Teamsport: slecht voor je kind

Teamsport: slecht voor je kind

Zelfvertrouwen! Teamgeest! Sociale vaardigheden! Niets is zo goed voor de ontwikkeling van je kind als een teamsport. Maar is dat echt zo? Vier argumenten tégen teamsport.

1. De druk om te winnen

Toen haar kinderen nog jong waren, dacht moeder Odile Verschuur - net als honderdduizenden andere ouders - dat teamsport leuk en zinvol zou zijn. Want het klinkt zo logisch. Je kind leert er samenwerken met anderen, kweekt sociale vaardigheden en teamgeest. Dus toen de zoon van Odile oud genoeg was, ging hij op voetbal. En daar heeft Odile nu spijt van. ‘Hoe meer ik meemaak van die teamsport, hoe meer het me gaat tegenstaan. Want alles draait om winnen of verliezen.’

Nu zit het wel een beetje in de mens om te willen winnen. Zodra de mogelijkheid zich voordoet, maken we ergens een spelletje van. Jaren geleden was klimmen bijvoorbeeld een volstrekt individualistische sport, die alleen in de vrije natuur kon worden uitgevoerd. Wedstrijden waren er niet: veel te omslachtig (je moest er voor naar de Ardennen of naar Oostenrijk) en veel te gevaarlijk. Toen deden de klimhallen hun intrede, en inmiddels hebben we Nederlandse klimkampioenschappen in verschillende klassen en moeilijkheidsgraden.

Maar toch. Winnen hoeft niet centraal te staan. Je kunt ook sportklimmen - of zwemmen, of hardlopen - voor je plezier. Met teamsport is dat onmogelijk: er is altijd een tegenstander nodig, en daar moet je dus van winnen. Competitie zit hierin gebakken.

En dat is niet voor elk kind goed. Sterker nog: vaak is dat slecht, vindt Odile Verschuur. ‘Een kind dat slecht presteert, wordt afgerekend op het feit dat hij niet scoort. En een kind dat goed presteert, denkt dat hij alleen maar deugt als hij scoort. Vooral als zijn ouders van die ‘succes is een keuze’-types zijn.’ Is dat overdreven? Gaat plezier altijd vóór de prestatie? Goed: wat is de eerste vraag die je je kind stelt als hij terugkomt van een wedstrijd? ‘Heb je gewonnen?’ Uiteraard. Natuurlijk zou je ook kunnen vragen: ‘Was het leuk?’ Maar wat voor antwoord verwacht je te krijgen? ‘We hebben erg goed samengespeeld en de stemming in het team was prima, maar we hebben helaas wel met 3-0 verloren.’ Kansloze vraag. Niks spel: knikkers! Is dat echt wat je je kind wilt leren?

2. De ouders langs de lijn

Ouders vormen, op zichzelf, natuurlijk geen onderdeel van de teamsport. Maar ze zijn wel een onontkoombare en weinig vrolijk stemmende entourage. Ze schreeuwen overbodige aanwijzingen over het veld (‘Breed spelen!, ‘Ga door!), maken de scheidsrechter voor rotte vis uit en schrikken er soms niet voor terug om met ouders van de tegenpartij op de vuist te gaan.

Bij voetbal is dat uiteraard een bekend verschijnsel. Maar ook bij een sport als waterpolo zitten er wel ouders langs de kant die aanwijzingen schreeuwen. En die, als hun team met 10-0 vóór staat en de jongetjes van de tegenpartij bijna in tranen zijn, bij elk extra doelpunt juichen alsof Oranje zojuist de winnende goal tegen Duitsland heeft gescoord.

Het Belgische Hoger instituut voor Gezinswetenschappen meldde twee jaar geleden dat veel jonge sporters tijdens de wedstrijden instructies krijgen van een roepende vader of moeder. En dat de overgrote meerderheid van de jonge voetballers zich daaraan ergert. De ouders zijn zich overigens van geen kwaad bewust, verklaarden de onderzoekers. Want ja, dat zijn toch altijd de anderen. Dieptepuntje voor moeder Odile was toen haar zoon thuiskwam van voetbal met de vraag: ‘Mama, wat is een kankerjong?’

3. De leeftijdsdiscriminatie

Is je kind de jongste in het team? Dan staat hij of zij bij voorbaat op achterstand. Dat zit zo: teams worden doorgaans ingedeeld naar leeftijd. Een kind dat in januari 10 jaar wordt, speelt zij aan zij met het kind dat pas op 31 december 10 wordt - en dat dus bijna een jaar jonger is.

Welk verschil maakt zo’n voorsprong van een jaar extra fysieke kracht en mentale mogelijkheden? Alle verschil van de wereld, zo beschrijft de Amerikaanse auteur Malcolm Gladwell in zijn boek Uitblinkers. Want de oudere kinderen zijn beter, krijgen meer aandacht en lopen zo alleen maar verder uit. Van de Canadese elitespelers in het ijshockey is dan ook 40 procent geboren vóór de maand maart, 30 procent tussen maart en juni, 20 procent tussen juni en september en slechts 10 procent tussen september en december. De harde conclusie van Gladwell is: ‘Coaches verwarren leeftijd met aanleg.’

Dat misverstand speelt ook in Nederland. Ad Dudink, universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam, zette de leeftijden van jeugdspelers voor PSV naast elkaar en zag daar precies hetzelfde verschijnsel. De sport heeft er zelfs een naam voor: RAE, oftewel Relative Age
Effect.

4. De groepsdruk

Na een wedstrijd waterpolo spreekt de moeder van een erg goede speler de coach aan. Waarom is haar zoon maar liefst twee keer aan de kant geweest, als wisselspeler? Terwijl de minder goede Jantje in het water bleef? Zo winnen we toch nooit? ‘Tja,’ zegt de coach verontschuldigend: ‘Jantje moet toch óók af en toe spelen.’ Jantje is duidelijk de schlemiel van het team. En dat weet Jantje inmiddels waarschijnlijk best, want dat is hem verbaal of non-verbaal wel duidelijk gemaakt door zijn teamleden.

‘Binnen een team ontstaat al snel groepsdruk,’ signaleert Odile Verschuur. ‘Goed presterende kinderen vinden dat slecht presterende kinderen niet mee mogen doen. Dat houdt hen af van het scoren.’ Arjen Hop, mede-oprichter van Nationaal Bureau Sport Stimulering (NBSS), is zeker geen tegenstander van teamsporten. Maar hij sluit zijn ogen niet voor de nadelen ervan. ‘Je kunt bij een teamsport veel leren, maar het kan je ook beschadigen. Je hoort wel verhalen van voetbalteams waar het goed misgaat, waarbij jongens of meisjes erg gepest worden.’

‘Eigenlijk is teamsport heel individualistisch,’ vindt Odile. ‘Iedereen gaat voor zichzelf.’ Arjen Hop ziet dat ook wel eens gebeuren. ‘Een collega van mij assisteerde laatst op een sportdag. En wat zo gek was: kinderen die een individuele sport beoefenen, zoals atletiek, hielpen elkaar op die dag heel goed. Terwijl de voetballers alleen maar op elkaar liepen te mopperen. Dan ga je je toch afvragen of teamsport wel zo goed is voor kinderen.’

Odile heeft het er inmiddels wel mee gehad. ‘Al die voordelen waar iedereen het altijd over heeft: ik vind het volksverlakkerij. Ik hoop dat mijn zoon een sport kiest waar hij gewoon lekker bezig kan zijn, zonder al die competitie.’

 

Door: | 3-4-2014

Meer artikelen uit ons netwerk


Gerelateerde artikelen

Tips van de redactie