Een HVO-vakleerkracht ziet meisje alleen opstaan in groep 7: wat de jongens daarna zeggen, raakt een gevoelige snaar
Tijdens een HVO-les van vakleerkracht Sylvie Ratten in groep 7 staat één meisje op als de juf vraagt wie van dansen houdt. Een paar jongens lachen. Wat daarna gebeurt, laat tijdens de Kinderboekenweek zien hoe lastig het kan zijn om jezelf te laten zien.
“Spot aan, in de spotlight”, is dit jaar het thema van de Kinderboekenweek, die vandaag afloopt. De invalshoek voor de komende HVO-lessen is: ‘Wat doet het met jou als je in de spotlight staat?’
Als HVO-vakleerkracht kies ik in principe zelf de thema’s voor de lessen. Zo kan ik kiezen voor een bepaald thema, omdat ik merk dat het in een betreffende groep aan de orde is, denk aan vriendschap, verdriet, ruzie. Ik kan kiezen om aan te sluiten bij onderwerpen uit de actualiteit, zoals klimaat, AI, oorlog. Ik kan met de kinderen inventariseren welke onderwerpen hun interesse hebben. En soms komt er een verzoek vanuit de school of een leerkracht om een thema uit hun lesprogramma in mijn lessen vanuit humanistisch perspectief te behandelen. Welk thema dan ook, bij HVO onderzoeken we onderwerpen altijd met hoofd, hart en handen.
Hoe 1 eenvoudig spel in groep 7 kinderen zichtbaar maakt
Voor de start van het Kinderboekenweekthema doen we tijdens de eerste les onder meer de spelvorm “sta op als …”. Ik leg uit in een groep 7: “Ik heb een lijst met aanvulzinnen en wanneer deze zin voor jou geldt, sta je op, zo niet dan blijf je zitten. Je bepaalt steeds zelf of je opstaat of niet”. Zo krijgen we zichtbaar hoe het zit in de groep met een betreffende kwestie en kunnen de kinderen ervaren hoe het is om op te staan, en dus zichtbaar te zijn.
“Sta op … als… ” vul ik met heel gevarieerde zinnen aan, bouw ik op in mogelijke gevoeligheid van de zinnen bij de kinderen, en stem ik af op de veiligheid in een groep.
- “Sta op…:
- …als je vóór 7 uur vanochtend bent opgestaan”
- … als je de oudste bent van de kinderen thuis”
- … als je het lastig vindt om om hulp te vragen”
- … als je je wel eens alleen voelt”
- … als je wel eens iets verdrietigs hebt meegemaakt”
Soms vraag ik de kinderen of ze er iets over willen vertellen, een toelichting willen geven bij hun keuze. Soms wordt er spontaan gereageerd bij een zin en ontstaat er een gesprekje. Soms volgen de aanvulzinnen elkaar op.
Eén meisje houdt van dansen, maar waarom lachen de jongens?
Bij “sta op als… je van dansen houdt” staat L., een meisje, als enige op. Een paar jongens lachen en grinniken.
Door op zo’n moment in verbinding te zijn met mezelf en tegelijkertijd met de groep, kan ik vanuit een open houding, zonder oordeel aanwezig zijn. In mijn hoofd flitst namelijk de gedachte ‘wordt L. uitgelachen?’. Daarvan weet ik meteen dat het een aanname is. Door me hiervan bewust te zijn, kan ik deze gedachte laten varen, en met een verhelderingsvraag de reactie van de jongens polsen: “Ik hoor jullie lachen, jongens, wat is er aan de hand?”
Waarom een jongen uit groep 7 niet durft te zeggen dat hij van dansen houdt?
Eerst is het stil. Even daarna zegt B. “dit is er één alleen voor de meisjes”. Waarna S. zegt “ik vind het een beetje lastig, ik houd er ook een beetje van, maar ik durf niet echt te gaan staan”.
“Aah, ok” zeg ik, “vinden jullie dat dansen eigenlijk alleen iets is voor meisjes?” De hoofden van deze jongens knikken van ja. “Wie vindt dat ook?” Meer jongens steken hun vinger op. “Wie denkt daar anders over?” Een aantal meisjes en jongens heeft nu hun hand omhoog. “Wie van jullie kan woorden geven aan hoe jij dit ziet?”
- D. (jongen) “ik vind dat niks alleen maar voor meisjes of alleen maar voor jongens is”.
- A. (meisje) “je hebt ook hip hop en streetdance”
- P. (meisje) “als iemand iets leuk vindt om te doen, moet ie het gewoon doen”.
- L. (meisje) “ja dan maakt het niet uit of je een meisje bent of een jongen”.
Ik richt me weer even tot de jongens die moesten lachen. “Jongens, wie van jullie weet hoe het komt dat je vindt dat dansen alleen voor meisjes is?”
- S. “weet ik niet juf”
- B. “omdat ik alleen maar meisjes ken die dansen”
- R. “als ik thuis dans, dan zeggen papa en mama dat het voor meisjes is. Daarom vind ik het ook.”
We pakken het spel weer op met nog wat verschillende aanvullingen. Ter afronding voelen we even na en reflecteren we op hoe het was om op te staan, m.a.w. in het licht te staan, als je met meerdere kinderen opstond, als je als enige opstond, wat je deed als het ongemakkelijk was voor je…
We hebben een spel gespeeld; er is geluisterd, nagedacht, afgewogen, gevoeld; wie weet is er ergens van binnen iets aangewakkerd, een beetje verschoven, iets voorzichtig aangeraakt, of misschien wel bevestigd.
:format(jpeg):background_color(fff)/https%3A%2F%2Fwww.jmouders.nl%2Fwp-content%2Fuploads%2F2026%2F09%2FFoto-Silvie-Ratten.jpeg)