Minder spelen, meer leren

redactie 19 jun 2018 Groepen 1-8

De overgang van groep 2 naar 3 is de grootste stap die een kind op de basisschool maakt. Hoe bereiden leerkrachten hun oudste kleuters daarop voor? En wat kunnen ouders doen?

Er zijn oudste kleuters die op kamp gaan. Bij de Goudenregenschool in Hilversum bijvoorbeeld, beschouwen ze dat als een mooie traditie. ‘Ouders vinden het eng, maar kleuters vinden het helemaal geweldig,’ zegt Lot Diepenbroek, leerkracht bij de kleuters op deze school. Al vijf jaar gaat ze mee met het oudste-kleuterkamp en nog nooit was er ook maar één kind met heimwee. De jongste kleuters zijn er de eerste dag ook bij. Tot zes uur; dan gaan deze ‘kleintjes’ naar huis en kan het echte feest voor de ‘grote kinderen’ beginnen. Eerst bingo, dan een heuse disco en tot slot… slapen. In een vreemd bed, op een grote zaal met misschien wel nieuwe vriendjes, en zonder papa of mama. Diepenbroek: ‘De oudste kleuters uit onze drie kleutergroepen komen na de zomervakantie bij elkaar te zitten in één groep 3. Je merkt tijdens het kamp dat de klassen zich gaan mengen. De oudste kleuters trekken naar elkaar toe en tegen het einde vormen ze meestal al een hechte groep.’ Laat dat nou precies de bedoeling zijn van dit ‘inwijdingsritueel’.

Met de invoering van de Wet op het Basis-onderwijs (WBO), twintig jaar geleden, kwam er een einde aan de Kleuterschool. Sindsdien doorlopen kinderen acht groepen in de basisschool. Achterliggende gedachte was, zo valt te lezen in artikel 8, lid 1 van de WBO, ‘het basisonderwijs zo in te richten, dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.’ Het begrip ‘ononderbroken’ werd niet nader verklaard en tot op de dag van vandaag is er discussie over de vraag hoe heilzaam of noodzakelijk een ononderbroken ontwikkeling nu eigenlijk is. Hoe dan ook is één ding zeker: van groep 2 naar 3 is nog steeds de grootste stap binnen de basisschool.

Per school criteria

Scholen mogen zelf criteria vaststellen op grond waarvan ze kinderen al dan niet laten doorgaan naar groep 3, want wettelijke bepalingen ontbreken. (Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) schrijft slechts voor dat een kind vanaf 4 naar school mag en vanaf 5 jaar leerplichtig is.) Vroeger hanteerden veel scholen een ijzeren regel: wie uiterlijk in september 6 zou worden, mocht door naar groep 3. Geboren in oktober of later moest er nog een jaar doorgekleuterd worden. Tegenwoordig laten de meeste scholen andere factoren dan de kalenderleeftijd zwaarder wegen. ‘Wij beoordelen voor elk kind afzonderlijk of het klaar is om naar groep 3 te gaan,’ zegt Marjan Plevier. Ze is Intern Begeleider op de Goudenregenschool en staat bovendien één dag in de week voor een kleutergroep. ‘Het belangrijkste criterium is dat het kind sociaal-emotioneel toe is aan de overgang naar groep 3. Zit het goed in zijn vel en wil het een volgende stap maken? Heeft het kind vriendjes onder oudste kleuters? Is het al een eigen persoon?’

Veel jongste kleuters laten alles graag, aldus Plevier, over zich heen komen: in plaats van zelf te kiezen laten ze zich liever leiden. ‘Vanaf groep 3 bepaalt het af te werken programma de activiteiten in de klas; er zijn dan veel minder eigen keuzemomenten. Juist daarom moeten kinderen vóór die tijd leren initiatief te nemen en vanuit zichzelf te kiezen.’ In de kleutergroepen moet daar dus ruimte voor zijn.

Behalve het sociaal-emotionele speelt ook het cognitieve aspect een rol. Er zijn toetsen in omloop die de taalvaardigheid, het besef van ruimte en tijd en het ordeningsvermogen van kleuters meten. Leeftijd speelt, zoals gezegd, een ondergeschikte rol. Wat niet wegneemt dat de meeste kinderen nog altijd naar groep 3 gaan als ze 6 zijn, of bijna worden.

Op basisschool De Grote Beer in Duiven-drecht weegt, net als op de Hilversumse school, de sociaal-emotionele factor het zwaarst. ‘Een kind moet stevig in zijn schoenen staan en geleerd hebben door te zetten, ongeacht hoe sterk het in cognitief opzicht is,’ zegt Christy Bains, leerkracht van een van de vier kleutergroepen. ‘Het lastige is dat de ontwikkeling meestal in pieken verloopt. Daarom is hét ideale moment waarop het kind in alle opzichten toe is aan de stap naar groep 3, niet altijd te bepalen.’

Op de Goudenregenschool kunnen kinderen die tot en met december 6 jaar worden, naar groep 3, mits ze er in alle andere opzichten aan toe zijn. Plevier: ‘Het gaat erom dat het kind zich redt, in groep 3 maar ook daarná. Het kan wel slim zijn, maar is het ook voldoende zelfstandig? Kan het zich bijvoorbeeld zelf aan- en uitkleden? Is het voldoende weerbaar ten opzichte van andere kinderen?’

Kinderen die pas in januari of later 6 jaar worden, gaan alleen bij hoge uitzondering door naar groep 3. ‘Een aantal kinderen blijkt namelijk niet zozeer intelligenter, als wel eerder schoolrijp te zijn. Bij dergelijke kinderen verdwijnt die voorsprong op hun leeftijdsgenoten na verloop van tijd. Veel van hen doubleren in een hogere klas.’

Bains vertelt over een meisje dat, hoewel ze begin oktober 6 werd, nog een jaartje in groep 2 bleef. ‘Ze zat niet lekker in haar vel, was geregeld letterlijk ziek van school en had veel kleine verdrietjes. Ze was moeilijk te motiveren om eens iets anders te kiezen dan de poppenhoek en deed dagen over één werkblad. Halverwege het schooljaar besloten we, in overleg met de ouders, de druk eraf te halen. Eerst moest ze zich beter gaan voelen, zodat haar leerhouding kon verbeteren. “Je kunt al heel veel,” hebben we tegen haar gezegd, “maar je blijft nog even bij ons, zodat je het straks helemaal goed weet. Jij bent onze superkleuter van de klas.” In die periode, dus de tweede helft van haar tweede kleuterjaar, mocht ze werkjes doen; het moest niet. Die opdrachtjes waren eigenlijk te makkelijk voor haar, maar leverden wel telkens een succeservaring op. Gaandeweg is ze zich heel goed gaan voelen. Nu, in haar derde kleuterjaar, krijgt ze extra opdrachten die haar gemotiveerd houden.’

Kan de kleuter door naar groep 3 of is het verstandiger nog een jaartje te kleuteren? Daarover bereiken ouders en school bijna altijd overeenstemming. ‘In de kleuterperiode is er veel contact met ouders,’ zegt Diepenbroek. ‘Rijzen er twijfels over de ontwikkeling van het kind, dan overleg je zelfs nog vaker. Mochten we adviseren het kind nog een jaar in groep 2 te laten, dan komt dat nooit als een verrassing voor de ouders.’

Slechts een enkele keer komen de partijen er onderling niet uit. Op de Goudenregenschool hebben ouders uiteindelijk de beslissende stem. De Grote Beer heeft als beleid dat de school – lees: leerkracht, intern begeleider en directeur – het laatste woord heeft. Beide scholen adviseren ouders in zo’n geval een andere school te zoeken voor hun kind.

Intern begeleider Plevier herinnert zich slechts één geval waarin de ouders ageerden tegen het advies hun kind nog een jaar te laten kleuteren; zij zochten inderdaad een andere school, waar hun kind wel in groep 3 instroomde. Hoe dat afliep, is onbekend.In de praktijk blijken ouders juist eerder aan de voorzichtige dan aan de pusherige kant. Diepenbroek: ‘Bij twijfel laten de meeste ouders hun kinderen liever nog een jaartje kleuteren.’

Voorbereiding in de klas

Op de meeste basisscholen mogen oudste kleuters enkele malen ‘wennen’: dan gaan ze op bezoek bij groep 3. Ze proeven er de sfeer, maken misschien kennis met de juf of meester die ze na de vakantie zullen krijgen en zien met eigen ogen dat er geen poppen- en bouwhoek is, maar het lokaal gelukkig wel is versierd met allerlei knutsels van de leerlingen. Naast rekenen, lezen en schrijven wordt daar nog altijd tijd voor ingeruimd.

In de kleutergroepen zelf wordt gaandeweg steeds meer verwacht van kinderen. ‘In groep 1 kunnen ze veel spelen en is er alle ruimte,’ vertelt Lot Diepenbroek. ‘Vanaf groep 2 wordt dat steeds meer ingeperkt. Oudste kleuters krijgen vaker werkjes en moeten die netter afleveren. Ze moeten goed op hun stoel zitten en stil kunnen werken, net alsof ze al in groep 3 zitten.’

Kleuters ervaren die inperking niet als straf, heeft ze gemerkt. ‘Integendeel, ze vinden het he-le-maal geweldig. We brengen het natuurlijk ook spannend. Bovendien prijs ik hen de hemel in als ze iets goed gedaan hebben.’

Op De Grote Beer is vorig schooljaar in alle groepen als werkwijze het GIP-model ingevoerd (Groeps- en Individueel gericht Pedagogisch en didactisch handelen). Werken volgens dit model moet niet alleen het zelfstandig werken bevorderen – te beginnen bij groep 1 – maar ook een soepele overgang creëren tussen alle groepen. Spelenderwijs worden werk- en leerhouding getraind en leren kleuters te plannen en zich langer aan één stuk op hetzelfde werkje te concentreren. Kinderen die daar aan toe zijn, kunnen heel wat oppikken van lezen en schrijven. Maar sommige oudste kleuters hebben daar nog nauwelijks belangstelling voor. Prima, vinden de kleuterjuffen, want pas in groep 3 wordt daadwerkelijk begonnen met lezen en schrijven. ‘Kleuters mogen kleuteren,’ zegt Bains met nadruk. ‘Dat houdt ook in dat ze de gelegenheid moeten krijgen zich sociaal te ontwikkelen. Samen bezig zijn, overleggen, luisteren naar elkaar en dat eindeloos herhaald. Veel ouders denken dat kleuters alleen maar spelen, maar intussen wordt hen heel veel aangeleerd. Voor buitenstaanders is dat misschien niet zo tastbaar.’

Pedagoog dr. Wilna Meijer van de Rijksuni-versiteit Groningen vindt, net als leerkracht Bains, dat kleuters de kans moeten hebben om te kleuteren. Ze staat kritisch tegenover wat ze noemt de ‘toegenomen verschoolsing van het kleuteronderwijs’ sinds het ontstaan van de basisschool, twintig jaar geleden.

De kleuterschool van weleer heeft ingeleverd, vindt ze. ‘Tegenwoordig wordt veel meer volgens programma’s gewerkt en bovendien worden kinderen veelvuldig getoetst,’ zegt ze. ‘Dat alles kost tijd, waardoor kleuters minder gelegenheid hebben om te spelen.’ Het feit dat binnen de programma’s volop gespeeld wordt, doet daar volgens haar weinig aan af. ‘Het initiatief wordt hoe dan ook bij de volwassenen gelegd; zij moeten immers beoordelen of het kind zich wel naar behoren ontwikkelt.’ In plaats van programma’s bepleit Meijer ‘ruimte, rust en een rijke omgeving die uitdaagt en uitnodigt, in plaats van een leerkracht die stuurt.’

In reactie op Meijer zegt Bains de verschoolsing te herkennen in haar praktijk. ‘Maar binnen de afgesproken werkwijze, zoals bij ons het GIP-model, blijft er voor kinderen wel degelijk voldoende ruimte voor eigen initiatieven en ideeën.’

Volgen en stimuleren

Rust en ruimte. Als ouders hun kinderen iets kunnen meegeven, als opmaat naar groep 3, is het dat wel, vindt Bains.

‘We leven in een jachtige maatschappij die veel eisen stelt aan kinderen én ouders. Veel ouders die zich intensief met de opvoeding bezighouden, hebben hoge verwachtingen van hun kinderen. Maar stabiele kleuters hebben veelal ouders die zorgen voor rust,is mijn ervaring. Zij gunnen hun kind tijd om kind te zijn. Je zoon of dochter overvoeren met uitjes en afspraken, werkt vaak averechts.’

Diepenbroek moet ouders er nogal eens op wijzen dat een etmaal uit 24 uur bestaat, kinderen daarvan slechts vijf uur op school doorbrengen en dus de ontwikkeling thuis gewoon doorgaat. ‘Daar kun je als ouder op inspelen. Maar niet door alles voor je kind te beslissen. Wil het een boek met plaatjes lezen, terwijl jij er zelf een met letters voor ogen had? Sta het plaatjesboek toe. Volg en stimuleer het kind. Zoek het niet te hoog en te ver, maar blijf juist dicht bij het kind.’

Veel ouders, merken de leerkrachten, projecteren de eigen prestaties van weleer op hun kinderen. Misschien een menselijke, maar in elk geval een onverstandige neiging, want het kind is niet jou en het voelt die druk wel. Tot slot een tip voor dagelijks gebruik op het schoolplein: laat je niet opjutten door ouders die hoog opgeven van de prestaties van hun kind. Intern begeleider Plevier: ‘Wij testen kleuters die al kunnen lezen, bewust niet op hun AVI-niveau (drukt de leesvaardigheid uit, red.). We nemen wel een drieminuten-test af, maar daar hebben die kinderen helemaal geen erg in. De uitslag bespreken we met de ouders, maar we vertalen dat nooit in een AVI-niveau. Dat zou de rivaliteit alleen maar verergeren.’ Ze zucht: ‘Het zijn vooral de ouders, hoor. Zij willen zo graag dat hun kind uitblinkt.’ 

Reageer op artikel:
Minder spelen, meer leren
Sluiten