Dromertjes: hoe hou je ze bij de les?

Dagdromen is geen kwestie van een gebrek aan aandacht. Het kind concentreert zich alleen op iets anders dan de omgeving op dat moment wil. Daardoor komt hun schoolwerk vaak niet op tijd af en raken ze achter. Wat helpt om een dromer ‘wakkerder’ te krijgen?

Natuurlijk heeft elk kind wel eens moeite zich te concentreren. Wie vindt het nou niet lekker om af en toe naar de vogeltjes buiten te staren? Soms is een slechte concentratie het gevolg van te laat naar bed gaan, of zit een ruzie met een klasgenootje nog dwars. Het zijn aanwijsbare en doorgaans eenmalige oorzaken.

Is een kind structureel niet in staat langere tijd zijn aandacht vast te houden, dan kan er sprake zijn van concentratieproblemen. Sommige ‘ongeconcentreerde’ kinderen gaan heel druk doen. Andere doen bijna het tegenovergestelde: zij dromen weg.

‘Vroeger vielen dromerige kinderen nauwelijks op. Ze zaten rustig achter in de klas en als ze na zes jaar van school kwamen, konden ze niet lezen. Dergelijke kinderen kregen het stempel “dom,”’ zegt Maud Kampstra. Zij is orthopedagoog en kinderpsycholoog en heeft een eigen praktijk waarin ze kinderen met onder meer gedrags- en leerproblemen en diens ouders begeleidt. ‘Tegenwoordig gaat het er gelukkig anders aan toe in het onderwijs. Maar toch: dromers zijn niet lastig in de klas, dus blijft de kans bestaan dat ze er tussendoor schieten en dat hun talenten niet ontdekt worden.’ Dromerigheid is volgens Kampstra geen kwestie van gebrek aan aandacht. ‘Het kind richt zich op iets anders dan de omgeving op dat moment wil. Vaak heeft dat vervelende gevolgen: het werk komt niet op tijd af en het kind raakt achter met de leerstof. En dat kan weer leiden tot motivatieverlies en een negatief zelfbeeld.’

Verschillende oorzaken

Een gebrek aan concentratie kan met tal van factoren samenhangen. Bijvoorbeeld met de rijping. ‘Een kind ontwikkelt zich nooit op alle gebieden even snel,’ zegt Kampstra. ‘Los daarvan zijn er ook langzame “rijpers”. Vaak halen die kinderen een eventuele leerachterstand in groep 4 of 5 weer in.’

Een zwakke fijne motoriek kan ook een factor zijn. Wie veel inspanning moet leveren om enigszins acceptabel te schrijven, haakt eerder af. Orthopedagoog Kampstra wijst verder op de samenhang met motivatie.

‘Als je iets leuk vindt, is het veel makkelijker je daarop te concentreren. Dat geldt ook voor dromerige kinderen. Ons onderwijs is gericht op de middenmoot en dat kan voor de slimme leerlingen en voor de achterblijvers vervelend zijn.’ Voortbordurend op de zwakkere leerlingen, zegt ze: ‘Er ligt tegenwoordig nogal wat druk op kinderen. Sommigen kunnen dat prima aan, anderen niet. Kinderen kunnen overvraagd worden en daardoor gefrustreerd raken. En dat kan weer leiden tot dromerigheid.’

Om het vluchtgedrag te noemen, gaat Kampstra te ver. ‘Het lukt ze gewoon niet om de aandacht te richten, omdat het te veel inspanning vergt.’

Fijne motoriek verbeteren

Door de omgeving te verbeteren, kan een dromertje wakkerder worden. Kampstra adviseert ouders en docenten altijd om uit te zoeken wanneer de gedachten van het kind afdwalen. ‘Gebeurt het alleen op school of ook thuis? En als het op school is, gebeurt het dan alleen bij één specifiek lesonderdeel? Of staart het kind tijdens een potje voetbal ook liever naar de bloemetjes dan naar de bal? Wanneer duidelijk wordt wat het kind leuk vindt, kan daar op ingehaakt worden.’

Veel kleuters leren hun fijne motoriek aan op een nogal eenzijdige manier, vindt Kampstra. Knippen, plakken, soms afgewisseld met papierpropjes draaien en opplakken. Activiteiten die niet elke kleuter met open armen ontvangt. ‘Wie creatief is, kan best een alternatief bedenken waarmee de fijne motoriek net zo goed wordt getraind.’ Thuis kan bijvoorbeeld worden geoefend met gehaktballetjes draaien voor de soep. Of helpen met zaadjes planten en koekjes bakken. Op school biedt klei mogelijkheden.

Bij de grotere dromers kan de leerstof aanleiding zijn om weg te dromen. ‘Is het te moeilijk voor het kind? Ga dan een paar stappen terug. Te gemakkelijk is natuurlijk ook niet goed. En als de leerstof saai is, maar het nu eenmaal moet gebeuren, kun je dat als leerkracht bespreekbaar maken: “Als dit klaar is, volgt er iets leuks.”’

Er zijn veel manieren om taken die het kind als vervelend ervaart, aantrekkelijker te brengen, meent Kampstra. Afwisseling bijvoorbeeld. Immers, hoe langer iets duurt, hoe eerder het kind afhaakt. Ook adviseert Kampstra om vooral de sterke punten van het kind in te zetten. ‘Bij een verbaal sterk kind dat moeite heeft met schrijven, kun je de schrijfbeweging verbaal begeleiden: “Eerst de lus omhoog, daarna…” enzovoorts. Aan visueel ingestelde kinderen zal een tekening meer houvast bieden. Het kan van alles zijn. Zolang je maar gebruik maakt van hun sterke punten.

Op school staan de aanwijzingen meestal op het bord geschreven. Dat werkt goed voor leerlingen die sterk zijn in taal. Visueel ingestelde kinderen hebben meer baat bij pictogrammen. Op die manier kun je leerlingen zelfs leren zichzelf te instrueren.’

Blijf de sterke kanten van het kind zien, benadrukt de orthopedagoog. ‘Een dromer komt al snel in een negatieve spiraal terecht: het gaat niet goed, dus droomt het nog meer weg. Prijs ze voor wat er goed gaat en doorbreek die spiraal. Wie na school een vak kiest dat hij leuk vindt, zal zich vanzelf beter kunnen concentreren. Tot die tijd moeten ouders en leerkrachten voorkomen dat het kind te veel tegen zichzelf aanloopt.’

Prikkelarm

In de ruim twintig jaar dat hij leerkracht is in het basisonderwijs, heeft Theo van der Gun al heel wat dromertjes meegemaakt. En al die jaren heeft hij getracht zijn lessen zo te organiseren dat dergelijke leerlingen zo min mogelijk schade oplopen. Want het zou jammer zijn, vindt hij, als dromers niet alles uit zichzelf halen. ‘Uitvogelen waar die ongeconcentreerdheid vandaan komt,’ is een taak die hem daarbij te wachten staat. Zijn er privéproblemen? Gaat het kind structureel te laat naar bed? Hangt het samen met de aanleg en intelligentie van het kind? Speelt dyslexie misschien een rol? Is het kind nog niet schoolrijp? Maar ook: is het aanbod aan leerstof wel geschikt? En tegelijkertijd maatregelen treffen.

‘Bij elke maatregel kijk ik: is dit een middel voor jou? Vaak werkt iets bij de een wel en bij de ander niet. Bij “niet” probeer ik het volgende.’

Vroeger werkte Van der Gun op een Lom-school, waar het credo luidde: bied een prikkelarme omgeving aan. Wees zuinig met dingen ophangen aan de muur. Hij wijst om zich heen in het prettig ogende lokaal waar hij les geeft aan groep 3. ‘Het mag er hier dan gezellig uitzien, maar misschien treiter je een ongeconcentreerd kind ook wel een beetje.’ En dus heeft hij het lokaal niet nóg gezelliger – lees: drukker – gemaakt.

Klassenmanagement

‘Ik ben de hele dag bezig met structureren. Een strakke organisatie in de klas is essentieel,’ vindt de groepsleerkracht. Als de kinderen ’s ochtends het lokaal binnenstromen, staat de dagtaak dus al op het bord. Het schoolbord is logisch en overzichtelijk ingedeeld. Mondelinge instructies start de leerkracht pas als iedereen klaar zit, dat wil zeggen: er ook met het hoofd bij is. Tot elk van het handjevol kinderen dat nog in andere sferen verkeert, richt hij persoonlijk het woord: ‘Ben je er?’ Direct daarna volgt de instructie, die in maximaal drie, vier zinnen moet ‘staan’. Wollig taalgebruik kan hij zichzelf niet permitteren.

Van der Gun is blij met het zogeheten klassenmanagement dat op zijn school is doorgevoerd. Het systeem leidt tot een zekere voorspelbaarheid van het verloop van de dag en van de manier waarop dingen verlopen. Vooral dat laatste is voor niet-geconcentreerde kinderen heel belangrijk, vindt hij. ‘Zo houden ze meer tijd en energie over voor dingen die werkelijk moeten gebeuren.’

‘Ruis’ in de klas is uit den boze voor dromers, vindt Van der Gun. Toch werken hij en zijn collega’s op school veelvuldig in groepen, om tegemoet te komen aan niveauverschillen tussen kinderen binnen een groep. ‘Ook dat probeer ik zo te organiseren en structureren dat er zo min mogelijk ruis ontstaat.’

Het afgelopen jaar had hij een stuk of vijf dromerige kinderen in de klas. Een van hen was Guido. Die zat aanvankelijk nogal achterin, met zijn tafeltje dwars ten opzichte van het schoolbord. Gezellig naast een vriendje. Hij kreeg al snel een plekje voor in de klas, tussen rustige, ‘wakkere’ kinderen en is het afgelopen jaar heel wat keren persoonlijk toegesproken: ‘Ben je er?’ ‘Let op, nu ga ik je een vraag stellen.’ ‘Heb je je potlood?’

Het moet wel positief blijven,’ zegt Van der Gun. ‘Ik benoem dus ook altijd wat goed gaat. Bijvoorbeeld: ‘De letters ken je, dat is goed, maar het tempo moet omhoog.”’

Met Guido is het stapsgewijs beter gegaan. Zijn leerresultaten werden navenant beter. In veel opzichten is hij rijper geworden en iets zekerder van zichzelf.

Volgens orthopedagoog Kampstra is ‘het plaatje van een kind nooit klaar’. Guido is er nog niet. Maar Van der Gun is – voorzichtig – optimistisch. ‘Hij is een van de leerlingen bij wie de gestructureerde aanpak zijn vruchten heeft afgeworpen. En hij is zelf ook trots dat het nu beter gaat.’

Concentratietips

  1. Oefen speels de concentratie.
  2. Doe geheugenspelletjes met het kind, zoals 'Ik ga op reis en neem mee…' of Memory. Of leg een aantal voorwerpen op tafel, laat het kind alles goed bekijken en daarna de ogen sluiten. Vervolgens wordt er één voorwerp weggenomen, waarna het kind moet raden wat er verdwenen is. Verder: voorlezen en na afloop vragen waarover het verhaal ging.
  3. Voorkom overprikkeling
  4. Zet overdag niet de hele tijd de tv of radio aan. En zeker niet alle twee tegelijk.
  5. Wees matig met speelgoed. Hoe meer er ligt, hoe moeilijker het is om te kiezen en de aandacht bij een ding te houden. Laat het kind eerst opruimen voordat het aan iets nieuws begint.
  6. Berg een paar dozen speelgoed op. Verwissel die na een paar maanden voor 'oud' speelgoed.
  7. Leer ze spelenderwijs omgaan met frustraties
  8. Het is goed om kinderen te leren door te gaan met iets dat niet goed lukt of wat ze moeilijk vinden. Als ze niet bij de eerste tegenslag direct afhaken, leren ze ook om hun aandacht te blijven richten.
  9. Onderbreek het spel niet (te vaak)
  10. Ouders hebben nogal eens de neiging zich te bemoeien met het spel van het kind, zeker bij heel jonge kinderen. Dat is niet handig, want het doorbreekt de concentratie. Een kind vraagt zelf wel om hulp, als het dat nodig vindt.

Bron: orthopedagoog en kinderpsycholoog Maud Kampstra)

'We moeten hem steeds pushen'

Ruben (11) gaat graag naar school en vindt het leuk om te leren. Uit de Entreetoets rolde een havo/vwo-advies. Hij draait dus lekker op school, zou je denken. Toch verwees zijn leerkracht hem door naar de praktijk van Maud Kampstra. Ruben heeft namelijk wel degelijk een probleem. En dat zit hem in het leerproces. Hij werkt erg langzaam, krijgt zijn taken daardoor zelden op tijd af, heeft zijn hoofd er niet bij en laat zich voortdurend door zo ongeveer alles afleiden.

'Hij klaagt steeds dat het zo onrustig is in de klas, voelt zich slachtoffer van anderen,' vertelt zijn moeder. 'Volgens de leerkracht is hij vaak afwezig, aan het staren. Voortdurend moet hij gepusht, gecontroleerd en op zijn verantwoordelijkheid gewezen worden. Hij heeft veel structuur nodig. Ruben wordt er verdrietig van, want als de anderen klaar zijn met hun werk en leuke dingen gaan doen, moet hij zijn taken nog afmaken. Hij neemt werk mee naar huis omdat hij er in de klas niet aan toekomt. Het is geen onwil, integendeel: hij wil het graag heel goed doen.'

Kampstra heeft Ruben in de klas geobserveerd en daarnaast een aantal tests afgenomen. Op twee onderdelen scoorde hij aanzienlijk lager dan gemiddeld: de zogeheten 'Volgehouden concentratietest' en een test waarbij meerdere dingen tegelijk moesten worden onthouden.

Op basis van het testresultaat is een individueel programma gestart waarin Rubens leerkracht een belangrijke schakel vormt. Doel is Ruben te leren steeds langer aan één stuk met een taak bezig te zijn. Aanvankelijk hoeft hij dat maar een minuut of vijf vol te houden, maar de tijdsduur wordt steeds verder opgevoerd. In eerste instantie helpt de leerkracht bij het bewaken van de tijd, maar gaandeweg leert Ruben dat steeds meer zelf te doen. Ingebouwd is een soort beloningssysteem, waarbij de beloning van alles kan inhouden: een krul, stempel of een aardige verrassing thuis.

Daarnaast stimuleren Rubens ouders hem om ook thuis alerter te worden. Want ook privé is hij nogal makkelijk af te leiden; hij eet extreem langzaam, luistert slecht en reageert pas na herhaaldelijk vragen. De aanpak moet erin resulteren dat Ruben beseft dat hij geen slachtoffer is, maar zelf grip heeft op z'n manier van werken.

Onderwijs voor dromers

Bestaat er een ideaal onderwijstype voor dromers? Orthopedagoog en kinderpsycholoog Kampstra gelooft van niet. 'Voor een gemiddeld slimme dromer is een klassikaal systeem misschien het beste, maar slimmere dromers zullen zich juist eerder gaan vervelen.' Ter relativering voegt ze eraan toe: 'Dromers worden niet zozeer afgeleid door anderen. Al wordt de klas afgebroken, zij kijken rustig naar buiten.'

Concentratie per leeftijd

De mate en duur van concentratie is leeftijdsgebonden. Veel kleuters kunnen tijdenlang bezig zijn met hun eigen spel, maar bij een opgedragen taak is de spanningsboog veel korter. Volgens deskundigen kan een gemiddelde zesjarige zich ongeveer tien minuten concentreren op een door de leerkracht opgedragen taak. Dat betekent dat het kind zich gedurende die tien minuten nauwelijks laat afleiden door andere prikkels. Een kind van 10 jaar houdt het twee keer zo lang vol en van een dertienjarige mag je ongeveer een half uur gerichte concentratie verwachten.

Reageer op artikel:
Dromertjes: hoe hou je ze bij de les?
Sluiten