Wat leren kinderen van buitenspelen?

Wat leren kinderen van buitenspelen?

Buitenspelen is goed voor kinderen. Maar wat is er nou eigenlijk zo goed aan? Wat steken ze op van tikkertje, steppen of slagbal? De cognitieve, fysieke, sociale en emotionele ontwikkelingsvoordelen van bekende spelletjes op een rijtje.

Tikkertje

Eén speler is de tikker, de rest van de kinderen rent weg. Wie getikt wordt, is de nieuwe tikker. Meteen terugtikken mag niet.

  • Cognitief: * * * Je moet ervoor zorgen dat je op een andere plek dan de tikker bent. En hem van je afschudden door schijnbewegingen te maken.
  • Sociaal: Er is gevaar voor buitensluiten. Vooral als iemand meerdere malen de tikker is. Oplossing: kies meerdere tikkers, dat maakt een (verlegen) tikker sterker. En baken het tikgebied af.
  • Emotioneel: Spannend, omdat beide partijen succes kunnen hebben.
  • Fysiek: Heel intensief. En ze krijgen motorisch inzicht door de schijnbewegingen die ze maken om te tikken of om juist niet getikt te worden.
  • Goed voor: Kinderen die wel wat beweging kunnen gebruiken. Dit spelletje vereist continue beweging.

Elastieken

Twee kinderen staan in lichte spreidstand met een lang stuk elastiek om hun onderbenen, zodat er een rechthoek ontstaat. De elastieker gaat in het midden van de rechthoek staan en maakt sprongen. Hoe beter de sprongen, hoe hoger het elastiek komt te hangen en hoe moeilijker het spelletje wordt.

  • Cognitief: * * De elastieker moet opletten dat hij niet in de knoop raakt.
  • Sociaal: Het is vooral gezellig, er is weinig competitie.
  • Emotioneel: Een triomfgevoel als het elastiek steeds hoger komt te hangen.
  • Fysiek: Matig intensief.
  • Goed voor: Alle kinderen.

Slagbal

Dit spel is eigenlijk vereenvoudigd honkbal en goed te doen op een klein grasveld. Er zijn twee teams: een veldpartij en een slagpartij. De spelers van de veldpartij staan verspreid in het veld en moeten de bal vangen en terugspelen naar de slagplaats. De spelers van de slagpartij proberen de bal zo ver mogelijk te slaan en rennen daarna naar het eerste honk. Na iedere slag mogen de spelers een honk verder rennen, als ze dit halen voordat de veldpartij de bal gevangen heeft.

  • Cognitief: * * * * * Het draait vooral om de timing van de slagpartij: kan ik nu wel of niet naar het volgende honk rennen?
  • Sociaal: Een individu valt minder op, omdat het gelijke teams zijn. Maar je loopt de kans om als laatste gekozen te worden voor een team. Oplossing? Iemand die niet meedoet, kiest de teams zo eerlijk mogelijk.
  • Emotioneel: Als je een mooie bal slaat of vangt, is jouw team trots. Daar staat tegenover dat het team boos kan zijn als je een bal laat vallen of misslaat.
  • Fysiek: Matig intensief. Af en toe een sprintje naar het honk. Voor de veldpartij geldt: hoe kleiner de teams, hoe intensiever het wordt.
  • Goed voor: Alle kinderen. Een verlegen of angstig kind valt hier minder op omdat het deel uitmaakt van een team, en dat team heeft hetzelfde doel: winnen.

Paaltjesvoetbal

Iedereen bewaakt een eigen pion en moet tegelijkertijd de pion van de andere spelers met de bal omver zien te schieten. De zomerse variant is iets spannender: met plastic flessen gevuld met water. Is je fles omgeschoten, dan zet je deze weer rechtop. Je hebt verloren als jouw fles als eerste leeg is.

  • Cognitief: * * Een kind moet zich realiseren dat als hij van zijn plek gaat, zijn pion omgeschopt kan worden.
  • Sociaal: Iedereen is gelijk maar speelt ook voor zichzelf.
  • Emotioneel: Het is spannend omdat iedereen elkaars 'vijand' is.
  • Fysiek: Matig intensief. Af en toe een sprintje of schijnbeweging om een pion omver te schoppen.
  • Goed voor: Verlegen kinderen. Ze krijgen de kans om te kijken, maar moeten ook meedoen om te winnen. Ze worden dus voor het blok gezet en leren zo initiatief te nemen.

Knikkeren

De megabonk, een suup, de turtle of de looier. Er zijn veel soorten knikkers én veel verschillende manieren om te knikkeren. 'Knikkeren in een potje' is het meest bekend. Twee spelers gooien hetzelfde aantal knikkers in het kuiltje. Gaat de knikker er meteen in, dan mag die speler nog een keer gooien. Rolt de knikker langs of over het kuiltje, dan is de volgende speler aan de beurt. Degene die het laatst zijn knikker in het potje gooit, heeft alle knikkers gewonnen.

  • Cognitief: * * * * * Bij knikkeren draait het om risico's nemen. Je kunt knikkers kwijtraken of winnen.
  • Sociaal: Een goede knikkeraar loopt het gevaar dat niemand meer met hem wil spelen, omdat hij steeds alle potjes wint. Oplossing? Je mag niet meer dan twee potjes winnen.
  • Emotioneel: De winnaar is blij, de verliezer teleurgesteld.
  • Fysiek: Weinig fysiek, maar goed voor de fijne motoriek en concentratie.
  • Goed voor: Kinderen die moeite hebben zich te concentreren of die moeten leren delen.

Skaten

Skaten kan individueel en met een groep. Een groep is meer competitiegericht. Wie maakt de beste en mooiste sprongen?

  • Cognitief: * * Je moet kunnen inschatten welke gevolgen bepaalde sprongen hebben.
  • Sociaal: Tussen skaters is er wat competitie. Er is altijd iemand die sneller skate of betere sprongen maakt.
  • Emotioneel: Skaten is spannend en uitdagend. Omdat bewegen het middel is en niet het doel, motiveert het om vaker te skaten.
  • Fysiek: Erg intensief.
  • Goed voor: Houterige kinderen. Met skaten beweeg je ieder lichaamsdeel. Angstige kinderen verleggen met skaten hun grenzen. Er is immers genoeg bescherming om een val op te vangen.

Verstoppertje

Iedereen verstopt zich, op één speler na. Die moet op de buutplaats blind tot tien tellen en daarna de anderen zoeken. Als iedereen gevonden is (of als de zoeker niemand meer vindt), is het spel afgelopen. Wie als eerst gevonden is, is daarna de zoeker.

  • Cognitief: * * * * Je moet goed kunnen inschatten wanneer je van je verstopplek moet komen om jezelf vrij te buten.
  • Sociaal: Er is een gevaar voor buitensluiten. Vooral als iemand meerdere malen de zoeker is. Oplossing? Je bent maximaal twee keer aan de beurt.
  • Emotioneel: Het is een spannend spel: de fantasie moet gebruikt worden om een succesvolle verstopplek te vinden.
  • Fysiek: Af en toe een sprintje om bij de buutplek te komen of iemand te buten.
  • Goed voor: Verlegen kinderen om hun grenzen te verleggen. Ze moeten zich verstoppen op een (onbekende) plek en als zij de zoeker zijn, de anderen durven te buten.

Stoepranden

Twee spelers staan aan weerszijden van de weg op de stoep. Zij proberen de bal tegen elkaars stoeprand aan te gooien. Als een speler de stoeprand raakt en de terugketsende bal vangt, heeft hij 1 punt en mag hij dichter bij die stoeprand gaan staan. Dit gaat om beurten. De winnaar is de speler die als eerste 10 punten heeft.

  • Cognitief: * * Als je de bal raak gooit, moet je snel naar voren om hem weer te vangen.
  • Sociaal: Je moet wachten tot de ander klaar is met gooien. Hierdoor is er ruimte om te kletsen.
  • Emotioneel: Een succesgevoel! Hoe dichter je bij de andere stoep komt, hoe makkelijker het wordt.
  • Fysiek: Goed voor de fijne motoriek.
  • Goed voor: Alle kinderen.

Steppen

Net als met skaten beweeg je jezelf op een andere manier voort. Dat werkt stimulerend.

  • Cognitief: * Je moet goed kunnen inschatten hoe snel je gaat en wat de gevolgen hiervan zijn.
  • Sociaal: Steppen kun je alleen of samen doen: wedstrijdje wie het snelst is. Vaak pakken kinderen de step voor korte afstanden naar school of het speelveldje.
  • Emotioneel: Het is een leuke afwisseling.
  • Fysiek: Heel intensief. Met steppen beweeg je vooral je benen en heupen. Het versterkt de spieren en traint het evenwichtsgevoel.
  • Goed voor: Houterige kinderen. En voor jonge kinderen is steppen een goede oefening voor het fietsen. Ze leren te sturen en remmen en krijgen gevoel voor snelheid.

* = weinig cognitief * * * * * = erg cognitief

Met medewerking van gymleraar Joost Brandt.

Door:

Meer artikelen uit ons netwerk


Gerelateerde artikelen

Tips van de redactie