‘Jawel, dat kan je best!’

‘Jawel, dat kan je best!’

Hoe kom ik het snelst bij het Concertgebouw?’ vraagt Sam aan Moos. ‘Oefenen maar, oefenen maar…’, antwoordt Moos. Waarmee hij maar wil zeggen dat doorzetten loont.

Volkswijsheden als ‘de aanhouder wint’ en ‘waar een wil is, is een weg’, getuigen dat een mens zonder uithoudingsvermogen en doorzetten niet ver komt. Want hoewel het lijkt of het succes sommigen komt aanwaaien, moeten de meesten er toch echt hard voor werken. Volgens Thomas Edison bestaat genialiteit zelfs uit 1 procent inspiratie en 99 procent transpiratie.

Niet zo gek dus dat ouders het belangrijk vinden dat hun kinderen leren doorzetten. ‘Ze moeten in de gaten krijgen dat je pas iets bereikt als je daar je best voor doet,’ zegt Jet Janssen. Haar zoon Wouter (13) rustte vroeger niet vóór hij het rekenen volledig onder de knie had en oefende thuis schriften vol. Elfjarige dochter Anne daarentegen zucht en steunt en roept al snel dat ze het toch niet snapt. Ook in de klas vallen knokkers op. Juf Liesbeth Pangels werkt op een basisschool in Roermond. Ze vertelt enthousiast over een jongetje in haar groep 8. ‘Hij heeft grote moeite met het automatiseren van de lesstof. Maar topografie vindt-ie zo leuk dat hij daar de hele week op oefent. En dan lukt het hem wel om een 10 te halen!’

Doorzetters en opgevers

Waar ligt het aan dat het de een wel lukt en de ander niet? Voor een deel is dat een kwestie van aanleg. Doorzetters zijn in staat bepaald gedrag vol te houden, ook al levert dat niet direct een beloning op en is het misschien zelfs een zeer frustrerende bezigheid. Zij kunnen hun behoefte op korte termijn wegcijferen ten behoeve van de bevrediging van een belangrijker behoefte op lange termijn. Ze hebben uithoudingsvermogen, geduld en laten zich niet uit het veld slaan door tegenslagen (frustratietolerantie). Niet iedereen heeft dat in zich. Hoe impulsiever iemand is bijvoorbeeld, hoe moeilijker het is om af te zien van een onmiddellijke beloning en te gaan voor eentje die in een ver verschiet ligt.

Volharding vergt ook concentratie en de kunst om je niet te laten afleiden door verleidingen die op je weg komen. Met temperament heeft het ook te maken: het kost een heftig emotioneel kind veel meer moeite om teleurstellingen het hoofd te bieden dan een gelijkmatig, laconiek type. Nieuwsgierige kinderen die niet bang zijn de wereld te exploreren, zullen ook meer moeite doen om struikelblokken te overwinnen omdat ze willen weten wat daar achter zit.

Verschillen in intellectuele, motorische en fysieke capaciteiten, spelen eveneens een rol. De kinderen van Jet Janssen zijn daar een voorbeeld van. Anne, die snel het koppie laat hangen, leert niet makkelijk. Het duurt lang voor ze sommetjes doorheeft of de tafels geleerd krijgt. Broer Wouter daarentegen is altijd de beste van de klas. Logisch dat hij het leuk vindt om ook in zijn vrije tijd schooltje te spelen. Zo is doorzetten geen kunst!

Oudste kinderen als Wouter zijn sowieso vaker doorzetters dan jongere gezinsleden. Dat heeft te maken met de ultieme frustratie die zij al op jonge leeftijd hebben moeten ervaren: de komst van het nieuwe broertje of zusje. Ineens moeten ze de aandacht van hun ouders delen. Maar ze hebben één grote voorsprong op de kleine concurrent: zij kunnen al veel meer. In hun strijd om mama’s aandacht, doen ze extra hun best om hun ouders dat te laten zien door goed te presteren. Dat is een natuurlijke leerschool. Tweede en latere kinderen hoeven dat ‘I am the king of the castle’-gevoel niet zo te bevechten.

Optimist of faalangstig

Of een kind wel of niet kan doorzetten, hangt verder samen met wat in de motivatiepsychologie wordt aangeduid als ‘motivatiestijlen’ of ‘inzetstrategieën.’ Die bepalen hoe iemand doorgaans een taak aanpakt. Sommige kinderen gaan daarbij optimistisch te werk: ze vertrouwen op hun capaciteiten en denken dat het ze wel lukken zal. Ze zijn bereid om ervoor te werken en stellen zich vaak hoge doelen. Actief-faalangstige kinderen daarentegen zijn van te voren al vaak bang dat het ze toch niet lukt. Ze maken zich zorgen over hun functioneren en voelen zich vaak hulpeloos. Ze doen wel hun best, maar hoeven van zichzelf niet al te veel te presteren. Passief-faalangstige kinderen tenslotte laten zich uit het veld slaan door hun angst en hun overtuiging dat ze het toch niet kunnen. Zij hebben de neiging niet al te hard te werken om toch maar vooral geen gezichtsverlies te leiden. Overigens speelt dat pas vanaf een jaar of 6. Tot die tijd denken kleuters dat ze alles kunnen als ze zich maar inzetten (hun ouders denken dat trouwens meestal ook). Kleuters zien nog niet dat mensen aangeboren zwakke en sterke kanten hebben. Tussen hun zesde en hun tiende ontdekken kinderen dat er een direct verband is tussen inspanning en resultaat. Vanaf hun tiende worden ze zich bewust van hun aangeboren krachten en zwaktes. Op die leeftijd weten ze dat minder aanleg gecompenseerd kan worden door meer inspanning en dat andersom een getalenteerd kind zich minder hoeft in te zetten.

Slechts etiketjes

‘We moeten uitkijken om het ene kind een typische doorzetter en het andere een typische opgever te noemen,’ waarschuwt opvoedkundige Saskia Nihom. Zij heeft een eigen praktijk voor opvoedingsondersteuning en geeft daarnaast adviezen via de Landelijke Opvoedtelefoon. Saskia Nihom gelooft niet dat het alleen een kwestie is van genen en aanleg. Naast ‘nature’ is volgens haar ook ‘nurture’, de invloed van de omgeving, van belang. ‘Niemand wordt als doorzetter of opgever geboren. Zogenaamde opgevers doen hun ouders nogal eens versteld staan omdat ze op een bepaald gebied wél tot het gaatje gaan. En wie zegt dat een meisje dat met 4 jaar snel het bijltje erbij neergooit, op haar veertiende opeens wel door de zure appel heen kan bijten?’ Doorzetten of opgeven zijn volgens Saskia Nihom niet zozeer karaktereigenschappen maar vooral kwalificaties die ouders en omgeving aan bepaald gedrag geven. Ze noemt het voorbeeld van een achtjarig jongetje uit haar praktijk. De moeder klaagt dat hij nog steeds niet genoeg zijn best doet om vriendjes te maken. Als Saskia Nihom dat navraagt bij de leerkracht, krijgt ze te horen dat de jongen daarin juist vreselijk vooruitgegaan is. Saskia Nihom: ‘Het is maar net welk etiket je erop plakt. Wat de een ziet als doorzetten, vindt de ander nog niet goed genoeg. Ouders die de lat erg hoog leggen, zullen al snel het gevoel hebben dat hun kind onder de maat blijft en het er dus bij laat zitten.’ De faalangstige huilebalkjes uit de groep van Liesbeth Pangels die ‘hun tranen heel hoog hebben zitten’ als er iets niet lukt, hebben vaak ouders die (te) veel van ze verwachten. Natuurlijk moeten ouders hun kinderen stimuleren, zeggen zowel Saskia Nihom als Liesbeth Pangels, maar ze moeten ze niet overvragen. In pedagogen-termen: ouders hebben de opdracht hun kind te begeleiden in zijn ontwikkeling, op zijn eigen niveau en in zijn eigen tempo. Ieder kind heeft de kracht en de wil om te leren. Dat bewijzen peuters die met ijzeren geduld telkens weer een dopje op een flesje proberen te draaien. Het is de taak van ouders ze te stimuleren hun doelen na te streven, ook als het even tegenzit. Dat maakt ze sterker. Maar daarbij moeten ouders zich wél steeds blijven afvragen of het de doelen van het kind zijn of stiekem die van hunzelf.

Desirée Pelle, moeder van Floris (7) en Cedric van (5), heeft zich daar wel eens op betrapt: ‘Eten met Floris was een drama. Maar ik eiste ook wel heel veel van hem: hij moest genoeg eten, maar ook nog fatsoenlijk en op tempo. Ik heb Floris wel eens toegeroepen dat-ie niet zo kinderachtig moest zijn. Terwijl hij toen nog maar 6 was!’

Verwende nesten

Leren incasseren is onlosmakelijk verbonden met leren doorzetten. Falen en balen zijn twee noodzakelijke ingrediënten van succes en geluk. ‘Je kunt alleen weten hoe het is om je goed te voelen als je je ook rot hebt gevoeld,’ aldus Saskia Nihom. Vandaar dat ouders hun kroost moeten leren omgaan met frustraties. Een baby kan de eerste zes maanden nog niet echt verwend worden. Daarom mogen zijn ouders hem dan nog wel bij het eerste het beste huiltje oppakken. Maar daarna moet ook hij, stapje voor stapje, teleurstellingen leren hanteren. Een kind dat dat al op jonge leeftijd leert, kan latere tegenslagen makkelijker overwinnen en zal daardoor minder snel de handdoek in de ring gooien.

Helaas komt ze in haar praktijk vaak ouders tegen die hun kroost voor vervelende ervaringen willen behoeden. Ze willen de perfecte ouder zijn met het perfecte kind. Hun kroost moet en zal gelukkig zijn. En dus nemen ze elke frustratie weg. Vooral moeders hebben daar een handje van. Jet Jansen bekent beschaamd dat zij inderdaad geneigd is kinderlijke teleurstellingen te compenseren. Met het laatste Sinterklaasfeest nog. Wouter en Anne vonden dat ze in vergelijking met hun nichtjes te weinig cadeaus hadden ontvangen van de goedheiligman. De volgende dag lagen er alsnog twee pakjes in hun schoen. Met een vals gedicht over ontevreden kinderen erbij, dat wel. Maar toch. Haar overbeschermende reactie heeft deels met haar eigen jeugd te maken, zegt ze. ‘Ik ben vroeger zelf veel gepest. Als ik merk dat mijn kind wordt afgewezen, zie ik mezelf weer op dat schoolplein staan. Dan ga ik dat wel goedmaken, ja.’

Begrijpelijk, vindt Saskia Nihom, maar niet verstandig. Want deze kinderen lopen de kans verwende nesten te worden die denken overal en altijd hun zin te kunnen krijgen. Beter is dan de reactie van Desirée Pelle. ‘Natuurlijk gaat het verdriet van je kind je door merg en been. Er zijn maar weinig ouders die daartegen kunnen. Maar toch ga ik geen verhaal halen bij dat kind of die moeder. Ik leg wel een arm om mijn zoon heen en praat er met hem over. Ik vertel hem dan dat ik weet wat-ie voelt omdat ik het vroeger zelf ook heb meegemaakt. En ik probeer er dan samen met hem toch nog een leuke middag van te maken.’

Aanmoedigen helpt

Positieve stimulans van ouders helpt kinderen enorm om te leren doorzetten en incasseren, weten Liesbeth Pangels en Saskia Nihom. Muzieklerares Nellie Rekvelt kan daarover meepraten. Haar leerlingen hebben soms ook even geen zin meer in hun instrument. De manier waarop ouders daarmee omgaan bepaalt misschien wel voor de helft of een kind het volhoudt of niet. ‘Hebben ze geen zin in studeren, dan is het nogal een verschil of ouders hem dan toch achter die piano meppen of dat ze zeggen: “Oké, maar speel dan nog wel even dat leuke stukje dat je zo goed kunt.”’ Saskia Nihom raadt aan een stapje terug te doen als een taak te ingewikkeld is. Zo is het makkelijker een succesje te behalen en niets is zo motiverend als succes. Liesbeth Pangels wijst daarnaast ook op het belang van controle en begeleiding. ‘Op Montessori-scholen kunnen kinderen hun eigen werk indelen. Vaak moeten ze aan het eind van de week stressen om ook de vervelende taken af te krijgen.’ Op haar reguliere basisschool bepaalt de leerkracht wanneer wat gedaan moet worden: de leerlingen komen er dan niet onderuit. Niet dat zíj geen leerlingen heeft die nauwelijks vooruit te branden zijn. Met beloningen in de vorm van stickers of complimentjes weet Liesbeth Pangels deze ongemotiveerde scholieren nog wel eens te paaien om taken toch af te maken. Zo werkt ze bij één leerling op advies van de pedagoge van de onderwijsbegeleidingsdienst met een zonnetjes-systeem. Goed gedrag levert zonnetjes op die recht geven op bijvoorbeeld een middagje meehelpen bij de conciërge. Daarmee bereikt ze dat hij minder ruzie maakt met klasgenoten en niet meer zo agressief reageert op de andere kinderen. ‘Hij gaat echt voor die zonnen!’

Ontwikkelingspsychologe Rita Kohnstamm waarschuwt voor de negatieve bij-effecten van dergelijke beloningssystemen. Zo blijkt uit onderzoek dat leerlingen soms meer aandacht en energie steken in de beloning dan in het leerproces. Als de beloning bovendien zonder meer wordt gegeven als het kind doet wat hij moest doen - ongeacht de manier waarop hij die taak heeft uitgevoerd - bestaat het gevaar dat hij op een gegeven moment niet meer kan presteren zonder dat hem een worst wordt voorgehouden. Als er nog maar een greintje intrinsieke motivatie aanwezig is, is het daarom zinvoller die aan te wakkeren dan met beloningen te werken, vindt Kohnstamm. Dat geldt vooral voor kinderen boven de 8: tussen hun achtste en veertiende neemt volgens Amerikaans onderzoek de extrinsieke motivatie gestaag af.

In de huis- tuin- en keukensituatie werkt zo’n positieve benadering vaak wel goed, zeggen de moeders Janssen en Pelle. Dat hoeven helemaal geen dure computerspelletjes te zijn. Een complimentje of wat extra aandacht van papa of mama werkt net zo goed. Door af en toe een half uurtje samen op de bank boekjes te lezen heeft Floris volgens zijn moeder meer aardigheid in lezen gekregen.

Hoeveel kracht iemand uit een innerlijke motivatie kan putten, en hoeveel profijt je daarvan kunt hebben in je leven, bewees tenslotte wielrenner Lance Armstrong. Toen in 1999 teelbalkanker bij hem werd geconstateerd, ging hij niet bij de pakken neerzetten. Hij doorliep de complete behandelingsprocedure en vocht zich vervolgens een weg terug in zijn wielrennerscarrière. En hoe! Vorig jaar won hij voor de zesde keer de Tour de France. 

Doordrammen

Doorzetten heeft ook een keerzijde. Zo bestempelde Jet Janssen het harde werken van haar zoon Wouter niet als doorzetten: ‘Ik vond hem vooral een streber.’ Als een doorzetter aan anderen net zulke hoge eisen stelt als aan zichzelf, loopt hij het gevaar zich tot een doordrammer te ontwikkelen. En soms is de doorzetter zo geconcentreerd op het resultaat, dat hij zijn sociale omgeving vergeet.

Hobby hoppen

Hoe strikt ouders hun kinderen ook voorhouden dat doorzetten loont, ze laten hun kroost vaak nog wel makkelijk van de ene naar de andere hobby hoppen. ‘Anne heeft een blauwe maandag op paardrijden gezeten. Hele outfit gekocht, vond ze het na drie maanden toch niet leuk meer. Ook atletiek bleek niet bij haar te passen. Ze mocht daar van mij na één seizoen vanaf. Zo’n hobby moet wel leuk blijven. Ik heb zelf vroeger een jaar lang met enorme tegenzin op pianoles gezeten. Daarna heb ik de piano nooit meer aangeraakt,’ vertelt Jet Janssen. Muzieklerares Nellie Rekvelt begrijpt heel goed dat haar leerlingen niet altijd even veel zin hebben in hun instrument. ‘Je kunt niet van je kind verwachten dat die tijdens de hele basisschooltijd tegen zijn zin hetzelfde instrument blijft doen. Het belangrijkste vind ik dat ze met muziek bezig blijven. Op een ander instrument, in een orkestje, bij een andere leraar of in een zangkoortje. Dat zie ik niet als opgeven.‘ Soms zit het tegen met studeren. Dan komen ze even niet verder en dat kan demotiverend werken. ‘Ik probeer de lesstof steeds uitdagend en positief te brengen. Niet meegaan in “O, wat is dat toch moeilijk” maar stimuleren: “Zullen we het eens anders doen?”’

Met hobby of instrument hoppen is op zich niet zo veel mis. Saskia Nihom raadt aan in ieder geval het schooljaar af te maken. Blijkt dat echt niet te lukken, dan is er meestal meer aan de hand dan dat het kind het gewoon niet zo leuk vindt: de hobby blijkt (motorisch) volstrekt ongeschikt, hij wordt gepest op zijn judoclubje of is het sulletje van zijn elftal. Dan is het zaak op zoek te gaan naar de achtergronden van zijn weerzin voordat een andere hobby wordt gekozen. Dat geldt ook als een kind ieder jaar van liefhebberij wisselt. Soms komt dat omdat vooral de ouders graag willen dat hun kind van alles uitprobeert of overal de beste in is.

Zo leer je ze doorzetten en incasseren

  • Kijk en luister naar het kind en naar uzelf.
  • Besef dat een kind niet altijd kan voldoen aan verwachtingen en eisen van óuders.
  • Sluit aan bij de leeftijdsfase, de mogelijkheden en de behoeften van het kind.
  • Stel de eigen motieven om het kind te laten doorzetten ter discussie: wordt het kind hiermee gestimuleerd of de ouder?
  • Leg de lat niet te hoog. Realiseer dat kinderen niet op ieder gebied op hetzelfde moment even goed kunnen zijn (sport, muziek, sociaal, school, thuis).
  • Geef ze de ruimte om te oefenen én om fouten te maken.
  • Benoem ook de negatieve gevoelens van het kind (bang, boos, verdrietig, teleurgesteld). Ontken ze niet, ze horen erbij. Door ze te benoemen leren kinderen met frustraties om te gaan.
  • Vereenvoudig soms het te behalen doel en zie dit niet als opgeven (niet ieder kind voetbalt of hockeyt in het eerste!).
  • Wil of durft een kind iets (nog) niet, verdeel de opgave/taak dan in kleinere stapjes, zodat het behalen van een succesje vergemakkelijkt wordt.
  • Geef aandacht en complimenten als een bepaalde taak of een deel daarvan is volbracht. Dit stimuleert om door te zetten,
  • Zend geen dubbele boodschappen uit als: ik zeg dat ik het prachtig vind, maar eigenlijk vind ik dat je best een beetje meer had kunnen doorzetten! Lichaamstaal, gezichtsuitdrukking en intonatie van de stem moeten overeenkomen met wat u met woorden tot uitdrukking brengt.
  • Teleurgesteld als een kind iets nog niet kan of doorzet? Benoem dat dan als uw eigen teleurstelling, dat niets met de prestatie van het kind te maken heeft.
  • Ga geen competitie aan met andere ouders. Wat de ene ouder doorzetten vindt, vinden anderen pushen of opgeven.

Bron: Saskia Nihom, Praktijk voor Opvoedingsondersteuning in Amsterdam, www.opvoedcoach.nl.

Voor dit artikel is onder meer gebruik gemaakt van ‘De psychologie van de ?doorzetter’” door Rita Kohnstamm in: Psychologie Magazine, juli/augustus 2000.

Door: | 5-11-2010

Meer artikelen uit ons netwerk


Gerelateerde artikelen

Tips van de redactie