Zijn kinderen hebben nooit geweten hoe oud ze waren

redactie 22 jun 2018 Blogs

Ik heb een mooi klein boekje gelezen. Het heet ‘Waar gaan we heen, papa?’ en het is van de Franse schrijver Jean-Louis Fournier. Hij schrijft over zijn twee gehandicapte zoons. Op de achterflap zegt hij: ‘Ik was niet zo’n goede vader. Je moet engelengeduld hebben met hen en ik ben geen engel.’

Het boek bestaat uit piepkleine verhaaltjes, anekdotes uit het leven van hem en zijn zoons. Met zwartgallige humor probeert hij zijn verdriet te beteugelen. Het verdriet over zijn twee zoons, met hun ‘garnalenhersens’ en het ‘zaagsel in hun hoofd’. Hij lacht om ze en geeft direct toe dat zijn grappen niet leuk zijn, maar dat ze de enige manier zijn om de moed erin te houden. En bovendien, vindt hij, mag je gehandicapte kinderen niet de luxe ontzeggen ons aan het lachen te maken.

Hij fantaseert over hoe het vaderschap had kunnen zijn. Dat hij zijn zoons Mozart zou laten horen, en Bach en Beethoven. Dat hij ze zou meenemen naar musea, dat ze de boeken zouden lezen die hij mooi vond en dat hij tot diep in de nacht met ze zou praten over het leven, de dood en de meisjes.

En als hij ‘zijn vogeltjes’ eens, in de auto, bij wijze van wrange grap ondervraagt over het huiswerk dat ze nooit zullen hebben, hoopt hij dat ze eindelijk eens serieus zullen antwoorden, ‘dat het nu eens uit zou zijn met die komedie van gehandicapte kinderen, dat het niet leuk meer was, dit spelletje, dat we nu weer serieus zouden worden als iedereen en dat ze eindelijk zouden worden als de anderen’.

Zijn kinderen worden niet als de anderen. Maar ze zijn wel heel lief. ‘Ze zijn van voor de erfzonde, van de tijd waarin iedereen goed was, de natuur mild, alle paddenstoelen eetbaar en waarin je zonder gevaar voor eigen leven een tijger kon aaien.’

Een van zijn zoons, de ongelukkigste, overlijdt. Fournier meldt het bijna terloops. De andere lacht steeds minder en raakt al meer in zichzelf gekeerd. Fournier is aan het einde van het boekje zelf ook een beetje de kluts kwijt. Zijn kinderen hebben nooit geweten hoe oud ze waren. Ze hebben geen enkele fase normaal doorlopen en daardoor weet Fournier ook niet meer goed wie hij is en hoe oud hij eigenlijk zelf is.

Het is een hartverscheurend boekje, dat afrekent met het idee dat het hebben van een gehandicapt kind een soort life event is dat je op een gegeven moment ‘een plekje gegeven’ en ‘verwerkt’ hebt. Natuurlijk, je went eraan, aan je nieuwe leven, dat zo compleet anders is dan je had bedacht. Maar ergens went het ook niet, omdat elk nieuw stadium je eraan herinnert hoe het had kunnen zijn. Yaël had nu al bijna naar groep 3 kunnen gaan, ze had misschien al wat woordjes kunnen lezen, al kunnen fietsen. Die mijlpalen zullen blijven komen en ze zullen allemaal voorbijgaan zonder mijlpaal te zijn.

En ook de pijnlijke momenten blijven.

Ik sta bij de kassa van de Etos en reken billenzalf en babydoekjes af. ‘Wilt u babyzegels?’ vraagt de kassajuffrouw. ‘Nee’, zeg ik duidelijk. Bij het afrekenen zegt ze nog een keer: ‘U wilde geen babyzegels, hè?’

‘Nee, geen babyzegels.’

Aardige vrouw, zij kan er ook niets aan doen. En toch steekt het even.

Thuis ligt de geliefde met griep op de bank. Ik maak een pasta voor mijn avonddienst van straks. ‘Weet je,’ zegt hij ineens, ‘ik ben de laatste tijd weer zo bezig met Yaëls gehandicapt-zijn en ik voel me er ook weer heel verdrietig over. Na zo’n kerstvakantie, als ze de hele dag thuis is, realiseer ik me hoe weinig ontwikkeling er in haar leven zit. En hoe zwaar de verzorging is.’

‘Ja, haar verzorging is zwaar, hè’, zucht ik. Ik kan er even weinig anders van maken. ‘Maar het gaat wel heel goed met haar, ze is heel blij en ontspannen,’ voeg ik er snel aan toe.

‘Ja,’ zegt de geliefde, ‘met haar gaat het heel goed. Maar het stemt me soms moedeloos dat de komende jaren ongeveer hetzelfde zullen zijn.’

Ik zeg dat ik hem heel goed begrijp. En ik ben blij dat ik zo naar mijn werk moet.

Na een drukke dienst kom ik ‘s avonds laat thuis. Ik heb lekker gewerkt. Yaël en de geliefde slapen al, het is weldadig stil in huis. Ik maak het hek van Yaëls bed open en ga naast haar zitten. Ze snurkt een beetje en ze ziet er schattig uit in haar reuzenslaapzak. Ik strijk haar over haar hoofd en denk: het komt wel goed met ons. De zware momenten en de verdrietige momenten zullen blijven en de mooie momenten gelukkig ook.

Reageer op artikel:
Zijn kinderen hebben nooit geweten hoe oud ze waren
Sluiten