Yaël is stikjaloers

redactie 21 jun 2018 Blogs

We hebben een nieuwe huisgenoot. Hij heet Theo en is nu drieënhalve maand oud. Een katertje is het, een rode.

Dat komt zo. Ergens dit voorjaar bedacht ik dat een hond een goed idee zou zijn voor Yaël. Ik had eens een artikel gelezen over een autismegeleidehond en dat leek me wel wat voor ons. Een kameraadje voor Yaël, waarmee ze veilig met ons over straat zou kunnen. Een autismegeleidehond kun je namelijk, als je bijvoorbeeld boodschappen gaat doen, vastmaken aan je kind. Het kind is dan met een band om zijn middel verbonden aan de hond. De hond gehoorzaamt zijn baasje, de ouder dus, en loopt niet weg. Groot voordeel is dat de kleine autist zich veilig voelt omdat-ie vastzit, waardoor hij minder snel overprikkeld raakt. De hond brengt dus op alle fronten rust.

Dat zou wel heel mooi zijn. Yaël zou niet meer in de aangepaste buggy hoeven en ik zou bijvoorbeeld rustig kunnen afrekenen bij de groenteboer, zonder dat ze meteen de straat op rende. De hond zou misschien wel hetzelfde effect hebben als de buggy: een beschutte plek in een grote, onveilige wereld. Misschien zou ze wel een speciale band krijgen met het dier.

Ik surfte naar de geleidehondsite en raakte al snel ontmoedigd. Per jaar worden er maar een paar autismegeleidehonden opgeleid. Om in aanmerking te komen, is bovendien een minimaal cognitief en communicatief niveau nodig. Er was een wachtlijst en kinderen mochten niet ouder zijn dan 6 jaar. Dat niveau was vast een struikelblok. En bovendien, tegen de tijd dat we eventueel aan de beurt zouden zijn, was Yaël misschien al te oud.

Ik surfte verder en kwam op een site met schattige, zielige, kansarme hondjes uit Spanje. Hier was in ieder geval geen wachtlijst. Maar ook deze missie was kansloos: toen ik enthousiast uitriep dat ik ze allemaal wel wilde – misschien was hier toch een sluimerende kinderwens in het spel – sprak de geliefde zijn veto uit over het hondenplan. We hadden het al zo druk en Yaël was toch gelukkig zo? Een hond moet wel drie keer per dag uitgelaten worden, daar hadden we toch helemaal geen tijd voor? Er kwam geen hond. Punt.

De realist in huis had wel een beetje gelijk. Maar was er dan geen compromis mogelijk, misschien konden we een kat nemen? Dan kon Yaël toch opgroeien met een dier, iets waar ik zelf heel goede herinneringen aan had. Voor haar autisme was dat vast ook heel goed.

En dus kwam Theo, een schattige kitten, een halve Maine coon, een van de sociaalste kattenrassen.

We hadden Yaël zorgvuldig voorbereid, met plaatjes uit een boek. Ze leek het te begrijpen, ze was in ieder geval heel nerveus en opgetogen de middag dat Theo gebracht werd. Ze had er zin in.

Tot Theo er was. Binnen een mum van tijd sloeg haar uitbundige stemming om in boosheid, afkeer, woede. Stikjaloers was ze op deze indringer! En dat maakte ze, voor de verandering, heel goed duidelijk. Steeds als ze Theo in het vizier kreeg, begon ze boos te grommen. Ze zakte weg in haar autistische tics en was nog maar moeilijk bereikbaar. Af en toe begon ze spontaan te huilen.

Komt wel goed, stelde ik mezelf na een week gerust, ze moet gewoon wennen. En, dacht ik: gelukkig is het een kat en geen baby. De geliefde en ik besloten Theo in haar bijzijn niet al te veel aandacht te schenken. We praatten op haar in, dat Theo er nu wel was, maar dat zij de belangrijkste was, en de liefste. Het hielp maar een beetje.

En ineens, na anderhalve week, had ik een ingeving. ‘Papa,’ zei ik nadrukkelijk tegen de geliefde. Yaël keek meteen op. ‘Papa, wat vind jij eigenlijk van Theo? Ik vind Theo niet zo leuk namelijk. Hij is zo druk en ik schrik steeds zo van hem. Ik vind hem echt niet zo leuk.’ Ik trok er een vies gezicht bij.

We hadden Yaëls volledige aandacht nu en de geliefde begreep gelukkig meteen wat hem te doen stond: ‘Ik vind Theo ook niet zo leuk, mama.’

Op Yaëls gezicht verscheen een glimlachje. Ze keek ons samenzweerderig aan. We spanden samen tegen die stomme Theo!

‘Maar ja, wat moeten we doen,’ zei ik. ‘We kunnen Theo niet zomaar wegsturen. Want wie wil hem hebben? Ik denk niemand. Dat is ook weer zielig.’

‘Nee, we kunnen hem niet meer wegsturen. Hij moet toch maar hier blijven denk ik. Misschien gaan we hem nog leuk vinden.’

De opzet leek geslaagd. Yaël kwam op mijn schoot zitten en bezegelde te samenzwering met een natte zoen. In de week daarop ging haar jaloezie over in iets wat ik nog het best kan omschrijven als gedoogsteun – waarbij ze Theo uiteraard kritisch bleef volgen. En gisteren betrapte ik haar op gegrinnik om Theo’s kattensprongen. Ze keek een beetje betrapt toen ik zei: ‘Theo is soms ook wel leuk hè?’

Ik heb goede hoop dat er iets moois bloeit tussen Yaël en Theo. We kunnen hem namelijk niet meer wegsturen.

Reageer op artikel:
Yaël is stikjaloers
Sluiten