Praten waar de kinderen bij zijn

redactie 19 jun 2018 Ouders

Openhartig praten met de kinderen is iets anders dan praten met andere volwassenen waar de kinderen bij zijn. Ogenschijnlijk horen ze het gesprek niet, maar schijn bedriegt. Soms is het nuttig ‘het er nu maar even niet over te hebben’.

Kleine potjes hebben grote oren. Onze ouders zeiden het al en ook voor onze grootouders was het een gevleugelde uitdrukking. Belangrijke of persoonlijke zaken besprak je niet met je kinderen. Daar hadden ze niets mee te maken. Sommige ouders gingen aan tafel zelfs in het dialect of op het Frans over, als ze over zaken praatten die niet voor kinderoortjes bestemd waren. Of de kinderen werden plompverloren de kamer uitgestuurd.

Hoe anders is dat tegenwoordig. De meeste ouders zijn openhartig tegenover hun kinderen, er wordt veel met hen gepraat en overlegd. Ze mengen zich gemakkelijk in een gesprek en krijgen op vrijwel alle vragen antwoord. Kinderen stuur je niet zomaar met een kluitje in het riet, luidt de algemene opinie. Maar waar ligt de grens?

Mirjam Hilgers, moeder van een zoon en dochter (13 en 11): ‘Ik ben heel open tegen m’n kinderen, vertel vrij veel. Ook over geld doe ik nooit geheimzinnig. Soms kan iets niet omdat er geen geld voor is en dat zeg ik dan ook rustig: “Het is op deze week. Volgende week is er weer.” Als ik iets te persoonlijk vind om aan de grote klok te hangen, dan zeg ik dat er expliciet bij: “Jij mag dit best weten, maar ik wil niet dat je het aan anderen vertelt, het moet niet op straat komen te liggen.” Ik weet dat ze zich daar ook aan houden.

Soms, als een vraag me niet uitkomt, maak ik me er ook met een geintje vanaf. Zoals laatst. Mijn dochter zag dat m’n man en ik het leuk hadden samen, aanhalig waren, en wilde weten of we gingen vrijen. Toen zei ik een beetje plagerig: “Dat soort dingen vertel ik je als je 18 bent.” Maar dat is een uitzondering. Over de meeste dingen praat ik gewoon.’

Haar kinderen zijn echter al wat ouder. Dat maakt praten over het algemeen gemakkelijker. Bij de hele kleintjes is dat wat minder vanzelfsprekend. Wel zijn zij regelmatig bij een gesprek in de kamer aanwezig. Dan zitten ze lief, of minder lief, in een hoekje te spelen, terwijl volwassenen de problemen van het leven doornemen. Ze lijken verdiept in hun eigen spel, maar ondertussen vangen ze van alles op en vormen er vaak hun eigen beeld van. Want hoe jonger ze zijn, hoe groter het beeldend vermogen en het magisch denken is. Als een ouder zegt dat er ergens geen geld voor is, zien zij meteen een lege portemonnee voor zich of nog erger: die avond geen eten op tafel.

Onnodige angst voorkomen

Kinderpsychologe Hanneke van Hasselt-Mooij vindt dat ouders zich daar bewust van zouden moeten zijn. ‘Neem bijvoorbeeld ouders die een verkennend gesprek voeren over verhuizen, omdat een van hen een baan elders kan krijgen. Een kind doet dan alsof het zich terugtrekt en niets hoort, maar ondertussen houdt het z’n oortjes open en kan het zich rot schrikken.

In z’n verbeelding ziet hij al een ander huis en is bang dat hij dan helemaal geen vriendjes meer heeft. Maar hij laat zich daar niet over uit, hij heeft het immers niet gehoord. Zo’n kind kan dan lastig gedrag gaan vertonen of slaapproblemen krijgen. Maar als ouder weet je helemaal niet hoe dat komt. De beelden die kleine kinderen zich in stilte vormen, zijn vaak veel verwarrender en angstaanjagender dan als je er openlijk met hen over praat. En nog belangrijker: door erover te praten, kunnen ze zich uiten. In het geval van een verhuizing is het zinvol om er samen over te praten als het bijna een feit is. Als je er nog over aan het nadenken bent, kun je hen er beter niet in betrekken, omdat het onnodig veel angst en onrust oproept.’

Over wat je een kind wel of niet moet vertellen, zijn nauwelijks algemene regels te geven, vindt Van Hasselt-Mooij. ‘Dat heeft met het kind zelf te maken – het ene kind is gevoeliger dan het andere -, met zijn leeftijd, maar ook met de vraag hoe je als ouders met gevoelens omgaat. Ben je iemand die gevoelens wegduwt en zich moeilijk uit, dan kan het kind met het vertelde op de loop gaan.

Ook hoe anderen die bij de situatie zijn betrokken met gevoelens omgaan, is van invloed. Als oma bijvoorbeeld ernstig ziek is en waarschijnlijk doodgaat, is het ook belangrijk of zijzelf openlijk over haar ziekte of naderende dood praat. Of stopt ze dit weg? Doet ze dit laatste, dan maakt dat het voor een kind lastig hoe zij zich naar oma moet opstellen.’

Toch is de dood niet iets om weg te houden uit een kinderleven, meent Van Hasselt-Mooij. ‘Hoe verschrikkelijk en verdrietig soms ook, de dood is ook iets boeiends. Weet je voor bijna 90 procent zeker dat oma gaat overlijden, dan kun je het beter maar wel vertellen, ook aan de kleintjes. Maar dan moet je hen wel de ruimte geven om zich te uiten. Dat hoeft niet altijd door erover te praten. Je kunt er ook boekjes over voorlezen, ze een tekening laten maken of voorbeelden uit de natuur of het verleden aanhalen: “Weet je nog toen we de poes begraven hebben?” Op die manier kunnen ze het ook delen met anderen. Dat maakt minder eenzaam.’

Waar nodig ontzien

Tino van Grimhuijzen, werkzaam bij Bureau Jeugdzorg in Tilburg, vindt ook dat als opa of oma komen te overlijden of als vader en moeder besluiten te gaan scheiden, dit natuurlijk aan kinderen verteld moet worden. ‘Maar hopelijk wel in een sfeer van veiligheid en vertrouwen, want huwelijksproblemen, dood en ernstige ziektes kunnen het gevoel van veiligheid en zekerheid van een kind heel erg bedreigen.

Het is soms goed om een kind hierin te ontzien. Zo had een cliënt van mij aan haar vierjarige dochtertje verteld dat opa nu een sterretje was geworden en dat hij iedere avond even kwam kijken of alles nog goed ging hier beneden. Hierdoor werd het overlijden van opa een stuk minder eng voor het kind.

Een scheiding zouden de ouders samen aan de kinderen moeten vertellen en daarbij zouden ze moeten benadrukken dat ze beiden nog ontzettend veel van hen houden. En hun kinderen dat vooral ook laten voelen.’

Van Grimhuijzen is overigens van mening dat je een onderscheid moet maken tussen kinderen tot 12 jaar en zij die ouder zijn als het gaat om volwassen problemen.

‘Puur neurologisch gezien zijn kinderen pas vanaf ongeveer 12 jaar in staat om enigszins relativerend te denken, om zich in te leven in de mening van een ander en om kwesties vanuit meerdere standpunten te bekijken. De hersenen zijn rond die leeftijd pas voldoende uitgegroeid om deze taken te kunnen uitvoeren. Daarmee wil ik niet zeggen dat je jonge kinderen niet moet betrekken bij kwesties die in hun leven spelen, maar het moeten wel problemen zijn die het kind kan bevatten en die z’n wereld niet bedreigen. Dus wel praten over het aanschaffen van een huisdier, het uitstippelen van een vakantie of de consequenties van het lid worden van een club, maar niet over huwelijksproblemen of enge ziektes in de familie.

Voor kinderen van 12 jaar en ouder zijn volwassen problemen al een stuk minder moeilijk te bevatten. Ook hebben ze meer mogelijkheden in huis om ermee om te gaan. Ze kunnen er met leeftijdgenoten over praten, het op school bespreken, er een boek over lezen of gedichten over schrijven. Voor beide leeftijdsgroepen geldt dat de ouders de uiteindelijke verantwoordelijkheid dragen en dat ze moeten ingrijpen als ze zien dat hun kind een beslissing niet kan overzien of een bepaalde verantwoordelijkheid nog niet aankan.’

Ruzie maken in het bijzijn van de kinderen is niet altijd schadelijk. Het is maar hoe je ermee omgaat, en zeker niet altijd te voorkomen. Soms slaat ineens de vlam in de pan, vaak vanwege een futiliteit. Je zit samen aan tafel en de ene ouder verwijt de ander dat het aanrecht weer vol rommel staat en binnen no time vliegen de verwijten over en weer. Van Hasselt-Mooij: ‘Dat is op zich niet onoverkomelijk. Wel zouden ouders zich er bewust van moeten zijn hoe afschuwelijk het voor een kind is om erbij te zitten en niets te kunnen inbrengen. Het gaat allemaal over zijn hoofd heen. Daarom is het goed om na afloop naar het kind toe te gaan en te zeggen: “Dat is ook niet leuk voor jou, hè, om daarbij te zitten.” Hierdoor kan het kind stoom afblazen. Belangrijk is ook om het in het bijzijn van het kind weer goed te maken. Je geeft elkaar zoentjes of een arm en zegt: “Nu is het weer over.” Vooral de kleintjes hebben die veiligheid nodig. Echte ruzies kun je beter bewaren tot de kinderen naar bed zijn.’

Fouten toegeven

Je in het bijzijn van kinderen negatief uitlaten over anderen, bijvoorbeeld over de man met wie je in scheiding ligt, zijn nieuwe vriendin of je ouders met wie je een moeizame relatie hebt, geeft geen pas, vindt van Hasselt-Mooij. ‘Je moet er echt voor zorgen dat je kinderen ook niet kunnen meeluisteren als je zo praat, want het geeft onherroepelijk loyaliteitsproblemen. Als jij de pest hebt aan je ouders en dat steeds laat merken, weten kinderen niet hoe ze zich naar opa en oma moeten gedragen. Mogen ze wel lief doen tegen hen of trappen ze jou dan tegen het zere been? Moeten ze voor jou kiezen of voor hen? Dat zijn voor kinderen onoverkomelijke problemen.’

Toch valt het niet altijd te voorkomen dat je je eens negatief uitlaat, bijvoorbeeld over een ex. Iemand in de winkel spreekt je erover aan of een vriendin komt binnen en zegt: “Jij had laatst toch zo’n vreselijk conflict met Jan, hoe is het daar nu mee?” Van Hasselt-Mooij: ‘Als dit niet voortdurend gebeurt, hoeft dat niet zo’n probleem te zijn. Je kunt dan rustig tegen de ander zeggen: “Ik vind dit niet zo’n goede plaats om het daarover te hebben” of: “Oh, we hebben dat goed uitgepraat.”

Als je je toch tot negativiteit hebt laten verleiden, kun je na afloop naar je kind toegaan en eerlijk zeggen dat je allemaal nare dingen over papa hebt gezegd. Dat je dat eigenlijk niet wilde, maar dat je het allemaal ook zó moeilijk vindt! Je moet je fouten kunnen toegeven. Het is beter om eerlijk te zijn, want van smoesverhalen worden kinderen stapelgek en onzeker.’

‘Het gaat je niet aan’

De andere kant van de grote openheid die we naar kinderen betrachten, is dat kinderen ook heel impertinente vragen aan volwassenen kunnen stellen.

Simone Heijman, moeder van drie zoons: ‘Ik vind kinderen tegenwoordig vaak vrijpostig en stel dat lang niet altijd op prijs. Zo is er een buurjongen die regelmatig de neiging heeft om een beslissing van mij te bevragen of te becommentariëren. Hij vraagt ook rustig wat we verdienen of waarom hij bij ons niet op internet mag, als z’n eigen computer op tilt is. Ik geef er geen antwoord op, of ik stel heel duidelijk dat ik het niet wil. Daarin ben ik erg veranderd. Vroeger was ik veel meer geneigd om over van alles en nog wat in discussie te gaan, maar dat kostte me te veel energie. Nu hanteer ik de simpele regel dat ik in huis de regels bepaal. Sommige in overleg met m’n kinderen, maar zeker niet in overleg met buurkinderen of vriendjes.’

Als kinderen vragen stellen die jou eigenlijk te ver gaan, kun je daar een ontkennend of ontwijkend antwoord op geven, vindt Van Hasselt-Mooij ook, maar de toon waarop is wel belangrijk. ‘Als je zegt: “Daar heb je niets mee te maken, dat is mijn zaak,” voelt een kind zich afgewezen. Dat is jammer. Want daardoor kan een kind geneigd zijn om niets meer te vragen, terwijl nieuwsgierigheid toch de basis is van leren en een eigen mening vormen. Je kunt ook zeggen dat je het te persoonlijk vindt of te moeilijk om over te praten. Het is natuurlijk goed om je grenzen aan te geven, zeker als een kind je uitdaagt om dingen te vertellen die je niet wilt. Maar soms kun je ze ook een beetje ontmoedigen door aan te geven dat iets heel ingewikkeld is.

Als ze bijvoorbeeld vragen hoeveel je verdient, kun je zeggen: “Hoe bedoel je? Bruto of netto? Met of zonder ziektekostenverzekering? Met of zonder pensioen? Pak maar een papier, dan schrijven we het eens op.” De meesten houden het dan voor gezien.’

Het is goed om eerlijk en duidelijk te zijn tegen kinderen, dan weten ze waar ze aan toe zijn en hoeven ze in hun fantasie niet de ergste doemscenario’s voor zich te zien. Want kinderen pikken vaak meer op dan je denkt. Maar soms kan een leugentje om bestwil geen kwaad.

Wat kunnen ze aan?

Tot 12: alleen betrekken in kwesties die het kind kan bevatten en die z’n wereld niet bedreigen. Dus wel praten over het aanschaffen van een huisdier, het uitstippelen van een vakantie of de consequenties van het lid worden van een club, maar niet over huwelijksproblemen of enge ziektes in de familie.

Voer geen ‘verkennende’ gesprekken waar de kinderen bij zijn. Bijvoorbeeld over wel of niet verhuizen. Dat kan onnodige angst en onrust oproepen. Praat er pas over met de kinderen als het een feit is.

Vanaf 12: dan pas zijn de hersenen neurologisch gezien in staat om enigszins relativerend te denken. Hierdoor kunnen kinderen zich ook inleven in de mening van een ander en kwesties vanuit meerdere standpunten bekijken. Ook zijn ze dan in staat om volwassen problemen te bespreken met leeftijdgenoten, die op school aan te kaarten of er een boek over te gaan lezen.

Nooit doen: knallende ruzie maken met partner of andere volwassenen in het bijzijn van kinderen. Zeker niet als die niet wordt bijgelegd.

Negatief praten over andere volwassenen leidt tot onzekerheid en geeft loyaliteitsproblemen.

Reageer op artikel:
Praten waar de kinderen bij zijn
Sluiten