Maar ze is wél gelukkig

redactie 21 jun 2018 Blogs

Soms zou ik willen dat iedereen al wist dat ik een gehandicapt kind heb. Dat het gewoon een natuurlijk gegeven was op de achtergrond. Dat ik nooit meer één gedachte hoefde te wijden aan het ter sprake brengen van haar anders-zijn.

Tot die tijd zit ik met de kwestie: aan wie vertel ik het en, vooral, wanneer begin ik erover?

In oppervlakkige situaties – in winkels, op borrels en feestjes – houd ik het meestal voor me. Gewoon omdat de gelegenheid er niet naar is of omdat ik geen zin heb in een zwaar gesprek. Komt het gesprek dan toch op ‘de kinderen’, dan manoeuvreer ik het listig naar de kinderen van die ander.

Dat gaat ongeveer zo:

‘Heb jij kinderen?’

‘Ja, eentje, een meisje van 5.’

‘Dat vind ik zo’n leuke leeftijd, dat ze naar school gaan en zo.’

‘Ja, heel leuk. Hoe oud zijn jouw kinderen dan?’

Waarna de ander enthousiast over zijn kinderen begint te vertellen – dat doen mensen nu eenmaal graag – en ik denk: zo hier heb ik me weer goed uit gered.

Helaas duurt die opluchting maar kort. Want al snel voel ik me schuldig over mijn ontwijkingsgedrag. Alsof ik Yaëls bestaan ontken, alsof ik niet trots op haar ben. En hoe langer de smalltalk-situatie geduurd heeft, hoe slechter mijn gevoel erover achteraf. Vooral als ik op een gegeven moment alles weet over de kinderen van de ander – de kleine en grote zorgen: ‘we zijn zo bang voor een vmbo-advies’, ‘we denken wel eens aan adhd’ – maar die ander niets over mijn kind. Mijn bijzondere meisje, mijn beertje, mijn trots.

En die ander maar denken dat ik een geweldig geïnteresseerde luisteraar ben, terwijl ik, ik moet het toegeven, in een slechte bui wel eens denk: bang voor een vmbo-advies? Ik zou een gat in de lucht springen bij een vmbo-advies. Of: moe van je pasgeboren baby? Ik heb al vijf jaar pasgeboren-babynachten.

Maar meestal val ik gelukkig perfect samen met mijn ontwijkingsgedrag en vind ik het oprecht interessant, zo’n inkijkje in een ander leven.

En er zijn genoeg situaties waarin ik de ander ook een inkijkje in mijn leven geef. Niet per se omdat ik graag over Yaël praat – soms wil ik heel graag over haar vertellen, soms wil ik het juist niet over haar hebben en even los van haar zijn – maar vooral omdat het handig is als mensen die ik vaker zal tegenkomen, het weten. Het makkelijkst is het om het te vertellen als het gesprek toch al over kinderen gaat. Dat gaat dan ongeveer zo:

‘Heb jij vier kinderen? RESPECT!’

‘Ja, vier. Als we iets doen doen we het goed. Hoeveel heb jij er dan?’

‘Eentje, een meisje, ze is net 5 geworden.’

‘Wil je er meer?’

‘Weet ik niet. Bij ons is de situatie een beetje anders. Yaël is namelijk gehandicapt.’

‘Yaël: mooie naam. Wat heeft ze dan?’

‘Ze is verstandelijk gehandicapt, autistisch en ze heeft een ingewikkelde epilepsie.’

‘Heftig.’

‘Ja, heftig ja, daarom weet ik niet of ik een tweede wil. De zorg voor haar is nu te doen, maar wel nét aan.’

‘Lijkt me zwaar.’

Op dit punt valt er dan een stilte, omdat mijn brein verwoed bezig is met de vraag ‘hoe red ik me hieruit, hoe breng ik dit gesprek tot een soepel einde, hoe zorg ik ervoor dat de ander zich niet ongemakkelijk gaat voelen door zoveel gebrek aan luchtigheid in wat bedoeld was als een praatje’.

Ik kies weer eens de makkelijkste weg.

‘Maar ze is wel heel gelukkig.’

‘Nou, daar gaat het om.’

‘Ja, daar gaat het om.’

Zo, het is gelukt. De ander is zichtbaar opgelucht en ik ben ook blij dat we dit deel achter de rug hebben. Hij weet het nu, dus we hoeven het er niet meer over te hebben, tenzij hij oprecht geïnteresseerd is. Maar dan hoef ik in ieder geval geen ingewikkelde vragen meer te beantwoorden over schoolkeuzes en kinderwensen.

Reageer op artikel:
Maar ze is wél gelukkig
Sluiten