Straffen en berispen: hoe doe je dat?

redactie 19 jun 2018 Ouders

Tien adviezen van kinder- en jeugdpsycholoog Ludo Driesen:

  1. De belangrijkste regel bij het straffen en berispen is dat de situatie altijd veilig moet zijn. Vernedering (in de hoek staan met een bord ‘ezel’ om je nek) of geweld (schoppen, slaan) zijn altijd uit den boze en werken per definitie averechts. Er mag nooit sprake zijn van angst. Een kind naar zijn kamer sturen als je weet dat hij bang is in zijn eentje, moet je dus niet doen.
     
  2. Probeer – voor zover mogelijk – afspraken te maken met je kind over wat wel en niet mag. Vertel ook wat de consequenties zijn als hij zich niet aan de regels houdt. Bijvoorbeeld: een time-out (op de gang, op de bank of aan een tafel), een onthoudingsstraf (tv, pc, mobiel), de schade herstellen van iets wat een kind kapot heeft gemaakt of het doen van een nuttig klusje. Deze vooraf afgesproken regels maken een kind bewuster van zijn gedrag.
     
  3. Doet een kind iets ontoelaatbaars waar je geen afspraken over hebt gemaakt, leg dan in zeer heldere taal uit wat er niet goed was aan dit gedrag en maak afspraken voor een volgende keer.
     
  4. Leg uit waarom je een kind straft: ‘Je hebt je zusje pijn gedaan en dat mag niet.’ Verval nooit in algemene termen: ‘Je bent stout.’ Grote kans dat je kind zich dan gaat identificeren met dit ‘stout zijn’ en zich ook zo gaat gedragen.
     
  5. Wees consequent. Als je zegt dat je van het feest weggaat wanneer je kind zich na een tweede waarschuwing nog steeds niet gedraagt, doe dit dan ook daadwerkelijk. Als je er alleen mee dreigt maar het nooit zal doen omdat je het zelf veel te gezellig vindt, verzin dan een andere straf. Met te veel van dit soort loze dreigementen, neemt je kind je niet meer serieus.
     
  6. Wees mild. Stuur een kind dat tien minuten te laat is bijvoorbeeld niet de hele week een half uur eerder naar bed. Eén keer tien minuten eerder naar bed is danmeer in verhouding.
     
  7. Er moet aan een straf een duidelijk eind zitten. Gaat je kind na de straf weer de fout in, dan is de verleiding groot om een hele tirade af te steken in de trant van: ‘Er is ook altijd iets met jou… et cetera.’ Geef hier niet aan toe! Ook nu geldt dat hoe meer je moppert over het slechte gedrag van je kind, hoe meer je kind zich met dit nieuwe slechte ‘imago’ gaat identificeren.
     
  8. Benadruk het positieve en niet het negatieve gedrag. Dus als je kind wél een keer op tijd thuis is, zeg dan niet: ‘Zie je wel, je kunt het best, deed je dat maar altijd.’ Zeg gewoon: ‘Wat fijn dat je er op tijd bent.’
     
  9. Met name bij wat oudere kinderen kan het goed zijn om ze een straf te laten kiezen. Dus: je mag óf de auto wassen, óf je gaat niet uit. Door ze een keuze te geven ervaren ze toch nog een gevoel van vrijheid.
     
  10. Bedenk dat straffen niet altijd nodig is, corrigeren kan ook. Is een kind onbeleefd? Stel dan voor dat hij het nog een keer vraagt, maar dan op een beleefde toon: ‘Kun je dat ook iets vriendelijker doen?’ Voordeel hiervan is dat je een kind de kans geeft om zich te herstellen. In plaats van hem te straffen kun je hem nu belonen voor zijn goede gedrag. Dat is veel leuker.
Reageer op artikel:
Straffen en berispen: hoe doe je dat?
Sluiten