Droom in duigen: Als je kind tegenvalt

redactie 19 jun 2018 Gedrag

Vol idealen en met het hoofd in de wolken beginnen ouders aan de opvoeding van hun kind. Dat wordt later namelijk liever, socialer, slimmer en succesvoller dan wie dan ook. Helaas komen die hooggespannen verwachtingen lang niet altijd uit. Vier moeders vertellen openhartig over hun (heimelijke) teleurstelling.

Regien Swarte droomde er altijd al van om een dochter te hebben. Lekker tutten, samen winkelen, ervaringen delen. In 1990 beviel ze van haar eerste kind: een zoon, met wie ze slechts moeizaam overweg kon.

‘Toen Mats geboren werd, voelde ik een steek van teleurstelling. Maar het was de eerste, dus het kon nog goed komen, dacht ik. Toch stak het gevoel van desillusie af en toe de kop op. Temeer daar mijn zus drie maanden eerder wel een dochter had gekregen. In vergelijking met mijn nichtje vond ik Mats zo saai. Je kon alles met hem doen, hij vond het allemaal best. Mijn nichtje was een pittig ding, zo eentje wilde ik ook. Mats kon helemaal van slag raken door haar drukke, luidruchtige gedrag en zette dan een enorme keel op. Daar ergerde ik me mateloos aan. Vreselijk, hij was toen nog niet eens 1 jaar! Eigenlijk moest hij toen al presteren.

Twee jaar na Mats werd Tess geboren. Ik had mijn buit binnen: eindelijk het meisje dat ik altijd al had gewild. En dat is ze nog steeds. Toch liep het ook bij haar anders dan ik had verwacht. Hoewel ze een heel pienter kind leek, bleek in groep 3 dat ze op school niet goed kon meekomen. Ze had problemen met rekenen en taal. Haar achterstand werd zo groot, dat ze groep 4 overdeed. Bij haar komen mijn eigen frustraties naar boven. Ik had ook moeite met leren en werd daar op school soms mee gepest. Toen ik merkte dat Tess dezelfde problemen had, vond ik dat vooral jammer voor haar. Uit ervaring weet ik dat ze een rottijd heeft op school. Toch doet het af en toe pijn. Zoals laatst, toen ik hoorde dat ze voor haar rekentoetsen in groep 5 een ‘vette E’ had gescoord; een indicatie voor speciaal onderwijs. En vanmiddag oefende ik woordjes met haar. Schrijft ze: geborte, seerie, spurren. Ik weet dat het niet moet, maar ik erger me daar heel erg aan en val soms onredelijk uit. Toch vind ik Tess geen dom kind. Of zou je dat als ouder niet zien? Hoe dan ook, bij Tess heb ik er alle vertrouwen in dat ze het later wel gaat redden, ze heeft zoveel andere kwaliteiten.

Bij Mats was dat basisvertrouwen er veel minder. Nog steeds erger ik me soms aan hem. Hij kan namelijk ontzettend zuigen en stopt niet als ik hem waarschuw. Op zulke momenten heb ik totaal geen grip op hem. Uit machteloosheid pak ik hem dan soms veel te ruw aan. Ik herinner me dat ik hem een keer zo hard in zijn nekvel heb gegrepen, dat zijn huid helemaal kapot was. Na zo’n incident voel ik me ontzettend schuldig, een ontaarde moeder.

Met mijn man Rob heb ik het er nooit over gehad dat ik me soms een beetje bekocht voelde. Wel praatten we over gedrag dat we niet zo zagen zitten. Maar blijkbaar is toegeven dat je teleurgesteld bent in het karakter van je kind toch nog steeds een taboe. Het kostte me al heel veel moeite om dat voor mezelf te erkennen. Gelukkig gaat het, nu hij ouder wordt, steeds beter tussen Mats en mij. Ik heb een Gordon-opvoedcursus gevolgd, waar ik een aantal trucs leerde om beter met mijn kinderen om te kunnen gaan. Daardoor heb ik Mats leren waarderen en accepteren zoals hij is.

Laatst kreeg ik een geweldig compliment: een vriendin vond het bewonderenswaardig dat ik Mats zo in zijn waarde laat. Komt het misschien toch nog allemaal goed!’

‘Ik denk wel eens: is dít het nou?’

Suzan Harmsen werd zelf kil opgevoed. In de ogen van haar moeder kon ze niets goed doen: voortdurend werd er op haar gevit. Nooit was er tijd voor iets leuks. Dát zou zij later heel anders doen, nam ze zich voor.

‘Ik stelde me het gezinsleven altijd heel idyllisch voor. Met kinderen waar goed mee te praten viel, die niet te beroerd waren om een handje mee te helpen in het huishouden. ’s Avonds gezellig met z’n allen rond de tafel voor een spelletje Ganzenbord.

Dat pakte anders uit. Vooral aan tafel is de harmonie soms ver te zoeken. Mijn drie jongens (12, 10 en 5) maken veel ruzie. Eentje eet al jaren bijna niets. Hun tafelmanieren zijn abominabel: ze smakken, eten met hun handen en maken er een puinhoop van. En helpen in de huishouding, ho maar! Dat levert elke dag weer strijd op.

Ook van de leuke uitstapjes die ik graag met mijn gezin wilde maken, is minder terechtgekomen dan ik had gehoopt. Ik doe mijn best iets leuks te verzinnen en dan lopen ze er met van die zure koppen bij. Laatst had ik vijf kaartjes gekocht voor het Cirque du Soleil. Het kostte me een vermogen en na afloop zeiden mijn kinderen dat ze Circus Renz toch leuker vonden. Ook onze vakanties kunnen ze op die manier aardig verpesten.

Op zulke momenten denk ik wel eens: “Is dit het nou?” Dan valt het ouderschap me tegen. Eén keer heb ik, tot mijn grote spijt, tegen mijn zoons geroepen dat ze mijn leven verpesten. Soms voelt dat echt zo. Ik zou het zo leuk vinden af en toe wat terug te krijgen voor alles wat ik doe. Een beetje dankbaarheid. Maar dat is waarschijnlijk teveel gevraagd.

Ook van mezelf als moeder had ik een heel ander beeld. Met andere mensen heb ik een engelengeduld, maar met mijn eigen kinderen is dat een verhaal apart. Ik ben verschrikkelijk kortaangebonden en ongeduldig, wat alles te maken heeft met mijn eigen gemoedstoestand. Als ik bijna ongesteld moet worden of moe ben, dan is het lontje heel kort. Ze hoeven dan maar weinig te doen of ik zit op de kast. En ik maak van alles een punt. Soms hoor ik mezelf tekeer gaan tegen de jongens. Dan schrik ik omdat ik zo op mijn moeder lijk en neem ik me vervolgens heilig voor het voortaan allemaal anders te gaan doen.

Behalve met een paar goede vriendinnen praat ik hier met andere ouders niet over. De meesten vinden waarschijnlijk dat je zo niet over je kinderen mag praten. Veel moeders vervallen in het andere uiterste: die zijn altijd alleen maar positief. Alsof hun kinderen geen nare trekjes hebben die je eigenlijk liever niet zou willen zien. Ik voel me daar altijd heel ongemakkelijk bij.

Wel ben ik ervan overtuigd dat het probleem meer in mij zit dan in de kinderen. Ik zal iets moeten veranderen. Daarom heb ik met een vriendin een opvoedcursus gevolgd, hoewel ik geloof dat zij er meer van heeft opgestoken dan ik. Nog steeds geef ik te weinig complimentjes en ben ik vaak te negatief. Toch probeer ik mezelf steeds weer te corrigeren en een aardiger moeder te worden. Want ik wil wel dat ze me alledrie nog komen opzoeken in het bejaardenhuis.’

‘Soms verwijt ik hem stilletjes dat hij niet “gewoon” is’

Simone Vermeulen ging er eigenlijk gewoon van uit dat haar toekomstige kinderen makkelijk, leuk en intelligent zouden zijn. Maar haar tweede kind bleek ADHD te hebben.

‘Ik had vroeger geen ideeën over hoe mijn kinderen moesten zijn. Maar toen de eerste geboren was, bleek ik toch allerlei ideaalplaatjes te hebben. Ze moesten actief zijn, snel van begrip, lekker in hun vel zitten, er leuk uitzien, humor hebben en een goede band met ons. Mijn oudste dochter (12) en mijn jongste zoon (5) voldoen aardig aan dat beeld, al hebben ze natuurlijk ook eigenschappen die ik wat minder vind.

Mijn middelste zoon Jonathan (9) daarentegen was vanaf zijn geboorte een totaal ander kind. Superonhandig, zeer veeleisend, onbeheerst en in alles traag. Hij fietste pas toen hij 6 was en ’s nachts is hij nog steeds niet zindelijk. Maar het ergste was dat ik hem totaal niet begreep. Hij was zó anders dan ik. Het was mijn kind, maar ik voelde hem absoluut niet aan.

In groep 2 trok de juf aan de bel. Op school maakte hij zijn werkjes nooit af. Hij eiste extreem veel aandacht en had vaak ruzie met klasgenootjes. Na een lange lijdensweg met ontelbare tests en deskundigen werd uiteindelijk door de kinderpsychiater de diagnose gesteld: hij heeft ADHD.

Al weet ik nu waar Jonathans gedrag vandaan komt, makkelijker is het daardoor niet geworden. Af en toe betrap ik me erop dat ik hem stilletjes verwijt dat hij niet ‘gewoon’ is. Waarom moet ik alles honderd keer zeggen en gebeuren de dingen dan nog niet zoals ik ze wil? Waarom gaat niets vanzelfsprekend? Waarom kost hij mij zoveel meer energie dan de andere twee?

Ik doe mijn best, maar ik weet dat ik zijn handicap nog steeds niet geaccepteerd heb. Elke dag hoop ik dat het over is. En elke dag weer blijkt het tegendeel.’

‘Ik hoop dat het later allemaal goed komt’

Paula de Jong had altijd een hechte band met haar zoon Sebastiaan. Tot hij geleidelijk aan transformeerde in een nukkige, ontevreden puber. Nu kijkt ze uit naar de dag waarop hij het huis uitgaat.

‘’t Klinkt hard als je zegt dat je teleurgesteld bent in het karakter van je kind. Toch voel ik dat soms zo. Bastiaan (16) heeft een aantal trekjes waar ik moeite mee heb. Hij is erg op uiterlijk gericht, hard, heel negatief en heeft snel zijn oordeel klaar. Ik zou zo graag wat meer eigenschappen in hem terug willen zien waar ik veel waarde aan hecht. Want hij heeft wel degelijk ook een andere, gevoelige, zorgzame en kwetsbare kant. Maar die wordt in zijn contact met mij meestal volledig overschaduwd. Thuis is het namelijk vaak niet te harden. Er deugt niet veel aan mij. Hij groet me nauwelijks, praat bijna alleen nog maar in snauwen en grauwen tegen me en we doen nooit meer iets gezelligs samen. Daardoor verlies ik wel eens de proporties uit het oog en zie ik alleen nog maar zijn gebreken.

Vroeger hadden Bastiaan en ik een hele warme, lichamelijke relatie: we liepen nog vrij lang hand in hand. Bij de overgang van groep 6 naar groep 7 veranderde Bas van een vrolijk, opgeruimd kind in een chagrijnige, ontevreden puber. Ik kan die verandering niet verklaren, maar weet wel dat het in de loop der jaren steeds erger werd. Bastiaan straft mij omdat ik volgens hem alles voor hem heb verknald.

Natuurlijk heb ik dingen fout gedaan. Naarmate Bas ouder werd, werd ik steeds meer partij in een conflict met hem: ik stond er niet meer boven. Hij kon me zó kwetsen dat ik hem soms alleen nog maar terug wilde pakken. Ook vond ik het moeilijk hem de ruimte te geven, hem los te laten. Uit angst dat het mis zou gaan, heb ik hem te veel gestuurd en te weinig de kans gegeven zijn eigen koers te varen. Daardoor moet hij het gevoel hebben gehad dat er niet veel goed aan hem was. Zo heb ik hem eens verboden skinhead te worden. Ik zag alleen maar die neo-nazistische buitenkant en niet dat dit de zachte, gevoelige Bastiaan was die graag ergens bij wilde horen.

Hoewel ik mij schuldig voel, wil ik toch niet langer meer voor Bas door het stof kruipen. Al zoveel jaar laat ik mijn geluk afhangen van hoe het met hem gaat. Ik ben 49, ik wil nu voor mijzelf kiezen. Daarom heb ik besloten dat Bas het huis uit moet als hij zijn school heeft afgemaakt. Dat klinkt vastberadener dan het is. Ik ben doodsbang dat hij nooit meer langs komt, behalve voor een beleefdheidsbezoekje. Ik hoop dat we ooit in staat zijn erover te praten en de banden weer kunnen aanhalen. Als ik zeker zou weten dat het later allemaal goed komt, zou ik nu springend door het leven gaan.’

Om privacyredenen zijn de namen van de geïnterviewden veranderd.

Steuntje in de rug

  • Geef aan jezelf toe dat dit kind iets in je oproept wat je niet wil, of dat het niet voldoet aan je eigen ambities.
  • Schaam je niet voor die gevoelens. Praat erover met iemand die je vertrouwt of met een deskundige.
  • Elke ouder maakt fouten, niemand is perfect. Dat is geen ramp.
  • Accepteer het kind, hoe jong ook, als een zelfstandig mens.
  • Let op de leuke eigenschappen. Geef het kind hiervoor geregeld complimentjes.
  • Relativeer. Een wereld waarin iedereen universitair is opgeleid, is onleefbaar.
  • Denk eens terug aan je eigen kindertijd. Herken je in je kind je eigen zwakke kanten? Is dat de angel?
  • Humor werkt beter dan boosheid. Maar waak voor cynisme of sarcasme.
  • Wees duidelijk. Ouders zijn de baas en bepalen de grenzen.
  • Voorkom escalaties. Straf vóórdat je echt kwaad wordt.
Reageer op artikel:
Droom in duigen: Als je kind tegenvalt
Sluiten