Pedagoog Bert Wienen: ‘Ouders zijn geen klanten’ deze ene vraag aan ouders veranderde het gesprek
Een leraar stelde ouders aan het begin van het schooljaar één simpele vraag: hoe kunnen jullie er als ouders samen voor zorgen dat de leerlingen een goed jaar krijgen? Daarna liep hij weg om koffie te halen. Wat er vervolgens gebeurde, verraste hem. Pedagoog Bert Wienen vertelt aan J/M Ouders wat er verandert als ouders op school niet langer als klant, maar als onderdeel van een gemeenschap worden gezien.
Een gesprek tussen ouders op het schoolplein gaat al snel over praktische zaken: wie haalt de kinderen op, wanneer is de studiedag en wat staat er in de groepsapp? Maar praten ouders nog met elkaar over opvoeden? “Veel gesprekken gaan via een app. Ouders komen elkaar minder tegen en spreken elkaar ook minder over opvoeden”, zegt Wienen. Vooral wanneer kinderen ouder worden, ziet hij dat de vanzelfsprekende contacten tussen ouders afnemen.
Daarmee ontstaat volgens Wienen een interessant probleem. Ouders zijn wel degelijk betrokken bij school, maar vooral vanuit hun eigen kind. “Bij ouderbetrokkenheid ben je betrokken op je individuele kind. De school doet dat ook. Terwijl ouders natuurlijk ook andere behoeften hebben. Ze willen weten: heb jij dit ook? Maak jij dit ook mee?”
De ouder als klant
Volgens Wienen zijn ouders bovendien steeds meer in een klantpositie terechtgekomen. De leraar staat voor de groep, vertelt wat er gebeurt en ouders luisteren, stellen vragen en vormen een mening. “Van ouders wordt eigenlijk niet zo veel verwacht”, zegt hij. En dat is volgens hem niet logisch. “Scholen hebben ouders nodig en ouders hebben de school nodig. We weten niet precies hoe het thuis gaat, wat er gebeurt en hoe een kind zich ontwikkelt.”
Het idee van een klantrelatie past daarom slecht bij onderwijs. “Een klant heeft het idee: voor wat hoort wat. Maar bij een kind werkt dat niet zo. Het gaat altijd anders. Je moet dus ook niet doen alsof de school de ouder iets levert en de ouder daar vervolgens iets voor terugkrijgt.” Wienen pleit daarom voor meer verbondenheid tussen ouders onderling én tussen ouders en school.
Eén simpele vraag
Het idee ontstond toen Wienen sprak met een leraar over verbondenheid. Die besloot het anders aan te pakken tijdens een ouderbijeenkomst. Hij stelde een eenvoudige vraag en liet de ouders vervolgens alleen. “Tot zijn verbazing ontstond er een heel gesprek. Een ouder vertelde dat zijn kind nooit werd uitgenodigd. Een andere ouder begon over telefoongebruik. Ineens kwamen allerlei onderwerpen op tafel die anders misschien helemaal niet besproken waren.”
Juist dat uitwisselen is volgens Wienen waardevol. “Ouders vinden het heel prettig om met elkaar te praten. Vooral als ze merken: ik ben niet de enige die hier tegenaan loopt. Dat is lekker.” Hetzelfde ziet hij gebeuren bij de overgang naar het voortgezet onderwijs. “Ouders willen bijvoorbeeld weten of andere kinderen het spannend vinden om naar de middelbare school te gaan, of juist helemaal niet. Het helpt als je merkt dat je niet de enige bent.”
We hebben samen iets te doen
Een sterkere gemeenschap tussen ouders kan volgens Wienen ook kinderen helpen. Neem pesten. “Als er bijvoorbeeld gepest wordt in de klas, kun je als ouders zeggen: wij hebben hier samen iets te doen.” Dat betekent niet dat ouders op de stoel van de leraar moeten gaan zitten. “School is school en thuis is thuis. Maar je kunt als ouders wel laten merken dat je er samen voor staat.” Dat wordt volgens Wienen belangrijker naarmate kinderen ouder worden. “In groep 7 weten en zien kinderen dat ouders en school samen staan. Tegelijkertijd worden leeftijdsgenoten steeds belangrijker en wordt het loskomen van huis belangrijker.”
Lucht voor leraren
Een veelgehoord bezwaar is dat scholen al kampen met hoge werkdruk. Waarom zouden ze dan nóg iets moeten organiseren? Volgens Wienen kan deze aanpak juist tijd opleveren. “Ik denk dat het leraren lucht kan opleveren. Een deel van wat je nu individueel met ouders oppakt, kan meer in gesprekken tussen en met ouders gebeuren.” Hij adviseert scholen wel om er geen project van te maken dat na één ouderavond weer verdwijnt. “Ik zeg altijd eerlijk tegen scholen: begin hier niet mee als er gedoe is op school. Maak er een gewoonte van.”
De eerste stap is volgens hem een fundamentele vraag: hoe kijken we eigenlijk naar ouders? “Als het geen klanten zijn, hoe kijken we dan wél naar ze? Hoe definiëren we elkaar? En wat is ieders verantwoordelijkheid?” Het liefst begint dat volgens Wienen al in groep 1 of 2. “Stel aan het begin van het jaar de vraag en oefen ermee. Kijk vervolgens wat bij de school past.” Daarbij moet een school er wel rekening mee houden dat niet iedere ouder gemakkelijk het woord neemt. “In een groep ouders zitten, net als in een klas, mensen die makkelijk praten en mensen voor wie dat heel spannend is. Je moet daar in je werkvorm rekening mee houden.”
Als Wienen zelf één vraag aan ouders zou mogen meegeven, weet hij welke dat is: “Wat zouden jullie als ouders het allerbelangrijkste vinden wat wij dit jaar aan jullie kinderen meegeven?” Een simpele, maar volgens hem een belangrijke vraag. “Je hoort waar ouders met hun gedachten zitten en wat ze belangrijk vinden. Het hoogste goed is dat ouders zich comfortabel voelen om met elkaar in gesprek te gaan.”
:format(jpeg):background_color(fff)/https%3A%2F%2Fwww.jmouders.nl%2Fwp-content%2Fuploads%2F2025%2F09%2FSchermafbeelding-2023-07-03-om-10.03.07.png)
:format(jpeg):background_color(fff)/https%3A%2F%2Fwww.jmouders.nl%2Fwp-content%2Fuploads%2F2026%2F09%2FPortretfoto-Wienen-e1788960246234.jpg)