Werkdruk

Is er wel of geen grote werkdruk onder leerkrachten? Dit onderwerp maakt in ieder geval wat los bij lezers. De een vindt de lange dagen die leerkrachten draaien wel meevallen, de ander beweert dat de de niveauverschillen in de klas veel groter zijn dan vroeger. Omgaan met deze verschillen, dat wil zeggen: zowel de toekomstige gymnasiast als een  moeilijk lerend kind passende stof aanbieden, is niet makkelijk in een klas met 30 kinderen. Ook op de PABO dringt het tot studenten door dat ze geen luizenbaantje  hebben gekozen.

Weer een ander maakt zich niet zozeer zorgen om de leerkrachten of om de leerlingen in het basisonderwijs, maar eerder om de onderwijsdeskundigen. Die menen het allemaal zo goed te weten, maar zijn zelf niet eens in staat om een correcte samentrekking op papier te krijgen. ˜Optellen en aftrekken wordt bijvoorbeeld zonder blikken of blozen de wereld in gestuurd als ˜op- en aftrekken.

De oplossing, volgens lezeres Ingrid, is gewoon terug te gaan naar het oude schoolsysteem, waarin leerlingen leerden hoe ze een behoorlijke staartdeling moesten maken, waar kinderen elkaars werk nakeken en geen slaaf waren van hun digitale woordenboek en rekenmachine.

Mijn mening is dat je pas echt een goed oordeel over de werkdruk in het onderwijs kunt vellen als je zelf voor de klas staat. Volgens mij is dat namelijk voornamelijk een persoonlijke beleving. Deels wordt die gevormd door de hoeveelheid werk die leerkrachten op hun bord krijgen, deels door hun inzet (ook voortkomend uit de behoefte om erkenning te krijgen), en deels door de competitie tussen collega's onderling, of juist door het verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van leerlingen, ouders en schoolleiding. ˜Als ik niet genoeg mijn best doe, en niet hard genoeg werk, dupeer ik de kinderen die straks van school gaan. Ik stuur ze de toekomst in met een advies en een Citoscore die misschien veel hoger hadden kunnen zijn als ik het anders aangepakt had of als we het als school anders aangepakt hadden.'

Het zijn diepgewortelde angsten die leerkrachten ˜s nachts uit hun slaap houden.

Zoals gisteren. Samen met een leerkracht uit groep 8 boog ik me over de resultaten van een toets begrijpend lezen. Voor het eerst keken we verder dan de totaalscore. Tussen de zwakke scores zag de leerkracht plotseling ook scores staan die helemaal niet zo slecht waren. Hij fronste zijn wenkbrauwen: deze leerling had alle vragen die over de hele tekst gingen, goed beantwoord. De vragen die over specifieke woorden en zinnen gingen, had hij allemaal fout aangekruist. Hoe kon dit? Heeft deze leerling eigenlijk wel een leesprobleem, of heeft hij misschien moeite met lezen omdat hij gewoon te weinig woorden kent om een tekst goed te kunnen begrijpen? In feite deed de leerling het helemaal niet zo slecht. Het was juist verrassend om te zien hoe hij met zijn beperkte woordkennis de vragen over de langere stukken tekst toch goed kon beantwoorden. Hee, en er waren nog meer leerlingen die hetzelfde hadden gedaan. Was het toeval? Waren dit misschien juist de makkelijke vragen? We pakten de toets van vorig jaar erbij: hee, weer hetzelfde patroon bij dezelfde leerlingen; ˜Ik kan het me bijna niet voorstellen, zei de leerkracht. ˜Dus als het gelukt was om de woordenschat van deze leerlingen bij te spijkeren.

Hij keek voor zich uit en dacht aan de leerlingen die over een paar maanden vertrekken naar het praktijkonderwijs of naar iets vergelijkbaars. Geen heldere lichten, had hij al die tijd gedacht. En zijn collega's? Hij vreest dat de hele school dat acht jaar lang heeft gedacht.

Reageer op artikel:
Werkdruk
Sluiten