Onzeker als ouder

redactie 21 jun 2018 Ouders

Al lijken moeders nog zo zelfverzekerd aan de buitenkant: van binnen kan hun gebrek aan zelfvertrouwen bodemloze dieptes bereiken. Natuurlijk is er met gezonde zelfkritiek en reflectievermogen niets mis. Maar dat eeuwige doemdenken en tobberige getwijfel: waarom doen we dat?

‘Straks komen ze erachter dat ik eigenlijk helemaal niets kan.’ Ik keek op van de krant. Dat was mijn tekst, mijn zinnetje dat zich al op jonge leeftijd in mijn hoofd had gezet om op gezette tijden tevoorschijn te springen. En nu hoorde ik het uit de mond van Katja Schuurman, die te gast was in Villa Felderhoff. Het gesprek ging over onzekerheid en voor de zoveelste maal werd bevestigd dat ook – of misschien wel juist – de succesvolste mensen daar hun leven lang last van kunnen blijven houden.

Onzekerheid is een eigenschap die velen van ons liever kwijt dan rijk zijn. Want hoe onzekerder je bent, hoe minder vertrouwen je in jezelf hebt. Je hebt een lage eigendunk en dat kan leiden tot doemdenken. Je gaat erin geloven dat je inderdaad helemaal niets kunt en dat er een moment komt dat je door de mand valt. Een gigantische mand met honderden getuigen eromheen.

Toen ik een jaar of 4 was zei ik tegen mijn moeder dat ik later, als ik groot was, héél veel kinderen wilde. Dat herinner ik me niet, maar mijn moeder vertelde mij dat twintig jaar later. Ik lachte, maar zei niets. Ik zweeg over het feit dat ik nog steeds best veel kinderen wilde, maar dat ik tegelijkertijd zo goed als zeker wist dat ik ze niet zou kunnen krijgen. Ik liet mijn moeder niet delen in mijn bezorgdheid. Maar niet alleen mijn moeder niet, niemand niet. Precies zoals ik ook altijd de angst voor mezelf had gehouden, dat op de middelbare school uit zou komen dat ik een leeghoofd was. En dat ik daar alleen maar door toeval en geluk was beland.

De stap van een leeg hoofd naar een lege buik is niet zo’n grote in de logica van de zorgenmaker. Als het van boven niet deugt, waarom van onder dan wel? Ja, hoe doem kun je denken. Om daar enigszins een beeld van te krijgen is het handig te weten of er nog meer mensen in je omgeving zijn die geplaagd worden door die typische vorm van onzekerheid. Maar als je er nooit over begint, kom je er ook niet achter. Zo kun je lang in de veronderstelling leven dat jij, uitgerekend jij alleen, zulke vertwijfeling kent. Zodra je echter het stilzwijgen over dit – door jezelf tot taboe verheven – onderwerp wél verbreekt, merk je dat je niet het enige ‘geval’ bent. En ook niet het zwaarste.

Een vriendin vertelde me dat toen de test uitwees dat ze zwanger was, zij pertinent zeker wist dat het om een vergissing ging. Zelfs toen haar buik begon te groeien, hield ze voor zichzelf vol dat het allemaal op één groot misverstand berustte. Ze geneerde zich nu al voor de vroedvrouw, als straks bleek dat er inderdaad niets in die grote ballon zat. Het was voor haar zo duidelijk als wat dat alles fake was en straks bij de bevalling zou iedereen het meemaken. Zelfs toen ‘het hoofdje stond’ durfde ze het nog niet te geloven. ‘Ik moeder?’

Denkbeeldig commentaar

Dat na de geboorte dan alles ineens weer z’n gewone proporties aanneemt, is een illusie. Want die mand, waaraan je tot nu toe om onverklaarbare redenen telkens bent ontkomen, wordt een soort reiswieg. Je neemt ’m overal mee naartoe, en nu met een kind erin. Het is er dan wel gekomen, maar zal het allemaal goed gaan? Het is per slot van rekening jouw kind, dus is het überhaupt tot iets in staat? Zal het ooit gaan kruipen, lopen, praten? Je hebt er een hard hoofd in.

‘Wat zielig voor die baby! Wat slecht van die moeder! Dat ze geen vertrouwen heeft in zichzelf is tot daaraan toe. Maar dat je geen vertrouwen hebt in je kind, dat je je telkens afvraagt of het wel goed komt en goed zal gaan! Is dat mens dan nooit eens onbekommerd vrolijk? Geniet ze ooit van haar kinderen?’

Het gonst om je heen van de denkbeeldige stemmen van ‘de goede moeders’. Maar je weet zelf dat je wel geniet, op jouw manier. En precies zoals je je ouders niet in je zorgen liet delen, laat je ook niets aan je kinderen merken. Als ze eenmaal op de leeftijd komen dat ze zich wel van van alles bewust worden, krijgen ze daadwerkelijk met jouw tweede natuur, die van ‘eerst zien en dan geloven’, te maken. De vraag is of dat erg is. Het kan het kind uitdagen om te laten zien dat het zeker ergens toe in staat is. Het kan zijn stille tobbermoeder verrassen, zelfs versteld doen staan. En als iets niet lukt, als iets niet gaat zoals het kind het zelf graag had gezien, heeft het tenminste alleen zijn eigen teleurstelling te overwinnen.

Maar is het daar eigenlijk niet allemaal om te doen? Zijn al die zorgen, is al die onzekerheid niet geboren om jezelf in te dekken tegen teleurstelling? Als je maar van het ergste uitgaat, dan kan het alleen nog maar meevallen? Je bent bang voor tegenvallers en je begint met kleine doemsteentjes een muurtje te bouwen dat je beschermt, maar dat je ook isoleert, want je kunt er met niemand over praten. Waarom niet? Omdat je ergens weet dat het niet helemaal klopt, dat de buitenwereld zijn hoofd zou schudden. Maar het is een geloof, een houvast dat je niet durft te laten vallen. En elk geloof heeft zijn eigen bijgeloof en dat zorgt er wel voor dat je er je mond over houdt. Want dan kun je het helemaal wel schudden. Als je openlijk voor je twijfel uitkomt of jouw kind wel zindelijk gaat worden, dan loopt het misschien tot zijn tiende in de luiers. Tja, dan had je er ook maar niet over moeten praten.

Het komt wel goed

De familietherapeute en schrijfster Else-Marie van den Eerenbeemt zei tijdens een lezing: ‘Het oudste kind heeft het ’t moeilijkst, want hij is het die van zijn vader en moeder ouders moet maken. Een waar woord. Door het eerste kind leer je, ervaar je dat heel veel vanzelf gaat, dat heel veel ook vanzelf ‘goed komt’.

Maar juist die vier woorden: ‘Het komt wel goed’ zijn zo makkelijk om tegen een ander te zeggen, maar zo moeilijk om zelf na te leven. Want je wilt je ook weer niet te weinig zorgen maken. Dan ben je namelijk pas echt een slechte moeder. Jij hangt een beetje relaxed voor de televisie en ineens wordt er gebeld door een vader of zijn zoon soms bij jullie thuis is. Je schrikt. ‘Mijn zoon is toch bij die van jou?’ antwoord je met toenemende ongerustheid. Hoe heb je in vredesnaam zo ontspannen naar die film kunnen zitten kijken? Je had die jongen erover door moeten zagen! Waarom heb je trouwens niet even die ouders gebeld om je te verwittigen van hun afspraak? Waar zijn die jongens nu?

Net als je jas hebt aangedaan om ‘buiten’ te gaan zoeken, komt het stel binnen. Je vaart tegen hen uit als een bezetene en ze kijken je verbijsterd aan. Wat is er aan de hand? Niets. Dat is de grap, niets, helemaal niets. Je hebt je voor niets zorgen gemaakt, die kinderen lopen niet in zeven sloten tegelijk. Dat zei je vader nota bene altijd tegen je moeder toen je zelf die leeftijd had.

Het komt er dus op neer dat je het eigenlijk nooit goed doet. Of je maakt je te veel zorgen, of te weinig of je denkt dat in ieder geval. ’s Nachts in bed vraag je je af: ben ik wel geschikt voor het moederschap? Ja! Juist! Je houdt je met je kinderen bezig, je bent zo betrokken als maar kan. Dat brengt met zich mee, dat je moet uitvogelen hoe dat loslaten en dat overlaten nu precies in z’n werk gaat. Het eerste kind wordt de broddellap genoemd. Maar er zijn van die hardnekkige gevallen die bij nummer zoveel nog steeds aan het broddelen zijn… het zit ’m in de aard van het beestje. Gelukkig bereiken je kinderen een leeftijd (en een lengte) dat ze dat beestje af en toe tegen zich aandrukken, het vervolgens diep in de ogen kijken en zeggen: ‘Je doet het niet zo slecht, hoor mama.’ En dan, nog dieper: ‘En wij ook niet.’

Reageer op artikel:
Onzeker als ouder
Sluiten