‘Pech? Dan moet je even wachten op geluk’

redactie 21 jun 2018 Groepen 1-8

Wat is ongeluk eigenlijk? Een mooi onderwerp voor een filosofieles op school. Filosoof Rudolf Kampers praatte met leerlingen uit groep 3, 4 en 5 over pech en ongeluk. Om bij dit onderwerp uit te komen, vroegen ze zich eerst af: wat is geluk? Een reportage.

‘Oké jongens, we beginnen zoals altijd?met een concentratieoefening,’ zegt filosoof Rudolf Kampers tegen ongeveer twintig leerlingen van groep 3, 4 en 5 van basisschool De Weidevogel in Ransdorp. ‘We leggen onze handen op onze knieën en doen onze ogen dicht en denken anderhalve minuut lang aan deze rode merkstift.’ De kinderen doen allemaal braaf mee. Af en toe klinkt er een hoest, een nies en onderdrukt gegiebel. ‘Nog een half minuutje,’ zegt Kampers. En dan: ‘Goed, wie is het gelukt? Best lang hè, anderhalve minuut? Wisten jullie dat dit soort oefeningen je ook helpen om beter te kunnen leren?’

Vervolgens pakt hij het boek Denken door Filosofie en begint voor te lezen. Het verhaal gaat over Marte, die haar geluk is verloren. Terwijl ze daar over zit te treuren, ontmoet ze een marsmannetje met drie ogen die aan haar vraagt hoe haar geluk er precies uitziet. De klas moet nu giechelen. Het verhaal gaat verder. Marte kan niet precies vertellen hoe haar geluk eruitziet, maar ze denkt dat het onzichtbaar is. Gedurende het verhaal gaat ze ernaar op zoek. Ze komt in zeegrotten vol kleurige vissen, zwemt met dolfijnen mee naar oude scheepswrakken, zoekt in het oerwoud vol tijgers en in rivieren vol krokodillen. Alles zonder resultaat. Als ze boven op een kasteel staat, denkt ze het geluk bijna gevonden te hebben. Ze hoort namelijk vrolijke kinderstemmen en ziet een bruiloft. Daar moet geluk zijn, denkt ze. Maar als ze beneden is, is ze al te laat. Dan besluit ze niet meer te zoeken. Ze gaat moe naast het beekje bij haar huis zitten. Op dat moment strijkt er een prachtige vlinder op haar hand neer. Deze vlinder is al een paar keer eerder voorgekomen in het verhaal, maar toen zag Marte hem niet. Nu wel: ‘Marte keek er vol bewondering naar. Toen keek ze naar de stromende beek die glinsterde in het zonlicht en luisterde naar de vogels in de bomen boven haar. Ze haalde diep adem en rook de zachte geur van bloemen. Een glimlach kwam op haar gezicht. Ze voelde zich echt gelukkig.’

Waar vind je geluk?

‘Wat hebben jullie geleerd van dit verhaal?’ vraagt Kampers. ‘Dat er marsmannetjes zijn met drie ogen,’ zegt een klein meisje naast hem. Kampers kijkt de groep aan. ‘Zijn jullie het daarmee eens?’ Een ander meisje, formaat groep 3, denkt er anders over: ‘Ik denk dat het betekent dat als je geen geluk hebt, je gewoon moet wachten tot het weer komt.’ ‘Je kunt het dus niet gewoon vinden?’ vraagt Kampers. ‘Nee,’ zegt een jongetje, ‘Marte heeft het gewoon gekregen.’

Veel kinderen zijn het erover eens dat geluk te vinden is in de natuur. ‘Ik woon in de natuur. In onze grote tuin zie je mooie vogels en bloemen.’ En: ‘Ik word blij als ik de sterren zie en de maan.’ Kampers vraagt door: ‘O ja, wat voel je dan?’ ‘Dan voel ik me heel erg gelukkig.’ Weer een ander kind: ‘Ik word gelukkig als ik op een groot meer aan het zeilen ben met lekker harde wind. Wat ik dan voel? Nou gewoon: ha, lekker zeilen!’ Zijn vriendje vertelt een gelijksoortige ervaring te hebben in een speedboat. ‘Is dat hetzelfde?’ vraagt Kampers. ‘Nee,’ zegt het jongetje van de zeilboot. ‘Ik vind het juist leuk dat de natuur ervoor zorgt dat je zo hard gaat.’

Open vragen stellen

Kampers besluit een lijst te maken van dingen waar je gelukkig van kunt worden. ‘Ik was heel blij dat ik bij een turnwedstrijd nog net door mocht naar de finale,’ zegt een meisje. ‘Hoe zal ik dat op het bord zetten?’ vraagt Kampers. ‘Vinden jullie dat ik kan zeggen dat je gelukkig wordt als je iets bereikt dat je graag wilt bereiken?’ De kinderen zijn het ermee eens. ‘Ik word gelukkig als ik iets heb teruggevonden dat ik al heel lang kwijt was,’ roept een jongetje. Alles wordt samengevat en op het bord geschreven met een rode stift. Geluk is: als je blij bent, als jij of iemand anders weer beter wordt, als je iets eerlijk hebt opgebiecht, als je lekker kunt slapen, als je lekker kunt eten, als iemand iets aardigs voor je doet, als er vrienden komen op je feestje, als iemand zegt dat-ie van je houdt… Ze kunnen eindeloos doorgaan.

Af en toe wordt er door elkaar heen gepraat. ‘Heb jij nou gehoord wat je buurman heeft gezegd?’ vraagt Kampers aan het jongetje dat voortdurend grappige opmerkingen tussendoor probeert te maken. ‘Ik waarschuw je nu voor de laatste keer.’

Kampers legt uit waarom hij het zo belangrijk vindt dat kinderen naar elkaar luisteren. ‘Filosoferen gaat over wat er belangrijk is in het leven en over hoe we kunnen samenleven, in welke vorm dan ook. Dat begint bij het tonen van interesse en in het aankweken van het vermogen om je te kunnen verplaatsen in een ander.’

Ouders en leraren zouden wat hem betreft daar best wat harder aan mogen trekken. Hoe? ‘Door het geven van het goede voorbeeld. We zijn als volwassenen heel erg geneigd om gesloten vragen te stellen. Ik zou iedereen willen aanraden daar eens op te letten. Stel voor de verandering eens een open vraag en kijk wat er gebeurt. Je zult dan zien dat niet alles zo vanzelfsprekend is als het lijkt.’

Wat maakt je ongelukkig?

Ondertussen heeft het ‘grappige’ jongetje bijval gekregen van twee klasgenoten. ‘Er heeft iemand een scheet gelaten,’ zegt hij dramatisch. ‘Word je daar gelukkig van?’ vraagt Kampers. ‘Nee, niet echt,’ antwoordt het jongetje. ‘Word je er dan óngelukkig van?’ Hier moet hij even over nadenken. ‘Waar worden jullie wél ongelukkig van?’ vraagt Kampers. ‘Als iemand me knijpt,’ zegt een jongen. ‘Waarom knijpt iemand eigenlijk?’ vraagt Kampers aan de groep. ‘Ik denk omdat ze zelf boos zijn,’ oppert er een. ‘Is dat niet gek?’ vraagt Kampers door, ‘dat als je zelf ongelukkig bent, je iemand anders ook ongelukkig wilt maken?’ ‘Misschien willen kinderen die dat doen zich afreageren omdat hun vader en moeder niet aardig zijn of altijd ruziemaken,’ denkt een ander. ‘Zouden ze zich daar dan weer iets gelukkiger van voelen? Worden ze gelukkiger van pesten of knijpen?’ vraagt Kampers. Een jongen steekt zijn vinger op. Hij wil graag duidelijk maken dat er een verschil is tussen pesten en knijpen: ‘Pesten doet pijn in je hart en knijpen doet maar op één plek pijn.’ ‘Is dat zo?’ vraagt Kampers. De kinderen kijken glazig en reageren niet. Sommigen omdat ze staan te springen om te vertellen waar zijzelf nou ongelukkig van worden. Hun vingers prikken zo hoog mogelijk in de lucht. ‘Ik word ongelukkig als mijn moeder boos is en me een tik op mijn wang geeft. Dan ga ik heel hard op mijn bed slaan met een kussen.’ ‘Ik word ongelukkig als – het meisje noemt een naam – mijn vriendin niet meer wil zijn.’ De (ex?)vriendin reageert fel: ‘Ik was nooit echt jouw vriendin.’ De concentratie ebt een beetje weg. Maar dat klopt, want het is tijd. Kampers vraagt ze nog gauw om de komende week na te denken over dingen die ze echt gelukkig maken. Dan rennen ze allemaal naar buiten. l

Filosoferen met kinderen: hoe doe je dat?

Waarom filosoferen met kinderen? Volgens Berrie Heesen, auteur van diverse boeken over dit onderwerp, hoort het samen leren nadenken over de vele vragen die we op onze weg vinden tot een logisch onderdeel van de moderne opvoeding. Door met kinderen te praten over allerlei aspecten van het leven, krijgen ze inzicht in de manier waarop ze morele keuzes maken. Het vormt ze als het ware tot redelijke mensen.

  • Dwing het moment niet af maar neem de tijd
  • Zoek een aanleiding: iedereen maakt wel iets mee op een dag. Ook een vraag is een goed uitgangspunt. Vraagt een kind: ‘Komt er elke keer een nieuwe dag?’ Dan antwoord jij bijvoorbeeld: ‘Tja, wie zal het zeggen. Stel je voor dat er maar één dag was. Hoe zou je dat vinden?’
  • Toon je nieuwsgierigheid
  • Wees respectvol
  • Wees niet bang voor een grapje tussendoor
  • Ga niet moraliseren

Naast een alledaagse aanleiding kan ook een verhaal een mooi uitgangspunt zijn voor een boeiend gesprek. In het boekje De vliegende papa’s van Berrie Heesen staan verschillende verhalen die zich lenen voor een goed gesprek. Het boek behandelt veel verschillende thema’s: kunst, dood, overbevolking, de zin van het leven, gisteren en morgen, et cetera. Het lijken misschien wat zware onderwerpen, maar elk thema wordt op een kindvriendelijke manier aangepakt en afgesloten met een paar leuke vragen die je kunt stellen: wie wil liever morgen dan vandaag leven? Denk je wel eens dat er nog iemand is zoals jij? Zou er geen kunst zijn zonder kunstenaars? Is een begrafenis eng?

Filosofieles op school

De Stichting voor Persoonlijk Onderwijs (SVPO) steunt basisscholen die graag meer aan filosofieonderwijs zouden willen doen. Zij kunnen bemiddelen bij het vinden van een filosofieleraar en zonodig een deel van de kosten op zich nemen. De lesmethode die zij gebruiken, is gebaseerd op de succesvolle Schotse lesmethode ‘Denken door filosofie’ van Paul Cleghorn.

Meer info

De Vliegende papa’s – filosoferen met kinderen, door Berrie Heesen, uitgeverij Damon, ISBN 9055770653
Zie ook: www.lerenfilosoferen.nl of www.filosofie.svpo.nl

Reageer op artikel:
‘Pech? Dan moet je even wachten op geluk’
Sluiten