Opgroeien in een online wereld

Apple en Bill Gates van Microsoft hebben ons leven voorgoed veranderd. We zitten midden in een digitale revolutie: niets wordt ooit meer zoals het was. Wat is het effect van 24/7 online zijn op het kinderbrein, en wat betekent het voor de opvoeding? Hebben we te maken met een nieuwe generatiekloof?

18.00 uur

Mirjam stuurt een WhatsAppje naar haar 11-jarige zoon die op zolder zit. ‘Kom je eten?’ ‘Ik kom eraan!’ appt Max terug. In menig modern huishouden vervangt het mobieltje tegenwoordig de stembanden. Digitale media zijn niet meer weg te denken uit de wereld van alledag, waarin ‘selfie’ het woord van het jaar 2013 is. Maar liefst 8,5 miljoen Nederlanders bezit een smartphone en ruim negen miljoen zit op Facebook. Toch hebben ouders nog wel eens het gevoel dat ze achter hun kind aanhobbelen. Hebben ze net Instagram ontdekt, zit hun dochter alweer op Snapchat. Hebben we hier een nieuwe generatiekloof te pakken?

Eerst maar eens de cijfers. Volgens de meest recente opgaven van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zaten de laatste drie maanden van 2013 ongeveer evenveel jongeren als ouderen bijna dagelijks op internet: 93 procent van de 12-25 jarigen; 94 procent van de 25-45-jarigen en 84 procent van de 45-65-jarigen.

En van de peuters, kleuters en schoolkinderen is zo’n driekwart online (onderzoeken van Mijn Kind Online). Over het geheel genomen maken (Amerikaanse) tieners iets meer gebruik van sociale media dan volwassenen (81 procent versus 72 procent). Dat komt echter vooral op het conto van 50-plussers. Er zijn wel wat verschillen tussen generaties in mate en manier van digitaal mediagebruik – zo kijken 30-49-jarigen meer tv en internetten jongeren vaker via hun telefoon – maar zowel oud als jong is tegenwoordig vaker wel dan niet ‘aangesloten’.

Het Grote Verschil tussen kinderen en ouders zit dus niet in harde cijfers. Het Grote Verschil is dat onze kinderen geen wereld zonder internet kennen en wij wel. Zij worden erin geboren, groeien op met de iPad en doen op school aan e-learning. Optimisten en pessimisten vallen over elkaar heen als het gaat om de effecten daarvan. ‘Kinderen worden er digitaal dement van,’ zegt de Duitse hersenwetenschapper Manfred Spitzer. ‘Er is maar een kleine groep beeldschermkinderen die schade oploopt,’ reageert de Nederlandse internethoogleraar Patti Valkenburg. Om te weten wie er gelijk heeft, nemen wij vijf prangende vragen onder de loep.

1. Verandert het brein van deze @-generatie?

‘Zorgelijk is dat we een generatie kinderen opvoeden wier hersenen andere bedradingen zullen hebben dan de onze.’ Michael Rich van de Harvard Medical School maakt zich net als zijn Duitse collega ongerust. Van verschillende kanten worden ze bijgevallen. Een obsessieve persoonlijkheid, problemen met zelfbeheersing, verminderd concentratievermogen, geheugenstoornissen: dat schijnen ze allemaal van een overdosis sociale media en gaming te kunnen krijgen.

Hoogleraar Ontwikkelings- en Onderwijspsychologie Eveline Crone denkt dat het zo’n vaart niet loopt. ‘We weten dat de omgeving invloed heeft op de manier waarop het brein zich ontwikkelt. De hersenen zijn plastisch en passen zich aan nieuwe omstandigheden aan. Dat is een normaal evolutionair proces. En bekend is ook dat kinderhersenen daar vatbaarder voor zijn dan die van volwassenen: tussen 0 en 10 jaar vinden de grootste veranderingen plaats. Wat er precies gebeurt, is echter bijna niet te onderzoeken. Dan zou je bijvoorbeeld een groep online kinderen moeten vergelijken met een groep die er niet mee in aanraking komt. Die vind je niet. Uitspraken als die van Spitzer zijn niet gebaseerd op keihard wetenschappelijk bewijs. Het zijn eerder hypotheses.’

Toch denken veel ouders met hun lekenbrein zeker te weten dat kinderen tegenwoordig een heel kort aandachtsboogje hebben. Ze worden voortdurend afgeleid door een piepje op hun laptop of een zoemetje op hun telefoon. Ze tunen makkelijk in en net zo makkelijk weer out. Je moet als kind wel heel stevig in je schoenen staan, wil je die constante stroom van prikkels kunnen weerstaan.

Mogelijk raakt hun brein gewend aan kortstondig multitasken. ‘Hun hersenen worden niet beloond om zich op één ding te focussen, maar om snel te schakelen naar het volgende,’ aldus diezelfde bezorgde Michael Rich van Harvard. ‘Tja,’ reageert Crone, ‘inderdaad switchen we nu makkelijker tussen diverse mediatypen. Je kunt je tijd maar één keer besteden, dus dat gaat dan ten koste van zaken die langduriger aandacht vragen. Zó vergaren we tegenwoordig onze informatie. Anders dan vroeger, maar niet per se slechter.’

In literatuur en onderzoeken zijn ook geen aanwijzingen te vinden dat kinderen van nu meer concentratieproblemen hebben. We benoemen het alleen eerder. ‘Veertig jaar geleden had ik ook al hyperactieve stuiterballen in de klas. Toen noemden we dat Minimal Brain Damage. Of gewoon druk,’ zegt doorgewinterde basisschool-juf Wimke Kraak. Crone: ‘Hoe gedrag zich uit, is afhankelijk van de tijd. Maar de kenmerken van dat gedrag blijven door de eeuwen heen gelijk.’

2. Worden ze er dommer van?

Digitaal maakt dom. Althans, volgens Manfred Spitzer. Bijvoorbeeld: we kunnen tegenwoordig alles opzoeken, hoeven niks meer te onthouden en worden daardoor steeds vergeetachtiger. Digitaal maakt slim. Althans, volgens talloze andere experts. Want in een game moeten ze bijvoorbeeld azendsnel associatief denken.

Hoe het ook zij, de toegang tot digitale media maakt leren in ieder geval ánders. Op een computer kun je verschillende oplossingen voor een probleem vinden, informatie vanuit de andere kant van de wereld vergaren, op YouTube een filmpje bekijken waar de leraar een onderwerp beter uitlegt dan je eigen docent en op school een rekenprogramma doen waarbij de moeilijkheidsgraad van de sommen wordt aangepast aan het niveau van de leerling.

Vaststaat dat ook leervaardigheden beïnvloed worden door de mogelijkheden die de technologische omgeving biedt. Maar hóe is – wederom – niet bekend. Misschien is er een shift van het memoriseren van data naar het zoeken en evalueren van informatie uit de ‘echte’ wereld.

Misschien moet een goede leerling nu eerder kritisch kunnen denken dan hele lappen tekst in zijn hoofd kunnen stampen. Het lijkt Barbara Braams, neuropsycholoog en promovenda van Eveline Crone, logisch: ‘Het brein is nu eenmaal maakbaar.’ Of dat negatief of positief uitpakt, hangt deels af van wat kinderen online doen.

Soms worden ze namelijk helemaal niet uitgedaagd, maar hoeven ze alleen maar dingen te herhalen of simpele feitjes te onthouden, de zogenaamde drill and practice apps. Desondanks concluderen Nijmeegse onderzoekers van de Radboud Universiteit in een nagelnieuw literatuuronderzoek waarin zij de resultaten van honderden effectstudies naast elkaar hebben gelegd, dat kinderen veel baat kunnen hebben bij gamen. Het stimuleert de cognitieve vaardigheden, redeneren, geheugen en waarneming. Van strategische spelletjes gaan ze problemen beter oplossen. Zelfs van gewelddadige shootergames steken ze nog wat op: driedimensionaal denken. Volgens sommige onderzoeken gaan ook de schoolresultaten nog omhoog.

De computer heeft het onderwijs bij Wimke Kraak op school absoluut rijker gemaakt. Niet alleen kunnen de leerlingen zelfstandig en op hun eigen niveau aan de slag, maar een pc is ook veel geduldiger dan een leerkracht. En het digibord is helemaal een superuitvinding. ‘Zo’n groot scherm houdt de aandacht beter vast dan een praatje van een docent. In groep 3 projecteer ik bijvoorbeeld een rekenrek op het bord. Ik kan uitleggen, kralen schuiven en ernaast nog wat opschrijven. Kennen ze een bepaald woord niet? Hup, dat googelen we even met z’n allen.’ De groep 10- tot 18-jarigen vindt dat ook sociale media de les leuker kunnen maken, blijkt uit onderzoek van Mijn Kind Online.

Bovendien kunnen ze elkaar zo beter helpen met huiswerk; vanuit huis samen een werkstuk maken, gefotografeerde aantekeningen doorsturen. Maar de leraar moet nog wel gewoon blijven uitleggen in de les, zegt 84 procent. Toch is het niet alleen halleluja. Want – en dat is voor ouders geen verrassing – dat mobieltje haalt ze wel uit hun concentratie tijdens het huiswerk maken (zegt 29 procent). En het is ook niet zo slim om ’s avonds laat – na het leren van je Franse woordjes – nog een enerverende game te spelen. Kijk dan liever tv. Dan onthoud je die woordjes namelijk beter. Onderzoeker Markus Dworak van de Deutsche Sporthochschule Köln denkt dat dat komt omdat de intensiteit van de game-ervaring het opslaan van de woorden in het brein overrulet. De hersenpan kan maar een beperkte hoeveelheid informatie opslaan en prefereert dan die spannende, belonende GTA 5-kennis.

3. Worden het hele andere mensen?

Waar ouders vooral bang voor zijn, is dat hun kind in een virtuele wereld ongelukkiger, asocialer en kwetsbaarder wordt. Depressie, agressie, een verkeerd lichaamsbeeld, eenzaamheid, verval van normen en waarden, cyberbullying, oppervlakkige sociale contacten en nepvriendschappen: het is allemaal genoemd als mogelijk negatief gevolg van een online leven.

Onderzoek wijst tot nu toe op net zoveel positieve als negatieve effecten. Zo denkt de Britse neurowetenschapper Susan Greenfield bijvoorbeeld dat door het toegenomen gebruik van sociale media een generatie is ontstaan die voortdurend hunkert naar feedback en aandacht. Je raakt eraan gewend om onmiddellijk een ‘like’ te krijgen op je leuke post op Facebook, geretweet te worden op Twitter of een instant beloning in een spel te krijgen. Dat kan leiden tot narcisme en gebrek aan eigenwaarde omdat kinderen op deze manier té afhankelijk worden van de waardering van anderen. En dat maakt ze dan weer minder weerbaar in de echte wereld, sombert Greenfield. Barbara Braams heeft zich in deze materie verdiept en kan er eigenlijk maar één ding van maken.

We moeten de gevaren zeker niet bagatelliseren, maar tot nu toe is er meer bewijs voor een positieve dan voor een negatieve werking van het gebruik van Social Networking Sites (SNS). Amerikaanse teenagers (13-17 jaar) die vaak op deze sites zitten, voelen zich naar eigen zeggen net zo jofel als leeftijdgenoten die dat minder vaak doen. Volgens de meeste tieners heeft SNS’en nauwelijks effect op bijvoorbeeld hun zelfvertrouwen of hun gemoedstoestand. Voor zover ze wel verschil merken, is dat opmerkelijk genoeg vooral positief; ze worden er zelfverzekerder en minder verlegen van.

Braams: ‘Online gedrag verschilt niet van offline gedrag. Sociale kinderen worden niet ineens onaardig op Facebook. En kinderen die buiten agressief zijn, zijn dat ook online.’ Haar onderzoek toont aan dat jongeren net zo blij worden van een beloning die ze voor een vriend hebben veroverd als wanneer ze voor zichzelf iets geritseld hebben.

Bovendien praat driekwart van de 10- tot 18-jarigen uiteindelijk altijd nog liever in levenden lijve met zijn vrienden dan online: dan kun je beter zien wat iemand bedoelt, zeggen ze. SNS zijn wel een leuke aanvulling: je vergroot zo je vriendenkring en ze zitten lekker dicht bij je in je broekzak. Nog een laatste geruststelling: volgens het allernieuwste Nijmeegse onderzoek kunnen de juiste games goed zijn voor de sociale vaardigheden, angstgevoelens reduceren en kinderen helpen om met tegenslagen om te gaan. ‘Het stereotype van de geïsoleerde gamer is wellicht nogal achterhaald, omdat veel spellen sociale interactie juist aanmoedigen,’ aldus een van de onderzoekers op AD.nl.

4. Hoe ongezond is het eigenlijk?

Kinderen met kanker slikken trouwer hun medicijnen als ze het videospel Re-Mission spelen, waarin ze een kleine robot op kankercellen laten schieten en zo bacteriële infecties overwinnen. Maar behalve deze indirecte effecten kunnen digitale media ook direct invloed hebben op de psychische of lichamelijke gezondheid.

Er is nog steeds veel commotie rond de vraag of gsmstraling nou wel of niet kanker veroorzaakt. Uit een Belgische studie bleek dat ratten die intensief waren blootgesteld aan gsm-, wifi- en antennestraling een twee keer zo hoog sterftecijfer kenden als ratten die hier niet mee werden geconfronteerd. Op basis daarvan besloot de Belgische overheid haar burgers – met name ook vanwege het extra kwetsbare kinderbrein – alvast te waarschuwen.

‘Overtrokken reactie,’ oordeelden Nederlandse experts. ‘Verontrustend,’ oordeelden andere deskundigen. De Gezondheidsraad wimpelde aanvankelijk de aantijgingen af met een beroep op onvolkomenheden in het betreffende Belgische onderzoek en op andere studies die geen verbanden hadden aangetoond. Nader onderzoek was nodig. Afgelopen zomer meldde de Gezondheidsraad zich weer: er is (nog) meer onderzoek nodig, want tot nu toe zijn de aanwijzingen dat langdurig gsm-gebruik leidt tot tumoren in de hersenen, speekselklieren of op de gehoorzenuw te zwak en te inconsistent. J/M raadde ouders overigens al in november 2008 aan toch voorzichtig te zijn.

Bij zo’n 5 tot 6 procent van de jongeren is (in 2012) sprake van problematisch (verslavend) game-, internet- en sociale media gebruik. Zij ervaren gemiddeld vaker dan ‘soms’ controle-verlies, sociaal conflict, preoccupatie met de toepassing, problemen, onthoudingsverschijnselen en vluchtgedrag. Dat veel tijd online doorbrengen de kans op depressie vergroot, is ook bekend. Alleen weten we niet wat kip en ei is: leidt depressie tot heftig internetten of andersom? Bovendien zijn ook hier de aantallen relatief klein: 5 procent van de jongeren heeft een depressieve stoornis (ongeacht de oorzaak).

En jongeren uit Zaanstreek Waterland die meer dan twee uur per dag achter een beeldscherm zitten, rapporteren vaker zich psychisch ongezond te voelen (20 procent) dan minder fanatieke digi-kinderen (17 procent). ‘Natuurlijk moeten we dat serieus nemen. Maar laten we de gevaren nou ook weer niet overdrijven. De overgrote meerderheid van de kinderen zit fluitend achter zijn scherm,’ relativeren Crone en Braams.

Gebrek aan slaap is een nijpender dingetje. Probeer maar eens in dromenland te komen of te blijven als je mobieltje steeds maar roept. Bijna een kwart heeft daar last van, zeggen kinderen in het onderzoek van Mijn Kind Online. Terwijl een mediapauze nou net zo goed is voor onze @-kinderen. De hersenen hebben rust nodig om informatie te verwerken, samen te vatten, te ordenen en te begrijpen. Want downtime voor het brein is wat slaap is voor het lijf.

5. Is er nou wel of geen generatiekloof?

De voorgaande analyses zijn allemaal voorprogramma’s om tot een antwoord op deze hamvraag te komen. Staan ouders en kinderen beiden aan de andere kant van het dal? Onze nakomelingen behoren tot de eerste generatie die opgroeit tussen de megabytes en internetsoftware.

Ongetwijfeld doet dat iets met hen: omgeving vormt. Maar dat geldt voor ouders net zo goed. Tien tot vijftien jaar geleden gaapte er een veel groter kennisgat tussen digibete ouderen en digiwijze jongeren dan nu. Tegenwoordig heeft een beetje ouder op z’n minst een smartphone. Neemt niet weg dat kinderen zich elke nieuwe ontwikkeling veel eerder eigen zullen maken dan ouderen. Zij hebben als eerste door hoe Keek en Prezi werken. Dat komt enerzijds omdat zij trendgevoeliger zijn en er doorgaans actiever mee bezig zijn, en anderzijds omdat zij sneller leren.

Braams en Crone: ‘Kinderen leren door te ontdekken. Geef een kind en een volwassene maar eens een nieuwe app in handen. Het kind gaat onmiddellijk op allerlei knopjes drukken en verschillende toepassingen uitproberen. De volwassene leest eerst de handleiding.’ Toch hebben kinderen die langzame volwassene nodig om hen zonder kleerscheuren door hun digitale jeugd te begeleiden. Ze zijn immers geen aliëns. Kinderen worden nog steeds met vallen en opstaan groot. Pubers nemen nog steeds onverantwoorde risico’s en overzien de consequenties van hun handelen niet altijd. Online en offline. Daar zijn die ouders dan weer goed voor.

Reageer op artikel:
Opgroeien in een online wereld
Sluiten