‘Ze werd door 8 scholen afgewezen’: waarom inclusief onderwijs nog steeds niet vanzelfsprekend is
“Ze had al acht scholen bezocht, maar nergens was plek voor haar dochter.” Als schoolleider moest ik haar uiteindelijk hetzelfde vertellen. Dat moment bleef me bij. Want wat zegt het over ons onderwijs als een kind keer op keer wordt afgewezen?
Bij het afscheid merkte ik dat ik met beiden handen haar hand vastpakte. Of ik daarmee wilde zeggen, het komt goed, we zijn hier voor jou en jouw dochtertje. Maar daar moest ik op terugkomen.
Mijn eerste studiemiddag als leerkracht in 2007 ging over onderwijs aan leerlingen met extra zorg. Op een gegeven moment vroeg een collega: hoelang blijft Koen bij ons op school? Koen was een jongetje van 5 jaar oud uit groep 1-2, hij had downsyndroom. Het leek in eerste instantie een onschuldige vraag.
Bieden wat hij nodig heeft
De begeleider van Koen uit het cluster 3-onderwijs, die deze middag vormgaf, lachte voorzichtig en antwoordde dat het van veel factoren afhangt. Want, net als bij elk ander kind, weet je niet hoe Koen zich verder zal ontwikkelen. Daarnaast, gaf ze aan, is het belangrijk dat de school kan bieden wat hij nodig heeft.
Inderdaad, de ontwikkeling en de daarop afgestemde ondersteuning, is niet vast te leggen in een plan. Het is maatwerk. Het hangt af van het kind, van de leerkracht, van de groep, van de school. Van zoveel dingen. Maar in de jaren daarna zag ik precies het tegenovergestelde gebeuren. We gingen juist wél alles vastleggen. In ondersteuningsprofielen, jaarplannen, beleidsdocumenten, schoolgidsen.
De school, en wat er wel en niet kon, werd een papieren tijger. Alsof je op papier kunt vastleggen of een kind ergens past of niet. En tegelijkertijd zet je daarmee de ontwikkeling van een school op slot. Geen wonder dat de groei van het speciaal onderwijs toenam.
Hij zat elke dag op de gang en niemand stelde vragen
Het schooljaar daarna werkte ik op de andere locatie en zat ik met mijn groep in een noodlokaal, net buiten het hoofdgebouw. Soms moest ik tijdens schooltijd even naar binnen om een printje te halen. En toen zag ik hem zitten. Een jongetje met donkere krullen en felblauwe ogen. Ik hoorde hem vóórdat ik hem zag. Daar zat hij, op de gang, koptelefoon op, achter zijn laptop. Ik liep zachtjes naar hem toe, hij merkte mij niet op. Hij speelde een schietspel. Helemaal gefocust. Ik was niet vaak in het hoofdgebouw tijdens schooltijd. Maar als ik er was, zat hij er ook. Vaker dan ik hoopte.
Ik verwonderde me. Hij was altijd gefocust en vol overgave bezig. Niets mooiers dan dat, want dat zien we lang niet altijd in de school bij kinderen. Maar tegelijkertijd vroeg ik me af: waarom is hij niet in de klas? Weten zijn ouders dit wel? En wat zouden zij hiervan vinden? Hoewel hij geen leerling van mij was, voelde ik me er toch ongemakkelijk bij. Maar ik was die ene nieuwe op school en ook nog eens nieuw in het onderwijs. De meesten uit het team werkte er al meer dan vijftien jaar. Dus wie was ik om daar wat van te zeggen? Later dat schooljaar hoorde ik dat meerdere leerkrachten door de jaren heen zich lang niet altijd raad wisten met Ties, zo heette hij. De gang met laptop werd de uitkomst. Voor de leerkrachten, en voor Ties. Althans, zo dachten ze.
Toen we het anders deden, bloeide hij zichtbaar op
Wij, mijn duo-collega en ik, wilden het anders doen. Toen Ties een jaar later bij ons in de klas kwam, keken we naar wat hij al wel kon en wat hij nog meer kon leren. Niets anders dan bij onze andere leerlingen. We regelden een onderwijsassistent, drie keer per week, een paar uur per dag. Ties kreeg een ladensysteempje. Dat gaf hem structuur. Opdrachten die hij zelf kon doen, opdrachten die hij samendeed met de onderwijsassistent, met ons of met klasgenootjes. Hij deed mee met de instructies. Hij werkte aan zijn weektaak.
Ik kan me geen moment herinneren dat hij nog op de gang zat. Ja, wel op de gang, maar niet meer achter zijn laptop om schietspelletjes te doen. Hij vroeg er niet naar. Geen enkele keer.
‘We hebben hem zo lang niet meer zo gezien’
De ouders van Ties kwamen op de eerste ouderavond langs. Ze waren zichtbaar geëmotioneerd. Blij en geraakt. Ze waren dankbaar, zeiden ze. Thuis zagen ze een ander kind. Een kind dat weer met veel plezier naar school ging. Dat merkten ze ook omdat hij ’s ochtends al aan het zingen was. Dat hadden ze al heel lang niet meer meegemaakt.
In de klas zagen we ook dat Ties langzaam maar zeker zijn plek vond. Hij ging later dat jaar mee op kamp. En hij kreeg een rol in de eindmusical. En ja, dat was best spannend. Heel spannend zelfs. Hij hoefde niet, maar hij wilde zelf zo graag. En hij mocht weer meedoen, dat was voor hem het allerbelangrijkste. De groep accepteerde hem. Niet omdat wij dat als leerkrachten afdwongen, maar omdat hij er gewoon bij hoorde.
Ze werd door acht scholen afgewezen en kwam toen bij ons
Toen ik een jaar later directeur werd op een andere school, een paar dorpen verderop, klopte een moeder aan. Ze zocht een school voor haar dochtertje dat het jaar erop vier zou worden. Haar dochtertje had downsyndroom. Met mijn achtergrond en ervaring vond ik het vanzelfsprekend dat ze welkom was. Mijn team niet. Te veel zorg, te grote klassen. Ze wezen het op voorhand af. Ik had geen gedragen besluit en moest met hangende pootjes terug naar de moeder.
Ze klonk niet boos of teleurgesteld. Alsof ze het al gewend was. Maar echt weten wat het met haar deed, doe ik niet. Tijdens ons gesprek had ze me verteld dat ze al meer dan acht scholen had bezocht. Niet op zoek naar een goede school. Maar naar een school die haar kind wilde toelaten. Ik kan me werkelijk niet voorstellen hoe dat voelde voor haar als ouder. Je kind wordt afgewezen, keer op keer. Terwijl je weet hoe goed het voor haar zou zijn om samen met kindjes uit de buurt naar school te kunnen gaan.
Inclusief onderwijs? Op papier wel, in de praktijk niet
Ik heb dat moment als zeer lastig ervaren, want uiteindelijk was ik de verantwoordelijke schoolleider en was ik diegene die een kind buitensloot. Dit druiste in tegen hoe ik er zelf naar keek. Immers, ik had een kind zien opbloeien toen hij er weer bij mocht horen. Zijn ouders zagen dat ook. Maar ik heb ook meegemaakt dat ik een moeder moest vertellen dat er bij mij op school geen plekje was voor haar dochtertje. Exclusief onderwijs. Niet voor iedereen. Maar dat was niet wat in onze schoolgids stond.
Antoinette Smit is zorgethicus, onderzoeker en voormalig schoolleider, die zich richt op de spanningsruimte tussen beleid en praktijk in het onderwijs.