Niemand stopt zijn kind zomaar in een instelling

redactie 22 jun 2018 Blogs

Daar was-ie weer, de instellingsvraag. Eens in de zoveel tijd wordt-ie gesteld, in verschillende varianten. ‘Zou je haar niet liever onderbrengen in een instelling?’ Of: ‘Denk je nooit: misschien is het beter als ze naar een instelling gaat?’

Ik moet toegeven dat ik de vraag deze keer min of meer zelf uitgelokt had. Door de bezuinigingen op het persoonsgebonden budget is de instellingsvraag ineens heel actueel geworden. En dan niet zozeer de vraag of Yaël naar een instelling gaat, maar meer of ze, in theorie, in aanmerking zou komen voor een plek in een instelling. Of dat ze, zoals dat heet, een ‘verblijfsindicatie’ kan krijgen. Want als dat zo is, kan ze, naar het zich nu laat aanzien, haar persoonsgebonden budget behouden.

Ik ben door alle bezuinigingsplannen heel bang dat onze keuze haar thuis te houden het verkrijgen van een verblijfsindicatie in de weg staat. Die verblijfsindicatie wordt namelijk straks, paradoxaal genoeg, waarschijnlijk de manier om haar thuis te blijven verzorgen op de manier waarop we dat nu ook doen. Ik ben bloednerveus dat onze keuze ertoe zal leiden dat het Centrum Indicatiestelling Zorg, dat de AWBZ-zorg indiceert, zal redeneren: o, jullie willen haar thuis houden? Dan heeft ze dus geen verblijfsindicatie nodig.

De instellingsvraag dus. Die vraag die altijd weer een beetje pijn doet, ook al komt-ie volgens mij in de regel voort uit bezorgdheid. Net als de vraag die er meestal op volgt, en waardoor het zout van de eerste vraag nog wat dieper in de wonde gewreven wordt: ‘Hoelang denken jullie dit nog vol te houden? Er komt toch een moment dat jullie niet meer zelf voor haar kunnen zorgen.’

Mijn antwoord is meestal een ferm: ‘Dat zien we dan wel weer.’ Als ik namelijk iets geleerd heb van de zorg voor Yaël, is dat het leven zich niet laat plannen, dat het steeds weer nieuwe verrassingen in petto heeft, aangename en onaangename en dat je daarom steeds je plannen moet bijstellen. Dit zijn allemaal verschrikkelijke clichés, ik weet het. Maar die ‘onplanbaarheid’ was en is voor mij een grote horde. Totdat Yaël er was, probeerde ik de chaos die het leven vaak is te vangen in regelzucht en plandrift. Niet dat dat altijd lukte, maar ik kwam een heel eind. Ik kan namelijk best goed plannen en regelen. Een talent dat tegenwoordig prima van pas komt in het organiseren van de zorg voor Yaël.

De instellingsvraag. Ik weet het antwoord niet. Er is geen antwoord. We zien het wel. Ze is nu bij ons en dat is goed.

De instellingsvraag is niet iets om licht over te denken en te oordelen. Ik heb vaak genoeg het verdriet gezien van ouders die wel de stap maakten. Niemand ‘stopt’ zijn kind zomaar in een instelling. Bij die keuze spelen zoveel dingen mee. Zijn er bijvoorbeeld broertjes en zusjes die ook aandacht nodig hebben, maar die zichzelf altijd moeten wegcijferen? Krijgt het gehandicapte kind nog wel de rust en de regelmaat die het zo hard nodig heeft, of is het thuis te rommelig? Kunnen de ouders het nog aan? Willen ze het nog aan? Want over niets is het makkelijker oordelen dan over de opofferingsgezindheid van een ander. Ga d’r maar aan staan, denk ik dan.

Bij ons is het tot nu toe geen serieuze optie geweest, omdat ik haar op dit moment niet zou kunnen missen. En ook omdat we het, dankzij de hulptroepen die hier thuis komen, nog aankunnen. En vooral omdat ik denk – of nee, zeker weet – dat Yaël bij ons het best af is.

Ik zal proberen uit te leggen waarom Yaël het best af is bij ons. En waarom we dus die verblijfsindicatie moeten krijgen.

Dat is om de simpele reden dat wij, haar ouders, haar een basis geven. Wij zorgen ervoor dat ze straks, als we niet meer voor haar kunnen zorgen, stevig in haar schoenen staat. Natuurlijk, we kunnen haar niet weerbaar maken zoals je andere kinderen weerbaar maakt. We kunnen haar niet leren wat de valkuilen zijn in het leven, en de gevaren. Daarvoor is ze te ernstig gehandicapt. Maar we kunnen wel heel veel van haar houden, dag in, dag uit. En het is mijn stellige overtuiging dat mensen van wie gehouden is steviger in het leven staan, hoe onvolkomen de gezinnen ook zijn waaruit ze voortkomen, en hoe onpedagogisch de meeste ouders ook aanklooien. Ja, ja, ja, ik ben van 1973, dus een flowerpower-erfenisje zal zeker meespelen in mijn overtuiging.
Maar toch, liefde en geluk zijn voor Yaël vanzelfsprekendheden. Dat is het begin van een basis. Want een gehandicapte met een gelukkige jeugd is toch weerbaarder dan een gehandicapte met een ongelukkige jeugd.

Reageer op artikel:
Niemand stopt zijn kind zomaar in een instelling
Sluiten