Toen Nederland nog een beschaafd land was

redactie 21 jun 2018 Blogs

Ik heb al een paar jaar een merkwaardige fascinatie. Ik pak, als ik nieuwssites lees, altijd even de reaguursels mee. En dan het liefst de vetste reacties, afkomstig uit de onderste onderbuik. Ik kan het niet laten dagelijks even af te dalen in de obese ingewanden van de samenleving. Waar die fascinatie vandaan komt? Ik zou het niet weten.

Wat die mij leert, weet ik wel. Een deel van de mensen hier denkt oprecht dat Nederland aan de rand van de afgrond verkeert. Die zienswijze leidt soms tot tamelijk absurde vergelijkingen. Hoorn van Afrika? Eerst maar eens de armoede hier oplossen. Missie naar Kunduz? Laten ze liever eens een politiemissie naar Gouda organiseren. Somalië aan de Maas en Afghanistan in Gouda.

Een andere constante in het wereldbeeld van de reaguurder is dat Nederland vroeger een beschaafd, rijk en prettig land was, waar de mensen het goed hadden. En dat het nu een onveilige, verarmde bananenrepubliek is, waar je ‘s avonds maar beter de deur niet uit kunt.

Ook de multiculti-blog van J/M-hoofdredacteur Evert de Vos, waarin hij wat uitslagen noemt van het Opvoedonderzoek 2011, maakt een aantal boze tongen los. ‘Nederland was ooit een mooi land met nette burgers en weinig criminaliteit, dat is totaal veranderd na de komst van barbaarse immigranten’, weet een, uiteraard anonieme, reaguurder.

Nu weet ik ook niet direct de oplossing voor de problemen in de wijken, om maar eens iets te noemen, maar één ding weet ik héél, héél zeker. Voor kinderen als Yaël was Nederland vroeger, toen er nog geen wij en zij waren en we nog allemaal ‘nette burgers’ waren, helemaal geen goed land. Vroeger was Nederland voor gehandicapte kinderen onleefbaar. Vaak letterlijk.

De berichtgeving over de zwakzinnigeninstellingen in het Limburgse Heel, Sint-Joseph en Sint-Anna, maakt dat weer eens goed duidelijk.

Het Openbaar Ministerie is een onderzoek begonnen naar het hoge aantal sterfgevallen in Sint-Joseph in de jaren 1952-1954. En Sint-Anna is een intern onderzoek begonnen omdat het in diezelfde jaren ook verhoogde sterftecijfers had.

In deze inrichtingen was dus iets heel erg mis in die jaren.

Maar ook in de jaren voor en na de verdachte statistieken moet het daar een hel zijn geweest voor de kinderen. Daar lagen ze dan de hele dag, met z’n zestigen op een zaal. In verschillende kranten staan foto’s hoe dat eruitzag. Grote ruimtes volgepropt met ziekenhuisbedden. Als kenner concludeer ik dat de kinderen waarschijnlijk aan de bedden vastgebonden zaten. Een getuige beschrijft dat het een helse toestand was, dat de stank van uitwerpselen niet te harden was en dat het gekerm en geschreeuw pijn aan je oren deed. Op zestig kinderen waren er vaak maar twee of drie verzorgers. Die moesten al die kinderen blijkbaar ook voeden en verschonen. Geen wonder dat de sterftecijfers ook buiten de jaren 1952-1954 hoog waren: veel kinderen stierven aan infectieziekten en verwaarlozing.

Ik lees in NRC dat de artsen in die tijd fatalistisch waren over ‘zwakzinnigheid’, zoals dat toen nog heette: je kon er toch niets aan doen. De inrichtingen fungeerden als ‘bewaarplaatsen’, heet het eufemistisch. Onwillekeurig zie ik Yaël in zo’n bewaarplaats, helemaal alleen in zo’n bed, in een poepluier, met een hels kabaal om zich heen. Ik krijg er buikpijn van. Ze zou een heel ander kind zijn geweest.

Dat was dus die goeie ouwe tijd, toen Nederland nog een beschaafd land was met nette burgers.

Pas ver in de jaren zestig kwam de gehandicaptenzorg op zoals we die nu kennen. En het zou nog jaren kosten om het huidige beschavingsniveau te bereiken.

Yaël heb ik vanmorgen weer op het busje gezet, naar haar dagbesteding. Een lief klein busje, met niet alleen een chauffeur, maar ook een bijrijdster. Terwijl ik dit schrijf zit ze in haar klasje met zes kinderen en twee juffen. Die juffen hebben genoeg tijd om alle kinderen goed te eten en te drinken te geven, medicijnen toe te dienen, luiers te verschonen zodra dat nodig is, met de kinderen te gaan wandelen en verder een verantwoord dagprogramma te volgen. Thuis hebben wij voor Yaël een paar geweldige begeleidsters, die we inhuren uit het persoonsgebonden budget en die ons in staat stellen een min of meer normaal leven te leiden en Yaël thuis te laten wonen.

Ik denk aan mijn blije meisje en zou geen betere plek voor haar weten om te wonen dan Nederland.

Reageer op artikel:
Toen Nederland nog een beschaafd land was
Sluiten