Rotdag met rupsen 2

Ik heb geluk. Ze is er. Ze zit aan de knutseltafel met een schaar in haar hand en een stapel karton voor zich. Er zijn nog geen kinderen op de naschoolse opvang. Aan dezelfde tafel zit een leidster achter een laptop. Als ik binnenkom kijkt de leidster met wie ik een appeltje te schillen heb, op. Ze lijkt verbouwereerd door mijn verrassingsbezoek. Meestal is het mijn man die de kinderen haalt en komt hij aan het einde van de middag – niet om twee uur s middags. Vriendelijkheid in de ogen kan ik niet bij haar bespeuren. ˜Ik kom de insectenpot van Sam halen, zei ik koeltjes.

˜Oh, die pot. Ze rolt met haar bureaustoel naar de kast, pakt de pot met insecten en overhandigt hem aan mij. Vervolgens draait ze zich weer naar de tafel toe om verder te gaan met haar knutselwerk. Maar ze ziet dat ik blijf staan.

˜Ehh, stamel ik, ˜ik hoorde van Sam en Nuschka dat jij niet echt fan van insecten bent, he?

Ze kijkt me even snel aan, en kijkt dan weer weg. Ze is op haar qui-vive. Dan begint ze rond de tafel te lopen en papieren op een stapel te leggen. Ik kijk naar haar rug en luister naar haar. ˜Dat klopt, zegt ze dan. ˜Ik vind het echt heel smerige beesten, en hoef ze ook echt niet te zien. Dat meen ik heel serieus. En dan gaat hij ze nog lekker hier aan tafel uit het potje halen… Nee, dan ben je bij mij aan het verkeerde adres. Haar irritatie lijkt toe te nemen als ze weer aan het voorval terugdenkt.

Ik probeer ertussen te komen met een zoete glimlach: ˜Maar het zijn niet alleen maar smerige beesten, toch? Het is ook een educatief project. Ik hoop dat ze ontdooit, maar dat gebeurt niet.

˜Dat zal wel, zegt ze in plaats daarvan. ˜Maar ik hoef ze niet te zien als we gaan eten.

˜Maar dat had je dan toch ook gewoon tegen Sam kunnen zeggen?

Ik krijg een felle blik van haar. ˜Nou ik heb het anders heel duidelijk tegen hem gezegd hoor. ˜Nou, bijt ik van me af, ˜zo heb ik het anders niet van hem begrepen.

Ik merk dat het een welles-nietesspelletje aan het worden is, een zeer onaangenaam welles-nietesspelletje waarin ik me ontpopt heb als onverdraagzame en kritische moeder, die de leidster van haar kinderen in aanwezigheid van anderen aanvalt. Maar de manier waarop ze over mijn zoon praat, staat me totaal niet aan. Tegelijkertijd voel ik me – waarschijnlijk net als zij – erg ongemakkelijk in aanwezigheid van haar laptoppende collega, en een derde leidster die inmiddels binnengekomen is. Het is even stil.

Dan doe ik een tweede poging om aan te geven dat ik me ongelukkig voel over de manier waarop ze met mijn kinderen omgaat: ˜Maar je had een rotdag, hoorde ik. Jammer dat je drie keer gezakt bent. Ik kan me voorstellen dat je daar goed van baalt.

Bedankt, zegt ze, zonder een spier te vertrekken.

˜Want daar had je het met de kinderen over gehad, toch?

˜Ja, antwoordt ze, ˜daar ben ik heel open in hoor. Daar doe ik helemaal niet moeilijk over, ze mogen alles van me weten.

Ik knik. ˜Maar die term stamel ik, ˜…rotdag

˜Ja…? De leidster kijkt me nu met toegeknepen ogen aan: Wat is daarmee?

˜Nou, lach ik zenuwachtig, ˜ik vind dat nogal heftig.

˜Hoezo? Wat is er mis met rotdag?

˜Ik weet het niet…, zeg ik, …maar ik zeg dat soort dingen thuis in ieder geval niet op die manier.

˜Nee? Ze kijkt stomverbaasd. ˜Oh, nou ik zie niet in wat daar mis mee is.

We kijken elkaar op een nare manier aan, trekken zenuwachtige grimassen.

˜Nou goed, verbreek ik de pijnlijke stilte, ˜misschien kunnen we binnenkort een keertje met elkaar praten. Ik bedoel een kennismakingsgesprek, want ik ken jou niet en jij zorgt voor mijn kinderen.

De leidster kijkt me stoicijns aan.

˜Ja, ik bedoel gewoon, ook over mijn kinderen, hoe ze het hier hebben…

Dan antwoordt ze: ˜Dat moet ik aan mijn leidinggevende vragen. Ik weet niet of dat kan.

˜Waarom zou het niet kunnen? vraag ik nu verbaasd.

˜Nou ja, ik ga daar niet over. We hebben de tienminutengesprekken, en die zijn net geweest. En als je dan een extra gesprek wil, moet dat via het hoofdkantoor. En ik weet dus niet of het kan of mag.

˜Maar waarom zou het niet mogelijk zijn? vraag ik.

˜Geen idee, zegt het meisje, ‘ik moet het gewoon eerst vragen. Ik ga er niet over.

Weer kijken we elkaar lang, zwijgend en vragend aan.

˜Goed, ik hoor het dan wel, zeg ik ongemakkelijk. ˜Tot ziens dan maar.

Ik draai me om en verlaat met snelle passen de ruimte, de insectenpot van Sam in mijn hand. Bah, wat een naar gesprek. Onderwijsadviseur zijn is een stuk makkelijker dan moeder zijn.

Reageer op artikel:
Rotdag met rupsen 2
Sluiten