenlijk bezopen dat het onderwijs zo gericht is op achterstanden en niet op mogelijkheden?’ vindt Beets Kessens. ‘Waarom zou je je alleen maar verdiepen in wat een kind niet kan? Als je ontdekt wat een kind wél kan, verschaf je jezelf daarmee instrumenten om de zwakke kanten te verstevigen. Een kind dat niet zo goed is in rekenen, maar een kei is in voetbal, kun je helpen door bijvoorbeeld zijn doelpunten te tellen.’

Maar belangrijker is volgens haar de vraag of het toetsen wel zinvol is. Kleuters ontwikkelen zich tot ongeveer hun zesde jaar stapsgewijs; dat wat ze de ene dag kunnen, doen ze de dag erna niet of zelfs beter. ‘Het toetsen van een kleuter is dus niet meer dan het vastleggen van een momentopname. Dat zegt niet zoveel over een kind, maar wordt ondertussen wel opgenomen in het leerlingvolgsysteem. Gechargeerd gezegd: een kleuter die op een slechte dag getoetst wordt, kan hier in het ongunstigste geval zijn hele basisschooltijd door achtervolgd worden.’

Scholen mogen formeel zelf bepalen óf en welke toetsen ze willen hanteren. Maar in de praktijk blijkt dat veel onderwijs-inspecteurs aan het eind van het jaar resultaten van elke leerling verwacht, gevat in landelijk genormeerde cijfers. Dan moet je wel sterk in je schoenen staan om niet met cijfers aan te komen maar met goed onderbouwde observaties.

Die toetsen zijn ergens ook wel makkelijk, snapt Beets Kessens. ‘Zeker als je als beginnend leerkracht onzeker bent over je eigen inzichten, heb je met die tests een betrouwbaar en simpel toepasbaar middel in handen. Je kunt precies leveren waar de onderwijsinspectie om vraagt, en hoeft minder tijd te steken in eigen observaties – tijd die je met de grote klassen van tegenwoordig wel beter kunt besteden.’

De kleuterschool terug?

Er moet dus iets veranderen aan het huidige kleuteronderwijs, vindt Beets Kessens. Maar wat dan? Moeten we werkelijk weer terug naar de oude kleuterschool? ‘Nee,’ antwoordt ze stellig. ‘We moeten niet terug naar de oude kleuterschool, ook niet naar de oude kleuterjuf, maar naar een nieuwe specialist van het jonge kind.’

Daartoe zouden de Pabo’s moeten worden aangepast, stelt ze voor. ‘Het eerste jaar op de Pabo zou een algemeen jaar moeten zijn, dat gaat over de hele basisschoolleeftijd van 4 tot 12. Zo kunnen studenten een voorkeur ontwikkelen voor een bepaalde leeftijdsgroep waarmee ze later zouden willen werken. Na dat eerste jaar kiezen ze uit twee specialisaties: de leeftijdscategorie 4 tot 8 of 8 tot 12. Studenten die dan al weten dat ze later voor de kleuterklas willen staan, hoeven niet meer eindeloos stage te lopen in alle klassen, maar kunnen zich vanaf het tweede jaar focussen op dat wat ze écht leuk vinden.’

Testen tegen wil en dank

Marian van Benthem (59) stond dertig jaar voor de kleuterklas en is sinds een aantal jaar directeur van een Jenaplanbasisschool. Ze is dus een oude Klos’er, en heeft de grote veranderingen in het kleuteronderwijs aan den lijve ondervonden. Als grootste verschil met vóór de hervormingen, noemt Van Benthem het feit dat er steeds minder tijd is om te spelen. ‘Door de overvloed aan computerspellen en tv-programma’s en een gebrek aan ruimte spelen kinderen thuis al amper buiten; het is daarom ontzettend jammer dat het spelelement nu ook op school aan afbraak onderhevig is.’

Op haar school probeert Van Benthem er zo veel mogelijk voor te waken dat het cognitieve de boventoon voert, maar dat kan niet tegen de klippen op. ‘Sinds twee jaar toetsen wij onze kleuters. Dat besluit ging niet van harte, maar we voelden ons gedwongen daar toch in mee te gaan. De schoolinspecteur rekent op de resultaten, om te zien hoe onze school functioneert in vergelijking met andere scholen. Het is jammer dat ook mijn kleuterleerkrachten nu gebonden zijn aan het behalen van doelen die te vaak achter bureaus bedacht zijn.’

Op haar school is er bewust voor gekozen om alleen de oudste kleuters aan toetsen te onderwerpen, wat vrij uniek is volgens Van Benthem. ‘Wij hebben altijd al ingezien dat kleuters zich anders, speelser ontwikkelen dan schoolkinderen en daarom een andere aanpak nodig hebben.’

In januari doen deze oudste kleuters een Taal-toets en een toets in Ordenen. Als een kind scoort op ‘risiconiveau’, krijgt het extra hulp en eventueel begeleiding van een Remedial Teacher. In sommige gevallen wordt dan in mei nog eens getoetst of de vorderingen van het kind voldoende zijn.

Toch is er ook een positief punt aan het toetsen. ‘Omdat wij als Jenaplanschool de kinderen geen rapporten geven, merken we dat het soms ook wel handig is om onze – voor ouders – abstracte bevindingen kracht bij te zetten door toetsresultaten van hun kind te laten zien.’

‘Observeren heb ik niet geleerd’
Ze dacht altijd dat werken met kleuters niks voor haar was. Maar tijdens haar studie aan de Pabo in Utrecht had Ellis Kessens (27) welgeteld tien weken stage gelopen in een kleuterklas, dus echt goed kon ze er ook niet over oordelen. Ze vond het daarom wel een uitdaging toen ze werd aangenomen als kleuterleerkracht op een basisschool in Eemnes. Ze vindt het er geweldig, maar dat had ze liever eerder geweten. ‘Het lijkt mij daarom een prima idee om de Pabo’s opnieuw in te richten waardoor je je beter kunt verdiepen in leeftijdsfasen van kinderen.’

Kessens werkt nauw samen met een oudere collega die haar opleiding nog aan de Klos heeft gevolgd. ‘Zij kan dingen die ik ook zou willen kunnen, maar die ik in mijn opleiding duidelijk gemist heb. Misschien is het ook een kwestie van ervaring – zij zit al jaren in het vak – maar ze kan goed observeren en doorziet onze kleuters heel goed.

Ik heb in het eerste jaar van de Pabo slechts één module ontwikkelingspsychologie gehad. En toen was ik 19, dan beklijft het toch een stuk minder.’

Een dubbel gevoel heeft ze over de materialenkennis, waar haar collega ruimschoots over beschikt en die zij ontbeert. ‘Met ouderwetse materialen als een doos knopen zit ik maar een beetje te stuntelen; tijdens mijn studie ben ik niet echt uitgedaagd om creatief te zijn. Toch, een kind van nu kun je niet blij maken met knopen, die haalt zijn neus er voor op en kruipt liever achter de computer.’

Met de heersende toetsgekte heeft Kessens niet zoveel moeite. ‘Als kleuters voor het eerst bij mij in de klas komen, wil ik graag weten waar de knelpunten zitten. Dat zou ik ook te weten kunnen komen door ze te observeren, maar dat heb ik nu eenmaal niet geleerd. De kleuters in haar klas worden elk jaar zes keer getoetst. ‘De hoeveelheid toetsen die we afnemen wordt voor een deel bepaald door onze onderwijsinspecteur: die stimuleert ons eerder meer dan minder toetsen te gebruiken.’

Wat moet een kleuter weten?

Voor kleuters bestaan er drie verschillende toetsen: de Taal-, Ruimte en Tijd-, en Ordenentoets. Die toetsen kunnen elk twee keer per leerjaar gehanteerd worden, in januari en in mei. Bij elkaar opgeteld betekent dit dat scholen hun kleuters maar liefst twaalf keer per jaar kunnen toetsen.

Aan het eind van de kleuterperiode moet een kind bepaalde doelstellingen behalen. Zo moet het begrippen als grootste, dunste en langste kennen; de cijfers van 1 tot 10 kunnen opnoemen; hoeveelheden tot 6 kunnen overzien; weten wat de leesrichting is; het verschil kennen tussen cijfers en letters; het verschil in klanken horen en weten wat een begin- en een eindklank is.

Reageer op artikel:
Kleuteren ís leren
Sluiten