Welk type is jouw kind in de klas?

Welk type is jouw kind in de klas?

Hoe gedraagt jouw kind zich in de klas? Is hij het type popie-jopie, stuiterbal of grijze muis? En wat zijn de consequenties van zijn gedrag voor de leerprestaties? Leerkracht Annemiek Groot onderscheidde op basis van haar jarenlange ervaring veertien verschillende type leerlingen. Wij legden deze voor aan persoonlijkheidspsycholoog Boele de Raad.

Annemiek Groot somt ze moeiteloos op, de veertien types die ze jaar in, jaar uit in haar groepen tegenkomt. Bijna een kwart eeuw staat ze voor de klas, eerst als gymnastieker en daarna als groepsleerkracht in het regulier en speciaal basisonderwijs. ‘In elke groep van dertig kinderen zitten zo’n tien tot vijftien verschillende types. Je kunt ze bijna uittekenen. Ze vallen op door hun ge-drag in de klas; in positieve of negatieve zin.’

Verdeling klas

De loyale meewerkers vormen ongeveer de helft van de klas. De angsthazen zijn gemiddeld met z’n drieën. Leerkrachten hebben daarnaast meestal wel twee of drie druktemakers (stuiterballen), ongeveer evenveel harde werkers en maximaal twee verzorgers in hun groep. De rest van de klas bestaat meestal uit een of meer eenlingen: één clown, één prinsesje, één buitenbeentje, één pestkop, één kletskous, één opgewonden standje, één perfectionist, één slome slak en één popie-jopie. Wie nu nog niet getypeerd is, zal waarschijnlijk tot het vijftiende, niet benoemde type behoren: de grijze muis. Die valt op geen enkele manier uit de toon.

Voor leerkracht Annemiek Groot zijn de loyale meewerkers het prettigste soort leerling. ‘Die hebben er gewoon zin in. Ze zeuren niet en doen hard hun best.’ Bij de harde werker heeft een docent eer van zijn werk: ‘Vaak heeft “ambitie” een negatieve bijklank. Maar wat is er mis mee? Harde werkers willen geen flauwekul en komen om te leren. Bij hen kun je oogsten wat je gezaaid hebt.’ De stuiterballen, de kletskousen en de clowns veroorzaken door hun onrust de meeste last in de klas. ‘Ze willen aandacht en wel nu! Dan voel ik me soms net een ober. Zij bestellen, ik bedien.’ Hoe anders is dat met de angsthazen. Die doen er juist alles aan om maar niet op te vallen. Dat is de moeilijkste groep, vindt Groot. ‘Als je niet oplet, raakt die volledig ondergesneeuwd.’

Alle types zijn haar even lief. Bovendien maakt juist die diversiteit haar vak interessant. ‘Een grijze hap is niks. Elk karakter heeft z’n eigen functie in de klas, al moet je van sommige types er niet te veel hebben!’

Twee kanttekeningen wil Groot graag plaatsen bij haar typologie. Ten eerste is zo’n typering natuurlijk altijd zwart-wit. De werkelijkheid is oneindig genuanceerder. Bovendien heeft ze haar typering gemaakt op basis van gedrags-uitingen, niet op basis van karaktereigenschappen. ‘Ik ga ervanuit dat gedrag in hoge mate bepaald wordt door de situatie. Een clown is alleen maar een clown als hem die ruimte wordt gegeven. Maffe acties zijn niet aangeboren, maar aangeleerd. En dus te beïnvloeden. Bij een gezond kind is elk gedrag een keuze.’

Gedrag wordt bepaald door karakter

Persoonlijkheidspsycholoog Boele de Raad – als bijzonder hoogleraar verbonden aan de universiteit van Groningen - is het niet met Groot eens. ‘Gezonde kinderen doen in de regel wat hun geaardheid hen ingeeft, zonder veel nadenken. Natuurlijk is in principe alles mogelijk, maar in de praktijk van het dagelijks leven gedraagt iedereen zich in sterke mate overeenkomstig zijn persoonlijkheid of karakter.’ Tweelingonderzoek heeft uitgewezen dat die voor minstens 50 procent genetisch bepaald zijn. ‘Je kiest je karakter niet, maar krijgt dat bij de conceptie gratis mee. Opvoe-ding heeft daar maar heel weinig invloed op.’

Het karakter kan - binnen de biologische grenzen - in de loop der tijd wel veranderen. In groep 8 kan een kind anders zijn dan in groep 3. Dat komt zowel door de veranderende situatie als door de ontwikkeling die het kind zelf doormaakt. Ook kunnen kinderen zich onder verschillende omstandigheden anders gedragen.

De Raad: ‘Bepaalde karaktereigenschappen komen in sommige situaties veel duidelijker tot uiting dan in andere. Als kinderen een toets moeten maken, legt dat een zware druk op hun gedrag. Ze zullen allemaal stil en geconcentreerd bezig zijn. De overeenkomsten tussen de leerlingen zijn dan veel groter dan de verschillen. Mogen ze echter vrij werken, dan zijn er veel minder gedragsbeperkingen: dan komen de specifieke trekjes naar boven en blijken de verschillen.’

Bovendien leent niet elke omgeving zich voor het manifesteren van bepaalde hebbelijk-heden. Zo heeft een clown publiek nodig. ‘Thuis zal die daarom minder snel de komiek uithangen,’ aldus De Raad. ‘Maar dat betekent niet dat-ie geen clown meer is. Hij heeft die capaciteiten wel degelijk!’ Thuis zijn kinderen niet wezenlijk anders dan in de klas.

Big Five-model

De Raad houdt zich al jaren bezig met persoonlijkheidstyperingen. Hij gebruikt daarvoor het Big Five-model. Hierbij worden mensen gekenschetst op basis van alledaagse begrippen waarmee wij elkaar beoordelen: de zogenaamde eigenschapstermen. Onze taal kent duizenden woorden om mensen te typeren, variërend van ouderwetse uitdrukkingen als leergierig tot moderne varianten als cool en tof. Statistisch onderzoek wijst uit dat we bij onze taxaties zeer systematisch te werk gaan. Wij beoordelen onze medemensen steeds op dezelfde vijf factoren: extravert - introvert, vriendelijk - onvriendelijk, nauwgezet - slordig, stabiel - labiel en autonoom (slim) – volgzaam. En op alle combinaties tussen deze dimensies. In schema gezet levert dit een model op met honderden termen waarmee iedere persoonlijkheid kan worden getypeerd. Ook dat van schoolkinderen, al blijkt uit onderzoek dat de factor autonoom - volgzaam bij hen geen (grote) rol speelt. Ontwikkelingspsycholoog Dolph Kohnstamm, die samen met een aantal collega’s onderzoek deed naar de toepasbaarheid van het Big Five-model bij kinderen tot 12 jaar, legt uit waarom: ‘In groep 3 of 4 valt wel op dat een kind ijverig en geconcentreerd kan werken, maar het is nog niet duidelijk of je dat aan zijn intellect kunt toeschrijven. Tot zijn tiende zal zo’n leerling daarom eerder als “zorgvuldig” worden getypeerd dan als een “intellectueel autonoom” kind.’

Veertien types, vijf factoren

De veertien types van Annemiek Groot zijn moeiteloos in het Big Five-schema in te passen. Elk type heeft zijn eigen kleur. Sommige types corresponderen met één omschrijving en zijn in één vakje terug te vinden, bij andere zijn meerdere kenschetsen mogelijk (en dus meer vakjes ingevuld).

De invuloefening maakt duidelijk dat zeven van de veertien Groot-karakters scoren op de factor (wel) ‘extravert’. Blijkbaar is het onderscheid extraversie-introversie de belangrijkste dimensie waarop Groot haar leerlingen onderscheidt. Vaak heeft de typering een negatieve lading. ‘Logisch,’ reageert Annemiek Groot. ‘Die kinderen vallen op omdat ze aandacht vragen en de klas verstoren.’

Volgens De Raad impliceert deze overeenkomst dat de types van Groot minder van elkaar verschillen dan op het eerste gezicht lijkt. ‘Ze hebben vaak dezelfde trekken (extravert), maar de accenten liggen net iets anders.’ Voor de rest kenschetst Groot haar leerlingen in ongeveer gelijke mate op (on)stabiliteit, (on)zorgvuldigheid en (on)vriendelijkheid. Overigens onderscheidt zij bij een aantal van haar types zowel een positieve als een negatieve kant. Zo kan de verzorger een sociaal en zorgzaam kind zijn, maar – als de motivatie niet van binnenuit komt - ook een slijmbal die de juf wil behagen.

Overigens kent onze taal sowieso meer negatieve woorden om iemand te omschrijven dan positieve, merkt De Raad op. ‘Over in-goede mensen zijn wij vaak snel uitgepraat. Maar een onaangenaam persoon geeft uren stof tot kletsen.’ Dat dat niet alleen iets van deze tijd is, bewijst de oudst bekende typologie van de filosoof Theophrastus uit de derde eeuw voor Christus. Tot zijn dertig karakters behoren onder meer gezellige types als de veinzer, de uitslover, de behaagzieke en de ijdeltuit.

Karaktertype en schoolsucces

Uit onderzoek naar de relatie tussen de vijf factoren (Big Five) en schoolsucces blijkt dat zorgvuldigheid daarop de meeste invloed heeft. Nauwgezette kinderen werken efficiënt, systematisch en zijn gemotiveerd om iets te bereiken. Dat verklaart het succes van de harde werkers. Dat ze het volgens Groot heel ver kunnen schoppen, komt niet omdat het allemaal van die studiehoofden zijn, maar vooral door hun werkhouding. Datzelfde geldt voor de perfectionist. Behalve dan als die niet aan zijn eigen hoge eisen kan voldoen – en dat gevaar is niet denkbeeldig. Dan kan de veeleisende leerling veranderen in een moedeloze, ongeïnteresseerde en zelfs depressieve tobber. Minder te spreken is Groot over de werkhouding en leerprestaties van chaotische of onverschillige leerlingen als de stuiterbal, de clown, de kletskous en de slome slak. Die zijn vaak met zulke andere dingen bezig, dat hun schoolwerk eronder kan leiden. Bij de stuiterbal komt daar nog eens bij dat hij zich moeilijk kan concentreren en snel is afgeleid.

Extraverte kinderen presteren tot hun twaalfde op school in het algemeen beter dan hun introverte klasgenootjes, blijkt uit hetzelfde onderzoek. De verklaring zou kunnen zijn dat op de buitenwereld gerichte jonge kinderen vaker leergierig zijn. ‘Bovendien,’ vult Annemiek Groot aan, ‘zorgen die er ook wel voor dat je ze ziet.’ Haar introverte angsthaasjes baren haar in dit opzicht dan ook de meeste zorgen. ‘Zij zijn vaak erg braaf in de klas. Op hun werkhouding is - in ieder geval op het eerste gezicht - dan ook weinig aan te merken. Ze doen krampachtig hun best om aan de eisen van de juf te voldoen. Omdat ze niet opvallen en niet snel bij de juf zullen aankloppen, blijven eventuele problemen vaak onopgemerkt. Als leerkracht moet je daar alert op zijn.’ Pleister op de wonde voor introverte leerlingen is dat de balans op latere leeftijd omslaat: succesvolle studenten zijn juist vaker introvert. Dat komt vermoedelijk omdat de extravert het dan te druk heeft met zijn sociale leven, zijn energie kwijt moet in allerlei buitenschoolse activiteiten en moeite heeft zich op zijn studie te concentreren.

Vriendelijke leerlingen (als de verzorger en de loyale meewerker) doen het op school niet beter dan minder aardige kinderen, maar door hun houding komen ze vaak wel verder. ‘Het zijn gewoon fijne kinderen.’ Ze zitten lekker in hun vel en kunnen het met iedereen vinden. Dat heeft indirect een gunstige invloed op hun leerprestaties. Daarbij beschikken ze meestal over een grote sociale en emotionele intelligentie; ook een voorspeller voor later maatschappelijk en intellectueel succes.

Hoe stabieler ze zijn, hoe beter leerlingen op school presteren. Zelfbewuste, evenwichtige kinderen zijn beter in staat om (leer)problemen het hoofd te bieden en raken niet zo snel in paniek als hun neurotischer klasgenootjes. Naarmate ze ouder worden – en zeker in het voortgezet onderwijs - wordt deze relatie steeds duidelijker. Waarschijnlijk komt dat omdat er gedurende de onderwijsloopbaan een steeds groter beroep wordt gedaan op het zelfstandig kunnen leren en werken. Tenslotte zullen autonome mensen het door hun nieuwsgierigheid, heldere verstand en creativiteit verder schoppen dan gedweëe volgers, al speelt dat op basisschoolleeftijd nog niet zo. In deze categorie zitten de vooruitstrevende, originele en artistieke mensen.

Beste aanpak per type

Voor alle kinderen – van prinsesje tot verzorger – gelden dezelfde vijf basisvoorwaarden voor hun welbevinden op school. Ze moeten zich veilig voelen, gewaardeerd weten, op hun eigen niveau worden aangesproken en uitgedaagd en goed kunnen opschieten met de leerkracht en klasgenoten. Daarbinnen varieert volgens Groot de aanpak per type kind. Vooral voor chaotische kinderen en kletskousen zijn rust, structuur en duidelijke regels in de groep van belang. Leerlingen die de neiging hebben de klas van de leerkracht over te nemen, de lessen te verstoren of de sfeer te bepalen, moeten direct afgestopt worden. Groot: ‘Clownesk gedrag wil ik niet. Het veroorzaakt een hoop onrust en voor je het weet, heeft zo’n kind de hele groep aan het geiten. Ik negeer het en haal hem eventueel uit de groep. Door te focussen op wat-ie wel goed doet, kun je zijn gedrag ombuigen.’ Popie-jopie’s moeten meestal ook ingedamd worden, ‘anders neemt hij mijn rol over en bepaalt hij wat er in de klas gebeurt.’ Leerkrachten kunnen gebruik maken van de populariteit en het leiderschap van zo’n leerling. Zo kunnen ze een storende popie-jopie omturnen tot hulpje voor de juf. ‘Ik ga – heel subtiel - een partnerschap met hen aan. Als ik zulke kinderen voor mij gewonnen heb, kan ik via hen de hele klas meekrijgen.’ Driftkoppen krijgen van Groot een time-out om tot rust te komen en na te denken – samen met de juf – over hoe het voortaan anders kan. Pesters laat ze nooit lopen. ‘Op onze school vragen wij na elk speelkwartier of er nog iets naars gebeurd is. Als kinderen zich veilig voelen in een groep en weten dat er naar hen wordt geluisterd, durven ze ook te praten over problemen die zich buiten het gezichtsveld van de leerkracht hebben voorgedaan. De pestkop heeft dan ook de kans zijn verhaal te vertellen en een oplossing te bedenken.’ Op buitenbeentjes – vaak het slachtoffer van de pester - heeft een leerkracht niet zoveel vat. ‘Die zijn moeilijk te helpen, omdat ze zelf geen idee hebben waar het aan ligt.’ Toch lukt het meestal wel om de situatie te veranderen door ‘kinderen te stimuleren iets aardigs over elkaar te zeggen, steeds ieders positieve kwaliteiten te benoemen en niet te tolereren dat er minachtend over iemand wordt gesproken.’

Met de perfectionist heeft Groot soms ook moeite. ‘Ze kunnen zo rigide zijn. Willen dingen uitsluitend op hun manier doen en staan niet open voor hulp.’ De slome slak is net zo moeilijk te veranderen. Groot’s aanpak: accepteren en eisen stellen aan een minimale hoeveelheid werk. Ook met prinsessengedrag kan ze niet zo veel. ‘De angst om vies te worden en de intense verwendheid worden door thuis ingegeven en als leerkracht heb je dat maar te accepteren.’ Angsthazen zijn wel te helpen. Met veel complimentjes, afgebakende taken en voldoende aansporing komen ze uit hun schulp en kan hun zelfvertrouwen opgekrikt worden. Wordt de vrees echter ingegeven door de thuissituatie, dan is vaak andere – aanvullende – hulp nodig.

Gezien het belang van een goede aanpak voor ieder type kind, zou het voor de hand liggen dat bij de overgang naar een andere klas wordt doorgesproken om wat voor kinderen het gaat. Toch gebeurt dat niet volgens Annemiek Groot. ‘Op veel scholen worden alleen didactische gegevens doorgenomen, met uitzondering van de probleemgevallen.’ Elke leerkracht moet daarom zelf opnieuw het wiel uitvinden. Doodzonde, vindt ze, want zo kunnen kinderen buiten de boot vallen. ‘Het zou geweldig zijn als je met teamgenoten van gedachte kunt wisselen over leerlingen en de te volgen aanpak. Maar dat is niet voor elke collega even makkelijk. Want dan moet je het ook over je eigen functioneren hebben.’

Druktemaker, perfectionist of buitenbeentje: De 14 types in het Big Five-model

De angsthaas
introvert - angstig - braaf / gehoorzaam - onzeker (in sociale omgang en / of schoolwerk) - moeite met contacten - onzichtbaar / teruggetrokken - voldoet krampachtig aan gestelde eisen - kan niet goed omgaan met nieuwe situaties. Ook wel: het muurbloempje, de meeloper, het heilige boontje

De perfectionist
stelt hoge eisen aan zichzelf - trage werker - vaak onzeker - zelden ontspannen in de klas - ?(te) consciëntieus - mist relativeringsvermogen - star / inflexibel - veel zelfkritiek.
Ook wel: de professor, de stuud, de stresskip

De stuiterbal
extravert - chaotisch / steeds alles kwijt - impulsief / snel afgeleid - onrustige motoriek (met pen spelen, wiebelen, tikken met de vingers) - onhandig - eist directe aandacht van leerkracht - geen besef van sociale omgeving - korte concentratieboog
Ook wel: de draaitol, de druktemaker

De kletskous
extravert - gezellige kletser (positief)?roddelaar, bemoeial (negatief) - onruststoker - sociaal vaardig - gevoelig voor correctie - korte concentratieboog - gericht op anderen - vaak meisjes

De loyale meewerker
emotioneel intelligent - sociaal intelligent - neemt initiatieven - zelfstandig - groot verantwoordelijkheidsgevoel - sfeermaker - zin / lol in school - probeert ruzies te voorkomen of bemiddelt. Ook wel: de bemiddelaar, de vredestichter

Het buitenbeentje
introvert - begrijpt sociale normen niet - niet sociaal vaardig / onhandig - vaak de zondebok - geïsoleerd - niet weerbaar - kwetsbaar - weinig zelfinzicht. Ook wel: de kluns, de zondebok, de nerd

De verzorger
evenwichtig - sociaal intelligent - groot verantwoordelijkheids­gevoel - zelfstandig - behulpzaam (positief) slijmerd, wil leerkracht plezieren (negatief) - vaak meisjes.
Ook wel: de gever

De popie-jopie
extravert / gericht op uiterlijk vertoon - meet populariteit af aan reacties van anderen - wil opvallen - machtspositie binnen de groep - bepaalt de groepsnorm - natuurlijk leider (positief) machtswellusteling (negatief) - sociaal vaardig - vaak jongens. Ook wel: ?de stoere bink, de baas(speler)

Het prinsesje
gericht op uiterlijk - extravert - heeft publiek nodig - geen aandacht voor anderen - bang zich vies te maken - tot op het bot verwend - huilebalk - bijna altijd meisjes

Het opgewonden standje
extravert - heetgebakerd (negatief) temperamentvol (positief) - soms agressief - vaak chaotisch - geen impulsbeheersing - geen adequate reactie op problemen - vaak moeite met regels. Ook wel: de vechter, de driftkop

De clown
extravert - expressief - actief - egocentrisch - heeft publiek nodig - vraagt (negatieve) aandacht - groot gevoel voor humor (positief) aansteller (negatief)

De slome slak
introvert - sloom, traag - niet gevoelig voor aansporing - ontoegankelijk - ongemotiveerd - onverschillig - niet populair - vraagt veel aandacht. Ook wel: de dromer

De harde werker
geconcentreerd - gemotiveerd - doorzetter - geïnteresseerde werkhouding - zelfstandig - ambitieus - consciëntieus - maakt optimaal gebruik van zijn mogelijkheden. Ook wel: de professor, de stuud

De pestkop
zoekt slachtoffer(s) - zoekt medestanders - uitsloverig / macho­gedrag - heeft het nooit gedaan - snapt niet wat hij aanricht - beetje stiekem - bewust kwetsend/gemeen soms: extreem angstig
 

Door:

  • Helen Purperhart - 20 August 2015 18:17

    KINDERCOACHING KAARTEN
    Er zijn ook kindercoachkaarten die zijn uitgewerkt volgens een soortgelijke principe van de karakterstructuren. Met de kindercoachkaarten leer je hoe je kinderen die etiketten krijgen of opplakken op een eenvoudige manier kunt helpen! Door het etiket te onderzoeken en na te gaan wat de impact is van hun gedrag, gaan de etiketgever en etiketkrijger begrijpen of ze wel een gewenst resultaat bereiken. De nadruk ligt op erkenning van het karakter van het kind en het zien van groeimogelijkheden. De kaarten zijn inzetbaar op school, kinderopvang, thuis of in een kinderpraktijk. Kijk voor meer informatie op:  http://www.kinderyogawinkel.nl/Kindercoachingkaarten.html of kijk voor workshops op http://www.emotiespel.nl.

    Meer artikelen uit ons netwerk


    Gerelateerde artikelen

    Tips van de redactie