‘Mag ik co-co- cola?’

redactie 19 jun 2018 Gedrag

Stotteren: 1 op de 20 kinderen heeft er last van. Gelukkig komt 80 procent er van af, ‘als het tenminste vroeg erkend wordt en het kind naar stottertherapie gaat,’ zegt logopedist en stottertherapeut Mieke Fokker. Waar moeten ouders alert op zijn en wat kunnen zij zelf doen om het stotteren te verminderen?

Stotteren wordt meestal voor het eerst hoorbaar als een kind een jaar of 3 is, en eigenlijk geeft het daarmee aan dat het niet zo lekker in zijn vel zit. Er zijn een heleboel oorzaken voor stotteren aan te wijzen, zegt Mieke Fokker, maar globaal kun je vier redenen noemen. In de eerste plaats een zwakke timingsstoornis, waardoor de verschillende hersengedeelten die bij spraak betrokken zijn, niet optimaal samenwerken. Vaak gaat dit gepaard met een zwakke fijne motoriek en articulatie- of taalproblemen. Dit kan genetisch bepaald zijn, zeker als een van de ouders ook stottert of gestotterd heeft.

Maar ook omgevingsfactoren kunnen van invloed zijn: een verhuizing, een nieuwe broer of zus, een sterfgeval in de familie of een scheiding. In haar praktijk in Amsterdam-Noord ziet Fokker ook regelmatig vierjarigen komen die voor het eerst naar school gaan: door de spanning van een nieuwe ervaring en de hoge verwachtingen van hun ouders beginnen zij plotseling te stotteren. Reden waarom Fokker bij de eerste kennismaking met een nieuwe cliënt altijd vraagt of de ouders meekomen. ‘Ik observeer hoe kind en ouders op elkaar reageren en zo kom ik erachter welk gedrag van de ouders eventueel drukverhogend werkt en stotteren uitlokt.’

Verschillende oorzaken

Soms wordt het stotteren veroorzaakt doordat ouders een kind veel lastige vragen stellen, moeilijke spelletjes met hem doen of te spannende verhalen voorlezen. Soms komt het door tijdsdruk: als de dingen in het gezin te snel verlopen of als oudere broers en zussen al veel zelf kunnen waardoor het kind denkt dat het achterloopt. Ook de manier van spreken van ouders heeft invloed: is het spreektempo te hoog, de zinslengte te lang of de woordkeus te moeilijk? Geeft de ouder het kind niet genoeg ruimte om zijn zegje te doen en reageert het vervolgens nauwelijks op wat het kind zegt? Al deze gedragingen zorgen voor spanningen en kunnen in combinatie best de aanleiding zijn van het stotteren.

Daarnaast kan ook het temperament van een kind meespelen: is het gevoelig, of faalangstig? Misschien durft het niet goed te spreken omdat het bang is fouten te maken. Anderzijds zijn er kinderen die zo druk zijn in hun hoofd dat ze, terwijl ze de ene zin nog niet hebben uitgesproken, alweer met iets anders bezig zijn.

Tot slot noemt Fokker taalproblemen als oorzaak: sommige kinderen van niet-Nederlandse afkomst hebben problemen met onze taal, wat zich eveneens in stotteren kan uiten. Maar andersom kan stotteren ook samenhangen met een versnelde taalontwikkeling.

Manieren van stotteren

Sommige stotteraars herhalen losse woorden: ‘Mag-mag-mag ik cola?’ Anderen herhalen lettergrepen: ‘Mag ik co-co-cola?’ Volgens Fokker is het normaal dat jonge kinderen tijdelijk niet vloeiend spreken, en vormt dat dus geen reden om direct in te grijpen. Veel spanning op de stembanden resulteert in hard praten en blokkades midden in een woord: ‘K-k-koffie’ en ook: ‘C…ola.’ Kinderen met deze ‘kwaal’ helpt Fokker door te oefenen met langzaam of losser en snel of strakker spreken. ‘Ik heb bijvoorbeeld een speelgoedschildpad- en haas die de verschillen symboliseren, en dat helpt kinderen om het voor zich te zien.’ Soms zijn kinderen zo bang om te stotteren, dat ze een zin omgooien om een woord waar ze last mee hebben te vermijden. Woordanticipatie heet dit, en het komt meestal voor bij oudere kinderen die hun best doen om níet te stotteren. ‘Ze blijven hangen op “kopje”, dus zeggen ze “glas.”’

Meestal worden stotterende kinderen door huisarts of via school en GGD doorverwezen naar een logopedist of stottertherapeut. Fokker: ‘Bij kinderen van tweeënhalf tot 3 jaar gaat het stotteren met behulp van therapie vrijwel altijd over. Bij kinderen van 4 tot 6 jaar duurt het meestal langer, en bij kinderen vanaf 7 is mijn doel niet meer om het stotteren te verhelpen, maar te verminderen. Zodat het kind en zijn omgeving er minder last van ondervinden.’

Zelfvertrouwen geven

In haar praktijk besteedt Fokker tijd aan spraakoefeningen, werkt ze aan de woordenschat en zinsopbouw. Maar net zo belangrijk vindt ze het om de kinderen die bij haar komen meer zelfvertrouwen te geven, want angst en schaamte over het stotteren verbetert de situatie niet. Dat doet Fokker door de kinderen te laten tekenen en spelen om ondertussen te onderzoeken hoe ze de spraak ook spelenderwijs kan verbeteren. De aanwezige ouders laat ze de eerste paar keren vaak meedoen, en ze observeert hoe het samenspel verloopt. Waar ze op let, is of de ouder verstaanbaar spreekt, hoe het spreektempo is en de zinslengte. Maar ook de sfeer is belangrijk: is die affectief en belonend? Is er veel interactie tussen kind en ouder of bouwt vader of moeder het legokasteel alleen omdat dat sneller gaat? Mag het kind zelf initiatief tonen of krijgt het opdrachten en is er steeds kritiek? Fokker: ‘Veel ouders stellen hun kind tijdens het spelen vaak vragen, omdat ze willen dat het kind van alles wat hij doet, leert. “Welke kleur heeft het potlood?” “Hoeveel blokken liggen hier?” Ook zijn ouders geneigd de fantasie van het kind in de kiem te smoren. Tekent het een hele kleine paddenstoel met een grote kabouter, dan past die natuurlijk nooit door het deurtje. En bij het spelend koken smaakt de soep met hagelslag die het kind brouwt, waarschijnlijk heel vies. Maar vragen stellen en kritiek geven werkt alleen maar drukverhogend en vergroot de kans dat het stotteren toeneemt. Geef het kind liever de ruimte en bevestig het in zijn spel. Dat brengt rust en zo gaat het spreken vanzelf makkelijker.’

Hoewel Fokker haar cliënten na verloop van tijd ook zonder ouders behandelt, blijven die een grote rol spelen. ‘Sommige ouders denken: mijn kind gaat nu naar de stottertherapeut, dat komt vanzelf wel goed. Maar één uur logopedie per week is niet genoeg. Zonder steun van de ouders komt een kind niet van het stotteren af.’

Ook de leerkracht is belangrijk; Fokker neemt altijd contact met hem op. ‘Ik vraag hoe het in de klas gaat – wordt er gepest? Ik adviseer om bij een kringgesprek veel van wat het kind zegt te herhalen en bij leestoetsen niet op tempo te beoordelen. Ook in de klas moet een kind de ruimte krijgen om te durven praten. Als het merkt dat het mág stotteren en niet als buitenstaander wordt behandeld, valt er al een last van zijn schouders.’

Valkuilen

  • Zeg niet: ‘Doe maar rustig’, ‘Denk eerst even na’ of ‘Begin maar opnieuw’. Dat vestigt nog meer aandacht op het stotteren. De daardoor ontstane ?spanning verergert het stotteren juist.
  • Vul geen woorden in of zinnen aan. Geef een kind de tijd.
  • Ga niet in op hóe een kind iets zegt, maar op wat het zegt.
  • Trek stotteraars niet voor, dat benadrukt alleen maar dat er iets met hen is.

Wel doen:

  • Wil een stotterend kind een heel verhaal gaan ophangen op een ongunstig moment? Voorkom irritaties en spreek af dat je op een rustiger tijdstip met plezier naar hem wilt luisteren.

Jongens stotteren vaker

  • – Let er in een gezin met meer kinderen op dat het stotterende kind (aan tafel) net zo veel ruimte krijgt om te praten als de anderen.
  • 5 procent van de kinderen stottert.
  • Jongens stotteren drie keer zo vaak als meisjes, omdat ze een latere motorische en neurologische rijping hebben.
  • Stotterende moeders geven het stotteren vaker over op hun kinderen dan stotterende vaders.
  • 80 procent van de stotteraars leert het af of groeit er overheen.
  • 1 procent blijft zijn hele leven in meer of mindere mate stotteren

Meer informatie:

Op de site www.stotteren.nl is onder meer een test te vinden die uitwijst hoe hevig een kind stottert en of therapie geboden is.
Zie ook: www.kindentaal.nl

Reageer op artikel:
‘Mag ik co-co- cola?’
Sluiten