Op hoge poten naar school: Wat te doen bij conflicten?

Ouders die een klacht hebben over de school van hun kind, moeten dat vooral niet voor zich houden. Immers, als ze hun mond houden doen ze hun kind tekort. Dat vinden veel leerkrachten – althans in theorie. In de praktijk staan ouders en scholen steeds vaker lijnrecht tegenover elkaar.

Ouders kunnen om heel uiteenlopende redenen problemen hebben met de school van hun kind. Een leerkracht kan een opmerking hebben gemaakt die verkeerd is gevallen. Soms willen ouders niet dat een kind doucht op school of dat het voor straf moet nablijven. Ook kunnen ouders een klacht hebben over de manier waarop de school omgaat met leerproblemen van hun kind.

Praten met de leerkracht

June Arkenbout, leerkracht in de bovenbouw van een montessorischool, vindt dat ouders altijd naar de leerkracht moeten gaan als zij met een probleem zitten. Als ze zwijgen uit angst en denken dat ze de relatie tussen de leerkracht en het kind verstoren door niet te praten, doen ze hun kind tekort. “Ouders moeten de leerkracht altijd laten weten wat ze voelen. Als ze het maar niet op een aanvallende manier doen, want dan schiet een leerkracht automatisch in de verdediging. Breng het rustig en vraag de leerkracht naar de redenen van zijn besluit. Ouders zijn zelden lastig, ze willen gewoon het beste voor hun kind. En dan mogen ze best zeikerds zijn. Maar ze moeten ook beseffen dat geen enkele school iets doet om hen dwars te zitten.”

Ook Tom Vossenberg, voormalig directeur van de Derde Daltonschool in Amsterdam, vindt dat ouders direct naar de leerkracht moeten stappen. Als klachten blijven hangen, kost het meer moeite die later tot de kern terug te brengen, is zijn ervaring. “Soms komen klachten voort uit een teneur die ontstaat in een school. Elke school kent het ‘voor-de-school-circuit’ waarin ouders met elkaar praten. Aan het hek ontstaan soms verhalen en en dan kan een probleem gemakkelijk escaleren. Gevolg is dat je met moeilijk verifieerbare klachten te maken krijgt.”

Sommige ouders benaderen het liefst onmiddellijk de directeur van de basisschool. Maar Vossenberg verwees hen altijd eerst terug naar de groepsleerkracht. “Ik ben er niet bij geweest en moest dus onderzoeken wat er precies is gebeurd. Bij het gesprek met de leerkracht kan de intern begeleider een bemiddelende rol spelen. Als dat niet lukte, dan kwamen ze bij mij.” Soms ook nemen ouders contact op met de medezeggenschapsraad, maar die kan weinig voor ouders betekenen, aldus Vossenberg. “De mogelijkheden van de raad zijn beperkt. De raad richt zich op het schoolbeleid en kan dus weinig doen met klachten van individuele ouders.”

Vossenberg probeerde alle klachten serieus te behandelen. “Maar er zíjn klachten waar we als school niets mee kunnen, eenvoudig omdat we gehouden zijn aan de wet. Scholen krijgen bijvoorbeeld elke zomer klachten van ouders, omdat ze geen toestemming krijgen om vroeger met vakantie te gaan. Zij willen eerder vertrekken, omdat de vliegtickets buiten het seizoen goedkoper zijn. Soms hebben zij die tickets al gekocht. Maar een kind is wettelijk verplicht om naar school te gaan. Als een kind verzuimt, zijn wij als school verplicht dat te melden. Wij kunnen daarom als school nooit toestemming geven.”

Te hoge verwachtingen

De meeste conflicten tussen ouders en school ontstaan rond de speciale zorg voor kinderen, constateert Vossenberg. “Als een kind niet goed functioneert op school, menen ouders al snel dat wij er te weinig aan doen. Wij van onze kant denken natuurlijk dat we er álles aan doen.” Leerkracht June Arkenbout herkent dit. “In het onderwijs doen we erg veel aan het vroegtijdig opsporen van leerachterstanden. En dat is goed, daar sta ik helemaal achter. Maar als je bijvoorbeeld aan de slag gaat met remedial teaching – leerlingen met een leer- of gedragsprobleem/stoornis extra ondersteunen – betekent dat nog niet dat het kind uiteindelijk naar het vwo kan. Vroegtijdig signaleren schept verwachtingen, maar vaak zijn die niet haalbaar. Als wij het als school beter vinden dat een kind naar het speciaal onderwijs gaat, leidt dat vaak tot moeilijke gesprekken. Het zijn de ouders die uiteindelijk bepalen of een kind naar het bijzonder onderwijs gaat en ik begrijp wel ze dat niet willen. Ze willen dat hun kind bij zijn vriendjes kan blijven. Meestal hebben ze heel andere verwachtingen van hun kind. Maar wíj zien soms dat een leerling alleen maar meer faalangst krijgt en ongelukkiger wordt als hij moet doorgaan met een programma dat te hoog gegrepen is. Dan moet je proberen met de ouders op één lijn te komen. En leerkrachten hebben hetzelfde belang als ouders: dat het goed gaat met het kind. Dat vergeten ouders weleens.”

Ook Vossenberg heeft regelmatig te maken met verwijzingen naar het speciaal onderwijs: “Wij hebben op school weinig financiële ruimte voor remedial teaching. Maar ouders verdiepen zich meestal pas in de mogelijkheden die de school kan bieden als het niet lekker loopt met hun kind. Als ouders pertinent blijven weigeren hun kind naar het speciaal onderwijs te laten gaan, schakelen we soms de leerplichtambtenaar in. Hij probeert dan de ouders te laten inzien dat je in termen van verwaarlozing kunt denken als het kind niet krijgt waar het recht op heeft.”

Verschil in pedagogisch inzicht

Ook verschillen in pedagogisch inzicht kunnen gemakkelijk leiden tot moeilijk oplosbare conflicten tussen school en ouders. Een voorbeeld van Vossenberg: “Een kind had zijn bal in school laten liggen en kwam die opeisen bij zijn juf. De leerkracht pikte dat niet en besloot dat hij zijn bal niet meekreeg. De jongen kwam volkomen driftig thuis. De ouders schrokken ervan dat hun zoon helemaal over zijn toeren over straat was gegaan. Zij waren heel boos op de leerkracht. Volgens de ouders had de jongen in zijn blinde woede wel onder een auto kunnen lopen. Begrijpelijk dat die ouders zich zorgen maken. Maar zo’n conflict kan escaleren, omdat de opvoedkundige opvattingen ver uit elkaar liggen. Uiteindelijk heeft de schoolbegeleidingsdienst bemiddeld en gesprekken gevoerd met beide partijen.” Ook Arkenbout denkt over zulke verschillen in pedagogische opvattingen niet licht. “Dan heb je echt een probleem. Soms kun je alleen maar hopen op een andere leerkracht in het nieuwe schooljaar. Maar soms is het zelfs beter naar een andere school om te kijken.”

Dat laatste deed Chet Schram, vader van twee jongens van 9 en 11 jaar. Schram: “Een paar jaar geleden besloten mijn toenmalige vrouw en ik te scheiden. De jongens werden goed opgevangen op school. Mijn oudste werd een beetje ontzien en dat vond ik wel prettig.” De pret verging Schram echter al snel toen hij erachter kwam dat zijn zoon een enorme leerachterstand had opgelopen. “Mijn zus, die ook leerkracht is in het basisonderwijs, heeft mijn zoon getest. Daaruit bleek dat hij jaren achterliep!’ Schram ging vervolgens praten met de juf, maar kwam er met haar niet uit. “Mijn zoon had me verteld dat hij nooit hoefde te werken van de juf. Maar de leerkracht weigerde in te zien dat de achterstand van mijn zoon ook met haar houding te maken had.” Tot het indienen van een officiële klacht is Schram niet overgegaan. ‘Ik heb toen vrij snel besloten dat het beter was als hij naar een andere school zou gaan.”

Inschattingsfouten

Natuurlijk maken leerkrachten inschattingsfouten, zegt Arkenbout. “Als in groep 5 wordt ontdekt dat een kind dyslectisch is, is dat veel te laat. Een leerkracht moet dat ook kunnen toegeven en niet direct in de verdediging schieten.” Ook Vossenberg benadrukt dat het onvermijdelijk is dat leerkrachten af en toe in de fout gaan. “Maar als dat gebeurt willen we het daar graag over hebben. Dan ging ik met de partijen praten, soms met z’n drieën, maar soms ook apart. De klachtenprocedure moet zo open en transparant mogelijk zijn. Als er fouten waren gemaakt, maakte ik mijn excuses en veranderden wij ons beleid. Maar goed, daar heeft een ouder op dat moment natuurlijk weinig aan.”

Als ook na bemiddeling van de directeur beide partijen er niet uitkomen, kunnen de ouders altijd nog een officiële klacht indienen. Deze procedure gaat buiten de school om. De ouders hebben hierbij contact met een vertrouwenspersoon. Volgens Vossenberg wordt van deze procedure vooral gebruik gemaakt als ouders vermoeden dat er sprake is van seksueel misbruik of geweld tegen kinderen.

Onkunde of onbegrip?

Volgens Arkenbout staan ouders en school de laatste jaren steeds meer tegenover elkaar. “Er is zoveel negatieve berichtgeving over de onkunde van scholen en leerkrachten. Ouders denken dan al snel: 'klopt het wel wat de juf zegt en hoe weet ze dat eigenlijk?' Vroeger gaf je een cijfer en dat was heilig. Inmiddels moet je als leerkracht heel wat meer in huis hebben. Om geen fouten te maken moet je ongeveer orthopedagoog zijn.”

Maar leerkrachten moeten zich niet bedreigd voelen als een ouder meer kennis heeft over een bepaald onderwerp dan zij, vindt ze. “Er komen steeds nieuwe onderwerpen bij. Je kunt als leerkracht gewoon niet alles weten. Daarom pleit ik bovenal voor begrip voor elkaar.”

Arkenbout vindt dat ook de overheid verantwoordelijk is voor problemen binnen de school. “De overheid wist al jaren geleden dat er een tekort aan leerkrachten zou ontstaan. Nu pas doet zij er iets aan. Maar de manier waarop – zij-instromers aanstellen – vind ik verkeerd. Dan neem je het onderwijs niet serieus. Er mogen nu mensen zonder pedagogische opleiding voor de klas staan. Hoeveel vertrouwen kunnen ouders in zulke leerkrachten stellen? In hoeverre hebben die verstand van ADHD en dyslexie?’ Door het personeelstekort zullen de problemen tussen ouders en school alleen maar toenemen, denkt zij. “In plaats van naar de overheid te wijzen, wijzen ouders en school naar elkaar.”

School verantwoordelijk stellen

Ook Vossenberg merkte dat ouders en school steeds vaker tegenover elkaar staan. Ouders stellen de school vaker verantwoordelijk als er iets fout gaat, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid, zegt hij. “Wij hadden het op onze school nog niet meegemaakt, maar ik hoor dat regelmatig van collega’s op andere basisscholen. Ik ben bang dat die tendens zich steeds verder doorzet. Ook wij gingen schriftelijke toestemming van ouders vragen als we op excursie of schoolreisje gingen. Want je loopt natuurlijk een risico als je met een bus vol kinderen ergens heen gaat. Ik denk dat, net als in de Verenigde Staten, alles steeds meer komt vast te liggen binnen een school. Je zult zien dat daarbij het aantal excursies geminimaliseerd gaat worden. Jammer genoeg. Natuurlijk is het terecht dat ouders bezorgd zijn; wíj zijn dat ook. Ik heb vijfentwintig jaar de kriebels gehad als de kinderen met schoolreisje gingen. En ik slaakte altijd een zucht van verlichting als ze allemaal weer heelhuids terug waren.”

Reageer op artikel:
Op hoge poten naar school: Wat te doen bij conflicten?
Sluiten